Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:8342 
 
Datum uitspraak:22-06-2026
Datum gepubliceerd:31-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:12199251 KG EXPL 26-67
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kangoeroewoning: In deze zaak vorderen een dochter en haar partner de ontruiming van haar ouders van het door hen bewoonde deel van hun woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een huurovereenkomst en dat de ouders de huurachterstand moeten betalen. Indien zij dat niet binnen drie dagen doen, moeten zij de woning ontruimen. Indien ontruiming niet hoeft plaats te vinden, wordt een deel van de in dat geval gevorderde gedragsaanwijzing toegewezen. De vordering van de ouders tot verwijdering van drie camera’s wordt afgewezen, omdat met deze camera’s geen onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt.
Trefwoorden:huurovereenkomst
schenking
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 12199251 \ KG EXPL 26-67


Vonnis in kort geding van 22 juni 2026


in de zaak van



[eiseres sub 1]
en [eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ,
gemachtigde: mr. J. de Haan,

tegen



[gedaagde sub 1]
en [gedaagde sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. I. Langeveld.


De zaak in het kort


In deze zaak vorderen een dochter en haar partner de ontruiming van haar ouders van het door hen bewoonde deel van hun woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een huurovereenkomst en dat de ouders de huurachterstand moeten betalen. Indien zij dat niet binnen drie dagen doen, moeten zij de woning ontruimen. Indien ontruiming niet hoeft plaats te vinden, wordt een deel van de in dat geval gevorderde gedragsaanwijzing toegewezen. De vordering van de ouders tot verwijdering van drie camera’s wordt afgewezen, omdat met deze camera’s geen onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt. Aan partijen wordt nogmaals uitdrukkelijk in overweging gegeven om actief en constructief op zoek te gaan naar een definitieve oplossing voor de tussen hen ontstane onhoudbare situatie.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 april 2026- de producties 1 tot en met 6 van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]
- de akte overlegging producties 7 tot en met 12, tevens akte vermeerdering van eis
- de conclusie van antwoord met tegenvordering- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
- een aanvullende akte met productie 13 aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] .





2De feiten


2.1.

[eiseres sub 1] (1981) is de dochter van [gedaagde sub 1] (1946) en [gedaagde sub 2] (1954). [eiser sub 2] is haar partner. In oktober 2023 hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een woning gekocht aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor een koopsom van € 630.000,00, met als doel daar samen met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de vorm van een kangoeroeconstructie te gaan wonen. Daarvoor is een zelfstandige woonruimte op een deel van de benedenverdieping van de woning gerealiseerd voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , met een afzonderlijke toegang. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn de rest van de woning gaan bewonen, samen met de zoon van [eiseres sub 1] . Ook is ten behoeve van het bedrijf van [eiseres sub 1] een trimsalon aan huis gerealiseerd. De twee woningen zijn met elkaar verbonden door middel van een tussendeur op de benedenverdieping. Oogmerk van beide partijen was in de toekomst mantelzorg en ondersteuning door [eiseres sub 1] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mogelijk te maken. Voor de kangoeroeconstructie is vanuit de gemeente geen vergunning verleend.



2.2.
Voorafgaand aan hun verhuizing naar de woning hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun eigen huis verkocht en aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ten behoeve van de aankoop van de woning een schenking gedaan van (circa) € 111.000,00. Daarnaast hebben zij [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een bedrag van € 100.000,00 geleend. Dat bedrag hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in november 2023 volledig terugbetaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daarnaast een bedrag van ongeveer € 57.000,00 geïnvesteerd in de verbouwing van hun deel van de woning.



2.3.
Vanaf 28 oktober 2023 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onder de vermelding “bijdrage woning” maandelijks € 1.000,00 aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] betaald. Met ingang van 28 april 2024 is dit bedrag in onderling overleg verlaagd naar € 800,00. Vanaf 28 oktober 2024 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maandelijks € 400,00 overgemaakt en vanaf 28 mei 2025 € 350,00.



2.4.
Nadat partijen de woning zijn gaan bewonen is de verhouding tussen hen in toenemende mate verslechterd. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] beschuldigen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onder meer van controleren, gluren, het onrechtmatig betreden van hun woning, bedreigen, schreeuwen en schelden, agressie, afluisteren, smaad en laster en het vernielen van hun eigendommen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beschuldigen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] op hun beurt van min of meer van hetzelfde. Over en weer is aangifte gedaan: van de kant van [eiseres sub 1] van bedreiging met het naar binnen gooien van een brandende gasfles en van de kant van [gedaagde sub 2] van het doorknippen van een remkabel van haar auto.



