|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1939 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 24/1281 tot en met 24/129 24/1281 tot en met 24/129 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ-waarde van recreatiewoning en woning met gemengde bestemming 2021 en 2023. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de recreatiewoning niet aannemelijk maakt. De WOZ-waarde van de woning met gemengde bestemming heeft hij wel aannemelijk gemaakt. Verder heeft belanghebbende recht op hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bestemmingsplan | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1281 tot en met 24/1295
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) 23 juli 2024, nummers BRE 23/9233 tot en met 23/9236, 23/9239 tot en met 23/9241, 23/9407 tot en met 23/9411 en 23/9414 tot en met 23/9416, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen gegeven (hierna: de WOZbeschikkingen) en daarbij de waarde van negen (2021) en tien (2023) onroerende zaken aan de [adres] te [plaats 2] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 en 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar ten aanzien van enkele woningen gegrond verklaard. Na de uitspraken op bezwaar luiden de WOZ-beschikkingen, voor zover thans nog van belang, als volgt:
2021
Woning
WOZ waarde 2021
Uitspraak op bezwaar
[adres] [nummer 1]
€ 290.000
€ 287.000
[adres] [nummer 2]
€ 163.000
ongegrond
2023
Woning
WOZ-waarde 2023
Uitspraak op bezwaar
[adres] [nummer 1]
€ 373.000
€ 349.000
[adres] [nummer 2]
€ 248.000
ongegrond
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [taxateur 1] , taxateur.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woningen. De woningen liggen op het park [naam 1] te [plaats 2] (hierna: het park). Dit park telt ongeveer 400 woningen waarvan een klein deel alleen een recreatieve bestemming heeft. De overige woningen hebben een gemengde bestemming woon/recreatief. Deze woningen mogen permanent bewoond worden.
2.2.
[adres] [nummer 2] (hierna: [nummer 2] ) is een woning van 107 m2 met twee dakkapellen en een kaveloppervlakte van 350 m2 gelegen op het park. Deze woning heeft alleen een recreatiebestemming en geen woonbestemming.
2.3.
[adres] [nummer 1] (hierna: [nummer 1] ) is een woning van 114 m2 met drie dakkapellen en een kaveloppervlakte van 649 m2 eveneens gelegen op het park. Deze woning heeft zowel een woonbestemming als een recreatiebestemming.
2021
2.4.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van [nummer 2] per waardepeildatum 1 januari 2020 (hierna: waardepeildatum 2021) vastgesteld op € 163.000. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een door [taxateur 1] (hierna: de taxateur) op 18 december 2023 opgestelde waardematrix. Hieruit volgt een waarde op waardepeildatum 2021 van € 166.000. De taxateur heeft deze waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode waarbij gebruik is gemaakt van de volgende vergelijkingspanden:
Vergelijkingspand
Verkoopdatum
Verkoopprijs
[adres] [nummer 3]
14 november 2019
€ 214.950
[adres] [nummer 4]
14 februari 2020
€ 215.000
[adres] [nummer 5]
15 mei 2019
€ 205.000
Deze vergelijkingspanden liggen alle op het park.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van [nummer 1] per waardepeildatum 2021 vastgesteld op € 290.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 278.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting evenredig verminderd. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een door de taxateur op 18 december 2023 opgestelde waardematrix. Hieruit volgt een waarde op waardepeildatum 2021 van € 283.000. De taxateur heeft deze waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode waarbij gebruik is gemaakt van de volgende vergelijkingspanden:
Vergelijkingspand
Verkoopdatum
Verkoopprijs
[adres] [nummer 6]
5 april 2018
€ 252.500
[adres] [nummer 7]
28 september 2018
€ 283.500
[adres] [nummer 8]
5 februari 2019
€ 282.500
Deze vergelijkingspanden liggen alle op het park.
2023
2.6.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van [nummer 2] per waardepeildatum 1 januari 2022 (hierna: waardepeildatum 2023) vastgesteld op € 248.000. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een door de taxateur op 18 december 2023 opgestelde waardematrix. Hieruit volgt een waarde op waardepeildatum 2023 van € 248.000. De taxateur heeft deze waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode waarbij gebruik is gemaakt van de volgende vergelijkingspanden:
Vergelijkingspand
Verkoopdatum
Verkoopprijs
[adres] [nummer 9]
23 november 2021
€ 269.500
[adres] [nummer 10]
21 maart 2022
€ 320.000
[adres] [nummer 11]
13 december 2021
€ 334.000
Deze vergelijkingspanden liggen alle op het park.
