|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:5534 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.350.505/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Geschil over voortzetting bewoning woonwagen. Geen onvoorziene omstandigheden die afwijking van de eerdere overeenkomst van partijen rechtvaardigt. Wel verrekening van kosten. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | huurovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.505/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 305912)
arrest van 25 augustus 2026
in de zaak van
[appellante]
(de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.J.A. van Es te Steenwijk,
en
[geïntimeerde]
(de man),
die woont op een onbekend adres,
advocaat: mr. M.B. Beerentsen te Zwolle.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 11 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vrouw van 26 juni 2026 met bijlage(n);
1.3.
Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. Het verslag van deze mondelinge behandeling (proces-verbaal) is aan het dossier toegevoegd.
2De kern van de zaak
2.1.
De man en de vrouw zijn getrouwd geweest. Het huwelijk is op 3 juli 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De man en de vrouw hebben samen twee kinderen: [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 en Wietze [de minderjarige2] , geboren [in] 2014.
2.3.
Tijdens het huwelijk woonden partijen in een woonwagen. Deze woonwagen is eigendom van de man; de standplaats aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de standplaats) wordt gehuurd van de gemeente [gemeentenaam] .
2.4.
In het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking, is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Artikel 4 Ten aanzien van de woning:
4.1.
Partijen wonen in een huurwoning te [woonplaats] aan de [adres] met [postcode] .
4.2.
Partijen spreken af dat de man in de woning blijft wonen en de huurovereenkomst op zijn naam krijgt.
4.3.
Alle verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst met betrekking tot voornoemde woning komen voor rekening van beide partijen gezamenlijk, totdat de vrouw een andere woning betrekt.
4.4.
Vanaf het moment dat de vrouw een andere woning betrekt, komen alle woonlasten en verplichtingen van bovengenoemde huurwoning voor rekening van de man. De man draagt zorg voor een schriftelijke melding aan de verhuurder en vrijwaart de vrouw voor elke huurdersaansprakelijkheid jegens de verhuurder vanaf deze datum.”
2.5.
In het door partijen ondertekende ouderschapsplan, dat eveneens deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking, is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Artikel 6 Kinderalimentatie en studiebijdrage
(…)
6.2.
De ouders zullen samen op basis van 50/50 de grote uitgaven zoals bv school, kleding en computers etc. gaan doen.
6.3.
Ten aanzien van bijzondere kosten, zoals niet vergoede ziektekosten, schoolkampen, fiets en computer komen partijen overeen, dat zij deze kosten na overleg zullen vergoeden in de verhouding 50% voor de vader en 50% voor de moeder. (…)”
2.6.
De vrouw is na de echtscheiding in de woonwagen blijven wonen en woont daar nog steeds. De man woont elders.
2.7.
De man heeft bij de rechtbank gevorderd (1) dat voor recht wordt verklaard dat de vrouw na 1 februari 2024 onrechtmatig jegens de man handelt door niet metterwoon uit de woonwagen te vertrekken en (2) de vrouw te gebieden de woning na 1 februari 2024 op eerste verzoek daartoe te verlaten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-, met een maximum van € 10.000,- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat de vrouw na betekening van het vonnis van de rechtbank nalaat aan het gebod te voldoen.
2.8.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. In (voorwaardelijke) conventie heeft zij gevorderd de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in conventie. De vrouw heeft daarnaast in voorwaardelijke reconventie gevorderd ten aanzien van de woonwagen:
- primair: het huurrecht van de standplaats toe te delen aan de vrouw, althans te verklaren voor recht dat de vrouw huurster is van de standplaats, en de man te veroordelen tot het afbreken en verwijderen van de woonwagen met aanhorigheden op de standplaats, eerst aan te vangen een maand na het vonnis van de rechtbank, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,- voor iedere dag dat de man weigert aan het vonnis van de rechtbank te voldoen;
- subsidiair: te verklaren voor recht dat de vrouw met de kinderen het gebruik en de bewoning van de woonwagen en de daartoe behorende zaken staande en gelegen op de standplaats is toegestaan tot zij andere reguliere woonruimte heeft gevonden en kan betrekken;
- meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de vrouw met de kinderen het gebruik en de bewoning van de woonwagen en de daartoe behorende zaken staande en gelegen op de standplaats is toegestaan tot 1 januari 2025, althans tot een zodanige datum als redelijk en billijk is te achten.