2.5.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzocht om de woning per 10 oktober 2025 te verlaten. Daaraan hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen gehoor gegeven.



2.6.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben vanwege de ontstane situatie vervolgens zelf hun woning verlaten en zij verblijven sinds enkele maanden in een stacaravan. [eiseres sub 1] heeft psychische hulp gezocht en is gedurende langere tijd niet in staat geweest om te werken in haar trimsalon, waardoor deze gesloten is geweest.


2.7.
Verschillende pogingen tot bemiddeling door derden, waaronder ook de wederzijdse advocaten, hebben niet tot een oplossing geleid.





3Het geschil


de vordering van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]



3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen primair - samengevat - veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de achterstallige huur dan wel gebruiksvergoeding van in totaal € 8.200,00, berekend tot en met april 2026. Bij niet onmiddellijke en volledige betaling van deze achterstand en de lopende huur over juni 2026 binnen drie dagen na betekening van het vonnis vorderen zij de ontruiming door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van het door hen gehuurde deel van de woning. Daarnaast vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] betaling van een bedrag van € 800,00 per maand, zolang [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruik maken van het gehuurde. Ook vorderen zij de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen.



3.2.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen subsidiair, na vermeerdering van eis en indien ontruiming uitblijft vanwege tijdige en volledige betaling van de huurachterstand en lopende huur, de oplegging van de volgende gedragsaanwijzing aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke schending ervan tot een maximum van
€ 25.000,00:



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met onmiddellijke ingang te verbieden de oprit van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te gebruiken als keerpunt van de auto, fiets of wat dan ook;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het uitvoeren van controles rond en rondom het gedeelte van het huis van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] onmiddellijk te verbieden;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden over de schutting van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te kijken, of door de schutting te loeren om hun bewegingen in de gaten te houden om te willen weten wat er (mogelijk) gaande is;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden zichzelf toegang te verschaffen tot de woning van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en deze binnen te treden;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te gelasten om bij storing aan gas, water of licht dat alleen via Whatsapp door te geven en dat het contact hierover enkel plaats te laten vinden tussen (dochter) [eiseres sub 1] en (vader) [gedaagde sub 1] ;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden langs te fietsen of rijden met de auto voor het pand van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] of hun kinderen af te luisteren in de tussenruimte en de ruimte met wat opslag en waar de wasmachine en droger staan;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te gelasten onmiddellijk te stoppen met smaad en laster in de buurt en tegen klanten van de salon van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , vrienden en familie;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden op welke wijze ook contact te zoeken met [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en hun kinderen, [kleinzoon 1] en [kleinzoon 2] , wat tevens geldt voor vrienden, familie, bezoekers en klanten van de salon van [eiseres sub 1] , dit slechts met uitzondering van de vermelding van een storing zoals onder v. genoemd.



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te gelasten van de eigendommen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] volledig af te blijven, waaronder tevens dient te worden verstaan een verbod tot het dichtplakken met folie van de veranda van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden commentaar te leveren bij het plaatsen van een schutting door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , noch mogen zij daar aankomen en de plaatsing ervan verhinderen of saboteren;



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden nog langer pakketten voor [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] aan te nemen.





3.3.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan de vordering - samengevat - ten grondslag dat de verhouding tussen partijen kwalificeert als een huurovereenkomst en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan hun verplichtingen uit de huurovereenkomst voldoen door een achterstand in de betaling te laten ontstaan. Daarom vorderen zij betaling van de huurachterstand, op straffe van ontruiming. Ook gedragen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet als goed huurder door het laten ontstaan van een huurachterstand en doordat zij met hun bizarre gedrag het leven van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] verstikken en beheersen. Om die reden vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] subsidiair de onder 3.2 genoemde gedragsaanwijzing.