2.7.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van [nummer 1] per waardepeildatum 2023 vastgesteld op € 373.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 349.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting evenredig verminderd. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een door de taxateur op 18 december 2023 opgestelde waardematrix. Hieruit volgt een waarde op waardepeildatum 2023 van € 350.000. De taxateur heeft deze waarde bepaald door middel van de vergelijkingsmethode waarbij gebruik is gemaakt van de volgende vergelijkingspanden:
Vergelijkingspand
Verkoopdatum
Verkoopprijs
[adres] [nummer 12]
19 oktober 2021
€ 337.500
[adres] [nummer 13]
8 februari 2021
€ 325.000
[adres] [nummer 14]
12 november 2020
€ 325.000
Deze vergelijkingspanden liggen alle op het park.
2.8.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil (hierna: de redelijke termijn) is overschreden met 16 maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, en in dit geval vastgesteld op in totaal € 150, die geheel voor rekening van de heffingsambtenaar komt.
2.9.
Op de namens belanghebbende gestelde vraag hoe de gemeente [gemeente] aankijkt tegen het mogelijk maken van permanente bewoning voor de groep resterende recreatiewoningen op het park, antwoordde de adviseur Ruimtelijke Ordening van de gemeente [gemeente] bij email van 25 juli 2024 het volgende:
“Ik heb dit bij een collega nagevraagd. Het korte antwoord is dat het uitgangspunt dat in het bestemmingsplan staat, nog steeds de lijn is die de gemeente op dit moment aanhoudt:Het is, onder andere vanwege strijdigheid met het woningbouwprogramma, niet mogelijk om voor de overige bebouwde en onbebouwde (59) kavels permanente bewoning mogelijk te maken. Er is dan ook geen mogelijkheid opgenomen om permanente bewoning toe te staan voor deze kavels. Voor deze kavels geldt dat uitsluitend recreatief verblijf mogelijk is.”
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voor [nummer 2] en [nummer 1] per waardepeildata 2021 en 2023 te hoog vastgesteld?
Heeft belanghebbende recht op een hogere immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten in de bezwaarfase?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een WOZ-waarde voor [nummer 2] van € 128.500 voor 2021 en € 138.000 voor 2023 en voor [nummer 1] een WOZ-waarde van 6% lager dan de vastgestelde waarde, en toekenning van een vergoeding van € 1.500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van de reiskosten in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de WOZ-waarden en tot een toekenning van een vergoeding van € 1.500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.
4.2.
Deze waarde voor woningen wordt bepaald door middel van vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.
WOZ-waarde 2021 en 2023 [nummer 2]
4.3.
De heffingsambtenaar verwijst naar de taxatiematrixen voor 2021 en 2023 waarin hij telkens aan de hand van drie verkochte referentiepanden op het park [nummer 2] heeft getaxeerd op € 166.000 (2021) en € 248.000 (2023). De heffingsambtenaar stelt dat deze referentiepanden geschikt zijn om te dienen als vergelijking ondanks dat het gaat om panden die ook een woonbestemming hebben. Er zijn namelijk te weinig transacties met panden die alleen een recreatiefunctie hebben. De heffingsambtenaar wijst er verder op dat hij de grondwaarde heeft aangepast en daarmee voldoende rekening heeft gehouden met de recreatiebestemming van [nummer 2] . Hij wijst op de verkoopwaarde van bouwperceel [nummer 15] en voert aan dat hij gelet op die waarde voldoende rekening heeft gehouden met de recreatieve bestemming. Belanghebbende bestrijdt de vergelijkbaarheid van de referentiepanden omdat deze alle ook een woonbestemming hebben. Belanghebbende wijst op de transactie met [nummer 16] die volgens hem beter vergelijkbaar is.
4.4.