Daarnaast heeft de vrouw in voorwaardelijke reconventie gevorderd:
- ( voorwaardelijk, voor zover de vorderingen van de man in conventie worden toegewezen) de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw voor de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst voor de woonwagen van € 6.972,27, althans een bedrag als redelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank;
- ( voorwaardelijk, voor zover de vorderingen van de man in conventie worden toegewezen) de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw voor de kosten van onderhoud en herstel van de woonwagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank;
- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw voor de kosten van de kinderen van partijen op grond van artikel 6.2 en 6.3 van het ouderschapsplan van 3 en 9 mei 2020 van € 1.980,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank;
- de man te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.
2.9.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd de vorderingen van de vrouw in reconventie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in conventie en reconventie, nakosten daaronder begrepen.
2.10.
De rechtbank heeft de vorderingen van de man in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – voor recht verklaard dat het de vrouw met de kinderen is toegestaan de woonwagen en de daartoe behorende zaken staande en gelegen op de standplaats te gebruiken en te bewonen tot zij andere reguliere woonruimte heeft gevonden en kan betrekken. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Ten slotte is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.11.
Het doel van het hoger beroep van de vrouw is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De vrouw heeft daarnaast haar vorderingen aangepast. De vrouw vordert in hoger beroep:
- primair: artikel 4.2 van het echtscheidingsconvenant tussen partijen te wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden en het huurrecht van de standplaats aan de vrouw toe te delen en te bepalen dat zij de huurovereenkomst op haar naam krijgt, althans te verklaren voor recht dat de vrouw huurster is van de standplaats;
- bij afwijzing van het primair gevorderde: de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw voor de helft van de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst voor de standplaats van € 12.862,80 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de helft van de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst tot de datum dat de vrouw de woonwagen dient te verlaten, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank tot aan de dag der algehele voldoening;
- bij afwijzing van het primair gevorderde: de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw voor de kosten van onderhoud en herstel van de woonwagen van € 546,48, althans een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank tot aan de dag der algehele voldoening.
De vrouw vordert daarnaast:
- de man te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het arrest van het hof, en - indien de betaling binnen de gestelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van het vonnis van de rechtbank, althans het arrest van het hof, tot aan de dag der algehele voldoening;
- de man te veroordelen in de nakosten van € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval de man niet binnen veertien dagen na aanschrijven aan het arrest van het hof heeft voldaan en betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening.
2.12.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De man vordert in het principaal hoger beroep het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen. In het incidenteel hoger beroep vordert de man dat het hof voor recht verklaart dat de vrouw uiterlijk op 1 juli 2026 de woonwagen moet hebben verlaten.
2.13.
De vrouw voert hiertegen verweer en vordert het incidenteel hoger beroep van de man ongegrond te verklaren. Daarnaast vordert de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Wie mag in de woonwagen wonen
3.1.
Het gaat in deze procedure allereerst om de vraag of de rechtbank door de aanhechting van het echtscheidingsconvenant heeft beslist over het huurrecht als bedoeld in artikel 7:266, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door de rechtbank is geoordeeld dat dit het geval is. Volgens de vrouw is dit niet juist en is destijds enkel een tussen partijen gesloten overeenkomst aan de echtscheidingsbeschikking gehecht. Er zou daarnaast inmiddels sprake zijn van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW op grond waarvan artikel 4.2 van het echtscheidingsconvenant gewijzigd moet worden in die zin dat de vrouw in de woonwagen mag blijven wonen. De man stelt dat de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking wel een beslissing heeft genomen over de vraag aan wie het huurrecht van de standplaats toekomt, zodat daarvan in deze procedure geen wijziging kan worden gevraagd.
3.2.
Het hof overweegt dat het echtscheidingsconvenant een door partijen gesloten overeenkomst is. De aanhechting aan de echtscheidingsbeschikking betekent daarmee niet dat de rechter zelf een beslissing heeft genomen over de vraag aan wie het huurrecht toekomt. Daarmee is destijds niet over het huurrecht beslist als bedoeld in artikel 7:266, vijfde lid, BW. Het hof ziet echter in wat de vrouw heeft gesteld geen aanleiding om artikel 4.2 van het echtscheidingsconvenant te wijzigen wegens onvoorziene omstandigheden. De vrouw stelt dat de man de financiële afspraken uit het echtscheidingsconvenant niet nakomt. Onder die omstandigheden kan de man volgens de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwachten dat het echtscheidingsconvenant ongewijzigd in stand blijft. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de door haar genoemde omstandigheden geen aanleiding geven om het echtscheidingsconvenant op het punt van het huurrecht te wijzigen. Van financiële afspraken die in het echtscheidingsconvenant zijn gemaakt kan, desnoods in rechte, nakoming worden gevorderd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat zich een onvoorziene omstandigheid voordoet die op grond van artikel 6:258 BW wijziging of ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Dat bekent dat artikel 4.2 van het echtscheidingsconvenant in stand blijft.