3.4.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Zij stellen zich - samengevat - op het standpunt dat geen sprake is van een reguliere huurovereenkomst tussen partijen, en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] slechts inwonend zijn bij [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Deze kort gedingprocedure leent zich ook niet voor het vaststellen van de juridische kwalificatie van de verhouding tussen partijen. Daarvoor is een bodemprocedure nodig. Zij wijzen erop dat een ontruiming ertoe zal leiden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op straat zullen komen te staan, omdat zij op dit moment geen alternatieven hebben, waarbij ook hun leeftijd en de ziekte van [gedaagde sub 1] van belang is. Bij de gevraagde gedragsaanwijzing bestaat geen belang. Ook is daarvoor geen juridische grondslag en deze is niet afdwingbaar of uitvoerbaar. Tot slot ontbreekt spoedeisend belang. Om die reden concluderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] .


de tegenvordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]




3.5.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen - samengevat - het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s die zijn gericht op het leefgedeelte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , binnen één week na betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 20.000,00.



3.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leggen aan deze vordering ten grondslag dat sprake is van een voortdurende onrechtmatige situatie doordat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] camera’s hebben geplaatst die de leefruimte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] permanent observeren. Er wordt hiermee een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en daarvoor is geen rechtvaardiging aanwezig.



3.7.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] voeren verweer en stellen dat cameratoezicht in deze situatie onontbeerlijk is. Van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is geen sprake, omdat het gaat om drie camera’s, die uitsluitend gericht staan op hun eigen veranda, brievenbus en oprit. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] concluderen daarom tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .



3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling


de vordering van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]



4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] daarbij een spoedeisend belang hebben. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.


er is sprake van een huurovereenkomst




4.2.
Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of tussen hen een overeenkomst tot stand is gekomen die moet worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Anders dan namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is betoogd is dat een vraag die zich leent voor beantwoording in kort geding. Over de relevante feiten bestaat geen verschil van mening en er is ook geen nader onderzoek nodig; enkel de juridische kwalificatie is aan de orde.



4.3.
Een huurovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan (in dit geval woonruimte) in gebruik te geven en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Daarbij speelt in dit geval de bijzondere situatie dat het niet enkel gaat om het in gebruik geven van woonruimte, maar er door partijen tevens een verzorgingselement is beoogd. Hoewel dat verzorgingselement door partijen aanvankelijk is beoogd, is daaraan in de praktijk echter geen uitvoering gegeven door de verslechterde verhouding tussen hen. Dat betekent dat het verzorgingselement in dit geval niet duidelijk overheerst en verder buiten beschouwing zal worden gelaten.



4.4.
In dit geval staat vast dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] woonruimte in gebruik hebben gegeven. Verder staat vast dat partijen voorafgaand aan de verhuizing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar de woning hebben afgesproken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een maandelijkse vergoeding zouden gaan betalen. De hoogte daarvan werd op dat moment echter nog niet bepaald. Na de verhuizing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de hoogte van de maandelijkse vergoeding vastgesteld op € 1.000,00 per maand. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dat geaccepteerd. [gedaagde sub 2] heeft dat ook per Whatsapp bevestigd: “Geregeld. Vanaf 28 oktober krijg je iedere maand € 1.000,00 op je rekening ovv bijdrage woning”. Dit bedrag is vervolgens ook daadwerkelijk op de afgesproken wijze betaald. Deze betalingen moeten worden aangemerkt als een tegenprestatie voor het beschikbaar stellen van woonruimte en niet (slechts) als een vergoeding voor (on)kosten. Niet alleen de vermelding “bijdrage woning” is daarvoor van belang, maar ook de hoogte van het afgesproken bedrag. Van slechts een symbolische bijdrage is geen sprake. Daarnaast komt ook betekenis toe aan de wijze waarop dit bedrag tot stand is gekomen. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben onweersproken toegelicht dat zij tot dit bedrag zijn gekomen om te kunnen voorzien in onder meer de verbruikskosten van gas, water en elektriciteit, de internetkosten, de kosten van het onderhoud van de woning en (in de toekomst) een mogelijke terugval in inkomsten van [eiseres sub 1] in verband met mantelzorg aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vergoeding in rechtstreeks verband staat met het beschikbaar stellen van de woning en dat betekent dat de overeenkomst tussen partijen voorshands wordt gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarnaast ook hebben bijgedragen aan de aankoop van de woning door een schenking en de verbouwing van hun deel van de woning hebben gefinancierd, maakt dat niet anders. Overigens hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] desgevraagd ook niet kunnen verduidelijken hoe de verhouding tussen partijen zou moeten worden gekwalificeerd, als geen sprake zou zijn van een huurovereenkomst. Dat zij slechts inwonend zijn, zoals door [gedaagde sub 2] ter zitting gesteld, is niet aannemelijk, nog daargelaten dat zij in die situatie geen aanspraak zouden kunnen maken op huurbescherming.