Naar het oordeel van het hof maakt de heffingsambtenaar met wat hij aanvoert niet aannemelijk dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning een recreatieve bestemming heeft en dat de woning niet langer dan enkele maanden achter elkaar mag worden bewoond. De heffingsambtenaar heeft met deze omstandigheid rekening gehouden door de grondwaarde aan te passen en daarop een korting van 50% toe te passen, dit komt neer op een afwaardering van € 35.000. Partijen zijn het er over eens dat daarmee de grondwaarde van de woning juist is gewaardeerd. Het hof acht echter aannemelijk dat de beperkte bestemming een waardedrukkende factor is die verder doorwerkt dan alleen de grondwaarde. Op het park staan namelijk slechts een beperkt aantal recreatiewoningen die, gelet op de e-mail van 25 juli 2024 (zie 2.9) niet permanent mogen worden bewoond en waarvan die omstandigheid niet, althans niet op eenvoudige wijze kan worden gewijzigd. Het hof acht aannemelijk dat de markt voor deze woningen een andere is dan die voor de overige woningen die een gemengde bestemming hebben. Dat leidt het hof onder meer af uit de ruimere toepassingsmogelijkheden van woningen met een gemengde bestemming en de omstandigheid dat er weinig transacties zijn met recreatiewoningen. Tussen partijen is niet in geschil dat zich in de periode 2020-2022 maar één transactie met een recreatiewoning heeft voorgedaan, namelijk de verkoop van [nummer 16] . Gelet op de diverse door de heffingsambtenaar voor 2021 en 2023 aangevoerde referentiepanden voor beide woningen merkt het hof op dat zich aanzienlijk meer transacties met objecten met een gemengde bestemming hebben voorgedaan. Het hof realiseert zich dat het lastig is om ieder jaar een WOZ-waarde vast te stellen als, zoals hier, zich maar zo weinig transacties voordoen. Toch heeft zich wel een transactie voor gedaan namelijk de recreatiewoning [nummer 16] . Dit object is op 23 maart 2020 verkocht voor € 123.000. De heffingsambtenaar heeft deze woning in het geheel niet in de vergelijking meegenomen omdat deze woning in slechte staat zou zijn geweest. Aangezien naar het oordeel van het hof met een dergelijke omstandigheid rekening kan worden gehouden in de systematische vergelijking met de woning, is die reden niet toereikend. Het hof is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar door niet de enige transactie met een recreatiewoning in de waardering mee te nemen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde voor 2021 en 2023 niet te hoog is vastgesteld.
4.5.
Dit betekent dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van [nummer 2] voor 2021 en 2023 niet te hoog is.
4.6.
Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende verdedigt een waarde van € 128.500 voor 2021 en € 138.000 voor 2023. Belanghebbende heeft deze waarde afgeleid van het verkoopcijfer van [nummer 16] en wijst op de uitspraak van de rechtbank over 2020 waarin de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie op € 120.000 heeft vastgesteld. Daarmee maakt ook belanghebbende de door hem verdedigde waarde niet aannemelijk. Immers aan de waardering van belanghebbende ligt geen taxatierapport of een systematische vergelijking met vergelijkingspanden ten grondslag. Evenmin is duidelijk hoe belanghebbende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen [nummer 16] en de woning, zoals de staat van het onderhoud en het verschil in omvang.
4.7.
Dit betekent dat ook belanghebbende de door hem verdedigde waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hof zal daarom de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vaststellen op € 150.000 voor 2021 en op € 210.000 voor 2023. Dat betekent dat het hoger beroep gegrond is.
WOZ-waarde 2021en 2023 [nummer 1]
4.8.
De heffingsambtenaar verwijst naar de taxatiematrixen voor 2021 en 2023 waarin hij telkens aan de hand van drie verkochte referentiepanden op het park [nummer 1] heeft getaxeerd op € 290.000 (2021) en € 373.000 (2023). De heffingsambtenaar stelt dat deze referentiepanden geschikt zijn om te dienen als vergelijking. Voor 2021 wijst hij erop dat met de verminderde staat van het rieten dak rekening is gehouden omdat de taxateur een benedengemiddelde kwalificatie (2) heeft gegeven aan kwaliteit. Er is volgens de heffingsambtenaar geen reden om ook de norm voor uitstraling aan te passen. Met de staat van de keuken is rekening gehouden door de voorzieningen ook op 2 te waarderen, volgens de heffingsambtenaar. Voor 2023 wijst de heffingsambtenaar op andere referentiepanden maar heeft hij net als voor 2021 een aftrekpost van 8% toegepast om met de verminderde staat van het rieten dak en de voorzieningen rekening te houden. Volgens de heffingsambtenaar ondersteunt de verkoop van [nummer 6] , deze correctie. [nummer 6] is een referentiepand dat hij voor 2021 heeft gebruikt en dat volgens de heffingsambtenaar ook een rieten dak in slechte staat heeft.
4.9.