3.3.
De vrouw vordert subsidiair de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan de vrouw van de helft van de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst en de kosten van onderhoud en herstel van de woonwagen. De vrouw heeft hiertoe een kostenstaat overgelegd waaruit volgt dat zij de volgende kosten vordert: Woonconcept (€ 9.539,22), Greenchoice (€ 12.559,80), Vitens (€ 1.127,66), de gemeente [gemeentenaam] (€ 1.355,69) en Gblt (€ 1.143,24). De kosten voor onderhoud en herstel van de woonwagen bedragen € 546,68.
3.4.
Het hof constateert dat de huurovereenkomst van de standplaats door geen van partijen is overgelegd. Ook is door de vrouw in de stukken geen nadere toelichting gegeven op de aard van de kosten. Alleen van de kosten van Woonconcept kan daardoor door het hof worden vastgesteld dat deze voortvloeien uit de huurovereenkomst. Deze kosten komen op grond van artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant voor vergoeding in aanmerking. Dat de vrouw geen gebruiksvergoeding aan de man betaalt, doet hieraan niets af. Dat maakt dat het hof de man zal veroordelen om de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen, zijnde € 4.769,61. Het verschuldigde bedrag zal kunnen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag waarop het bedrag is voldaan. Voor zover de vordering van de vrouw ziet op de periode vanaf januari 2024 tot aan het moment dat de vrouw de woonwagen verlaat, overweegt het hof dat nu nog volstrekt onduidelijk is wanneer de vrouw de woonwagen verlaat zodat de hoogte van de vordering nog niet bekend is. Het hof zal daarom deze vordering afwijzen. Voor zover de vordering van de vrouw ziet op de periode vanaf april 2025 zal het hof de vordering afwijzen, omdat deze door de vrouw niet is onderbouwd.
3.5.
Ten aanzien van de kosten voor onderhoud en herstel van de woonwagen constateert het hof dat dit eigenaarslasten betreffen. Nu deze kosten door de man als zodanig niet zijn betwist, zal het hof deze vordering toewijzen. Ook dit bedrag zal kunnen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag waarop het bedrag is voldaan.
3.6.
In het incidenteel hoger beroep vordert de man dat het hof voor recht zal verklaren dat de vrouw uiterlijk op 1 juli 2026 de woonwagen zal verlaten. Deze datum is gedurende de procedure niet aangepast. Nu deze datum in het verleden ligt, is deze vordering niet (meer) voor toewijzing vatbaar. Het hof zal deze vordering dan ook afwijzen.
Kosten ten behoeve van de kinderen
3.7.
De rechtbank heeft de vordering van de vrouw die ziet op de kosten die zij heeft gemaakt voor de kinderen afgewezen omdat er geen overleg is geweest over de aankopen, terwijl dit op grond van het ouderschapsplan wel had gemoeten.
3.8.
Het hof constateert dat aan de grief die de vrouw tegen deze beslissing van de rechtbank heeft gericht, in hoger beroep geen vordering is gekoppeld, zodat het hof op dit punt niets hoeft te beslissen.
Proceskosten
3.9.
De vrouw heeft gevorderd de man alsnog te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg. Het hof zal deze vordering afwijzen, enerzijds omdat de vrouw haar vordering niet heeft onderbouwd en anderzijds omdat een compensatie van proceskosten past bij de aard van deze zaak (familieverhoudingen).
3.10.
Het hof bepaalt dat vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen) ook in hoger beroep iedere partij zijn eigen proceskosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
3.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 september 2024 voor zover het betreft de kosten die voortvloeien uit de betaling van huur en onderhoud;
4.2.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van (€ 4.769,61 + € 546,68) € 5.316,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag waarop het bedrag is voldaan;
4.3.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 september 2024 voor het overige;
4.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. J.G. Knot en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 25 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|