[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de huurachterstand betalen en de woning ontruimen als zij dat niet doen




4.5.
Dat er sprake is van een huurovereenkomst maakt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehouden waren iedere maand het afgesproken bedrag van € 1.000,00, dat later is verlaagd naar € 800,00, te betalen. Aan die verplichting hebben zij vanaf oktober 2024 niet meer, althans niet meer volledig voldaan. Zij hebben immers eenzijdig het bedrag verlaagd naar eerst € 400,00 en later € 350,00. Desgevraagd hebben zij ter zitting toegelicht dat aan deze verlaging de verslechterde verhouding tussen partijen ten grondslag lag. Dat vormt daarvoor echter geen rechtvaardiging en dus geen geldige reden om niet langer de volledige huur te betalen. Zij moeten dan ook alsnog de achterstallige huur betalen. De huurachterstand is tot en met mei 2026 berekend op een bedrag van € 8.650,00. Dat bedrag zal als onbetwist worden toegewezen. Bij de vordering tot betaling daarvan bestaat ook spoedeisend belang; het betreft immers geen reguliere geldvordering, maar een (oplopende) huurachterstand.



4.6.
Gelet op de hoogte van de huurachterstand zal de gevorderde ontruiming eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat ontruiming achterwege blijft indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] binnen drie dagen na betekening van het vonnis de achterstand van € 8.650,00 en de lopende huur van € 800,00 voor de maand juni 2026 volledig betalen. Dat is namelijk hoe [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de vordering hebben ingesteld, zoals ter zitting is bevestigd. Om die reden zal de ontruiming in voorwaardelijke vorm worden toegewezen. Daarbij zal een ruime(re) ontruimingstermijn van drie maanden worden bepaald om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , ook gezien hun leeftijd en gezondheidstoestand, de gelegenheid te geven alternatieve woonruimte te vinden. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben daar ook rekening mee gehouden, gezien hun mededeling in de pleitnota dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet op stel en sprong iets anders zullen hebben en niet onmiddellijk dakloos hoeven raken. De kantonrechter realiseert zich dat een ontruiming en gedwongen verhuizing voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ingrijpend zal zijn, maar tegelijkertijd is dat de enige oplossing om de ontstane situatie niet verder te laten escaleren. Evident is dat beide partijen ernstig te lijden hebben onder de ontstane situatie. Zij zijn het er ook over eens dat de situatie inmiddels onhoudbaar is en alleen is op te lossen door een verhuizing van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Zij zijn daartoe ook bereid, maar zijn er tot op heden niet in geslaagd om een passend alternatief te vinden.



4.7.
De vordering tot betaling van de lopende huurtermijnen zal eveneens worden toegewezen, met ingang van 1 juli 2026. Ook de gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van dit vonnis. Voor toewijzing vanaf de vervaldatum van de huurtermijnen is geen grond, omdat niet is uitgelegd wat er precies over het moment van betaling van de huur is afgesproken.


in het geval geen ontruiming plaatsvindt, gelden er een paar gedragsaanwijzingen




4.8.
In het geval de ontruiming door tijdige en volledige betaling van de huurachterstand en de huur over juni 2026 achterwege blijft, en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning (in ieder geval voorlopig) blijven bewonen, vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in totaal twaalf verschillende geboden en verboden in de vorm van een gedragsaanwijzing. Deze vordering is in de dagvaarding expliciet beperkt tot de situatie waarin ontruiming achterwege blijft. Deze ziet dus niet op de situatie tijdens de ontruimingstermijn van drie maanden. Daaraan is de kantonrechter dan ook gebonden. Aan de gevorderde gedragsaanwijzing leggen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich niet als goed huurder hebben gedragen. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang hebben bij een gedragsaanwijzing. Op de door hen verstrekte videobeelden is duidelijk te zien dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] zich bij herhaling toegang hebben verschaft tot de woning van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en daar hebben rondgekeken, zonder dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zelf aanwezig waren, vanuit de tuin de veranda/woning hebben ingekeken, de oprit hebben betreden, in de brievenbus hebben gekeken en dat er sprake is geweest van hoogoplopende ruzie’s waarbij [gedaagde sub 1] agressief gedrag toonde. Daarmee is er in beginsel voldoende basis om aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een gedragsaanwijzing op te leggen.