Naar het oordeel van het hof is de heffingsambtenaar erin geslaagd aannemelijk te maken dat hij de waarde van [nummer 1] per de waardepeildata 2021 en 2023 niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarden per beide waardepeildata de matrixen 2021 en 2023 overgelegd met voor beide jaren drie vergelijkingspanden. Zoals volgt uit die matrixen is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Het hof acht de vergelijkingsobjecten voor beide in geschil zijnde jaren voldoende vergelijkbaar met [nummer 1] om als vergelijkingsobject te worden gebruikt voor de waardebepalingen van de woning. Alle vergelijkingsobjecten zijn vrijstaande woningen gelegen op het park. Voor 2021 geldt dat de drie vergelijkingspanden evenals [nummer 1] een rieten dak hebben. Verder heeft de heffingsambtenaar, zo volgt uit de matrices, voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen in bijvoorbeeld ligging, kwaliteit en onderhoud en met behulp van een toelichting bij de matrices inzichtelijk gemaakt hoe er met die verschillen rekening is gehouden. De waardebepalingen van de heffingsambtenaar berusten voor beide in geschil zijnde jaren in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten.
4.10.
Belanghebbende heeft hier tegenin gebracht dat de slechte staat van het dak niet alleen tot uiting moet komen in kwaliteit en voorzieningen maar ook in onderhoud en uitstraling. Dat volgt volgens belanghebbende uit de richtlijnen van de Belastingsamenwerking West-Brabant zelf. Het dak van [nummer 6] is volgens belanghebbende in betere staat dan dat van [nummer 1] . Verder wijst belanghebbende op de hoge kosten van € 10.000 voor de reparatie van het dak. Hoewel aan belanghebbende moet worden toegegeven dat de staat van het dak ook onder ‘onderhoud’ kan worden geschaard, slaagt belanghebbendes klacht niet. Aangezien de door de heffingsambtenaar gehanteerde correcties in verband met de staat van het dak en de overige staat van de woning tot correcties leiden van € 32.000 voor 2021 en € 44.000 voor 2023, heeft hij naar het oordeel van het hof voldoende rekening gehouden met deze omstandigheden. Een verdere correctie is dan niet aan de orde.
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.11.
Belanghebbende heeft de rechtbank op 18 augustus 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 juli 2024 overwogen dat de redelijke termijn die geldt voor de bezwaar– en beroepsfase is overschreden met afgerond 16 maanden. Deze overschrijding is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden.
4.12.
Het hof stelt vast dat het overgangsrecht zoals de Hoge Raad dat heeft geformuleerd in zijn arrest van 14 juni 2024 van toepassing is. Het hof moet daarom als uitgangspunt nemen dat belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade nu het financiële belang bij de gevoerde procedure ten minste € 15 bedraagt en dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van een wettelijke uitzondering is geen sprake.
4.13.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de vergoeding op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar bepalend geacht dat het financiële belang bij een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ dan wel bij aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar in de regel minder is dan € 500, en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per halfjaar overschrijding rechtvaardigt. Het hof heeft op dit punt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 en het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht ten aanzien van de bagatelgrens, heeft de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte bepaald op € 50 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.14.
De redelijke termijn die geldt voor de bezwaar– en beroepsfase is overschreden met afgerond 16 maanden (zie 4.11). Deze overschrijding is reden voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500, geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase die afgerond 28 maanden heeft geduurd en dus 22 maanden te lang. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de vergoeding nog niet is betaald, zodat de heffingsambtenaar een bedrag van € 1.500 aan belanghebbende dient te vergoeden.
Vergoeding kosten bezwaarfase
4.15.
Op grond van artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.16.
Belanghebbende stelt dat hij heeft verzocht om vergoeding van reiskosten van € 35 die hij in de bezwaarfase tegen de WOZ-beschikkingen 2021 heeft gemaakt om met de toenmalige taxateur [taxateur 2] de locatie te bezoeken. Het gaat om de reis vanuit [plaats 1] waar belanghebbende woont naar het park [naam 1] .
4.17.
Belanghebbende heeft echter niet in zijn bezwaarschrift of de motivering daarvan verzocht om de vergoeding van zijn reiskosten tijdens de bezwaarfase. Dat betekent dat hij geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten.
Tussenconclusie
4.18.
De slotsom is dat gelet op 4.7 en 4.14 het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.19.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.20.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.21.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende en zijn gemachtigde voor het bijwonen van de zitting van € 43,60.
4.22.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover die ziet op nummers 23/9241 en 23/9416 en de vergoeding van de immateriële schade;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar maar alleen voor de WOZ-beschikkingen 2021 en 2023 van [nummer 2] ;
wijzigt de WOZ-beschikkingen 2021 en 2023 en stelt de waarde van de woning [nummer 2] op € 150.000 (2021) en € 210.000 (2023);
vermindert de aanslagen onroerendezaakbelastingen evenredig;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.500;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 43,60.
De uitspraak is gedaan door, J.M. van der Vegt, voorzitter, B.J. Rubbens en J.W. de Tombe, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|