4.9.
Toch zal kantonrechter de gevorderde gedragsaanwijzing niet volledig toewijzen. In de eerste plaats moet een gedragsaanwijzing passen binnen de huurrechtelijke verhouding tussen partijen. Dat betekent onder meer dat geen ruimte is voor een volledig contactverbod, dat bovendien niet beperkt is tot partijen zelf, maar zich ook uitstrekt tot de kinderen, vrienden, familie en bezoekers van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , zoals gevorderd onder ix. Voor toewijzing van een gedragsaanwijzing op straffe van een dwangsom is verder alleen plaats indien deze voldoende nauwkeurig is omschreven en ook daadwerkelijk uitvoerbaar en te handhaven is. Een gedragsaanwijzing is alleen effectief als deze voldoende specifiek is. Een deel van de gevorderde gedragsaanwijzing is te vaag en voldoet niet aan dit criterium, zoals namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook is betoogd. In plaats van een oplossing bieden voor de ontstane situatie zal deze hoogstwaarschijnlijk leiden tot nieuwe (executie)geschillen tussen partijen. Met betrekking tot de gevorderde gedragsaanwijzing onder ii en vii is namens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ter zitting erkend dat deze (wat) vaag en moeilijk handhaafbaar is. Met betrekking tot de gevorderde gedragsaanwijzing onder viii is ter zitting erkend dat onderbouwing hiervoor ontbreekt (nog daargelaten of zo’n gedragsaanwijzing handhaafbaar zou zijn) en over de gevorderde gedragsaanwijzing onder vi is toegegeven dat deze niet toewijsbaar is, omdat het de openbare weg betreft.



4.10.
Met betrekking tot de (belangrijkste) wens van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] om een schutting te plaatsen wordt in het bijzonder overwogen dat de gevorderde gedragsaanwijzing onder iii en xi daar niet specifiek op ziet. In ieder geval is niet expliciet gevorderd om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot medewerking aan de plaatsing van een schutting dan wel de plaatsing daarvan te gehengen en gedogen. Voor zover dat is beoogd met de zinsnede “de plaatsing ervan verhinderen of saboteren” is voor toewijzing daarvan geen grond. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is bij aanvang van de bewoning afgesproken dat zij vrij toegang zouden hebben tot de gehele tuin en daar vrijelijk gebruik van mochten maken. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben ter zitting bevestigd dat dit inderdaad zo is afgesproken. Dat betekent dat het gemeenschappelijk gebruik van de tuin onderdeel vormt van de huurovereenkomst en het plaatsen van een schutting zou daarmee niet in overeenstemming zijn. De gedragsaanwijzing onder iii en xi is daarom niet toewijsbaar. Overigens is ter zitting wel gebleken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zouden kunnen instemmen met een schutting over de volledige lengte van de tuin, maar vanwege de daarmee gemoeide kosten is daarover geen overeenstemming bereikt en ook is dat niet gevorderd.



4.11.
Met inachtneming van het voorgaande is alleen de onder i, iv, v, x en xii gevorderde gedragsaanwijzing in beperkte dan wel aangepaste vorm toewijsbaar. De dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100,00 per overtreding, met een maximum van € 5.000,00.


de proceskosten worden gecompenseerd




4.12.
Gelet op de (familie)relatie tussen partijen ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.


de tegenvordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]



er is geen grond tot verwijdering van de camera’s




4.13.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen - kort gezegd - de verwijdering en het verwijderd houden van de camera’s die [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] aan of op hun woning hebben geplaatst. De vraag die beantwoord moet worden is of de geplaatste camera’s een onrechtmatige inbreuk maken op de privacy van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dat is niet het geval. Dat wordt hierna uitgelegd.



4.14.
Een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer levert in beginsel een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. Tevens moet worden bezien of het gebruik van de camera’s voldoet aan de eisen van proportionaliteit (is er sprake van een redelijke verhouding tussen het doel en het ingezette middel) en subsidiariteit (is dit het minst ingrijpende middel om het doel te bereiken).



4.15.
Ter zitting hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] toegelicht dat zij drie camera’s hebben geplaatst. Eén camera bevindt zich aan de achterzijde van de woning in het (afgescheiden) deel van de veranda dat in gebruik is bij [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Deze filmt alleen hun deel van de veranda en vanaf hun deel van de veranda ongeveer een halve meter van de achtertuin. Twee camera’s bevinden zich aan de voorzijde van de woning: één camera is bevestigd aan de buitenzijde van de trimsalon en één camera halverwege de oprit aan de buitenzijde van de woning. Deze camera’s filmen de oprit en de brievenbus en voor een beperkt deel de openbare weg. De camera’s zijn voorzien van een sensor en gaan pas opnemen als er beweging wordt gedetecteerd. Dan worden er beeld- en geluidsopnamen gemaakt die circa drie weken blijven bewaard. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben deze camera’s geplaatst met (uitsluitend) doel toezicht te houden op hun eigen terrein en eigendommen.



4.16.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben naar aanleiding van deze toelichting desgevraagd te kennen gegeven dat zij niet wisten dat de camera’s op deze manier werkten. Zij vreesden vooral dat met de camera aan de achterzijde van de woning ook hun veranda (en dus ook hen als zij daarvan gebruik maken) in beeld werd gebracht, maar nu zij weten dat de opnames beperkt zijn tot het deel van de veranda van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot een halve meter in de tuin, vinden zij dat aanvaardbaar. Ook tegen de camera’s aan de voorzijde van de woning hebben zij geen concrete bezwaren meer aangevoerd. Dat zij wellicht zichtbaar zijn als zij langs de woning rijden of fietsen is, zonder bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld, niet genoeg om te concluderen tot een onrechtmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Er is dan ook geen grond om [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te veroordelen tot verwijdering van de camera’s.


de proceskosten worden gecompenseerd




4.17.
Gelet op de (familie)relatie tussen partijen ziet de kantonrechter ook bij de tegenvordering aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.


slotoverweging




4.18.
De kantonrechter hecht eraan, gelet op de bijzondere aard van de zaak, nog het volgende op te merken. Duidelijk is dat sprake is van een zeer gespannen situatie die direct effect heeft op de gezondheid en het welzijn van beide partijen. Aan deze situatie moet zo snel mogelijk een einde komen. De wederzijdse advocaten hebben zich al de nodige inspanningen getroost om met partijen tot een passende onderlinge oplossing te komen, maar zijn daarin helaas niet geslaagd. Ook de kantonrechter heeft ter zitting, met hulp van de advocaten, tijd en energie gestoken in het gesprek met partijen om hen alsnog nader tot elkaar te brengen, maar dat is op geen enkele wijze mogelijk gebleken. Zelfs deeloplossingen, zoals bijvoorbeeld afspraken over een te plaatsen schutting, konden niet worden bereikt. Ook dit vonnis, dat in de kern niet meer is dan een juridische beoordeling van de voorgelegde zaak, zal naar verwachting geen oplossing bieden voor de inmiddels onhoudbare situatie tussen partijen. Daarom geeft de kantonrechter partijen nogmaals uitdrukkelijk in overweging om actief en constructief op zoek te gaan naar een definitieve oplossing, zo nodig met hulp van een onafhankelijke mediator.





5De beslissing

De kantonrechter


de vordering



5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te betalen:


€ 8.650,00 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,


€ 800,00 aan huur over de maand juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,




5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met ingang van 1 juli 2026 tot betaling van € 800,00 per maand, of gedeelte ervan, zolang zij gebruik (blijven) maken van het gehuurde;


voorwaardelijk indien
niet
aan de veroordeling onder 5.1 wordt voldaan:




5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen, waarbij zij het gehuurde in goede staat, leeg en ontruimd, met uitzondering van de eigendommen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dienen op te leveren, onder afgifte van alle sleutels aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ,


voorwaardelijk indien
wel
aan de veroordeling onder 5.1 wordt voldaan en de ontruiming onder 5.3
niet
plaatsvindt:




5.4.
legt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een gedragsaanwijzing op die inhoudt dat het [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verboden is:
a. de oprit van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te gebruiken,
b. zichzelf toegang te verschaffen tot de woning van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en deze binnen te treden, met uitzondering van het door hen gehuurde gedeelte,
c. op andere wijze dan via Whatsapp tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] te communiceren over storingen aan gas, water of licht, met uitzondering van noodgevallen,
d. de veranda van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] met folie dicht te plakken,
e. pakketten voor [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] aan te nemen,



5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere overtreding van de onder 5.4 opgenomen gedragsaanwijzing, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,



5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,


de tegenvordering




5.9.
wijst de vorderingen af,



5.10.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.



Artikel 7:201 BW.


Vgl. HR 19 februari 1993 (NJ 1993, 247) en ECLI:NL:GHARL:2019:7216.


Artikel 7:213 BW.
Link naar deze uitspraak