|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2448 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 24/3161 en 24/3162 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ 2022 kelder en een woning. Rechtbank heeft ten onrechte over meer objecten geoordeeld. Belanghebbende ging ter zitting rechtbank reeds akkoord met WOZ-waarden. Wrakingsverzoek voorafgaand aan zitting. Heropeningsverzoek na sluiting onderzoek. | | Trefwoorden | : | ozb | | | perceel | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3161 en 24/3162
3 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels
tegen de uitspraak van 28 maart 2024 in de zaken met kenmerken AMS 23/1674 en AMS 23/2197 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2022 de WOZ-waarde van de onroerende zaken [a-straat] 107 (kelder) en [b-straat] 87-B1 te Amsterdam (hierna: de objecten) voor het jaar 2022 vastgesteld op € 241.000 respectievelijk € 562.000. In hetzelfde geschrift zijn aanslagen onroerendezaakbelasting voor de objecten bekendgemaakt.
1.2.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
1.3.
Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in beide zaken ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.”
1.4.
Belanghebbende heeft het hoger beroep ingesteld door het indienen van een beroepschrift. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 22 oktober 2025, 24 november 2025, 1 december 2025, 3 december 2025 en 12 december 2025 nadere stukken ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft op 16 december 2025 de wraking verzocht van de raadsheren van de zetel na afwijzing van het verzoek van zijn gemachtigde om het onderzoek ter zitting via een elektronische verbinding bij te wonen. De raadsheren hebben niet in het wrakingsverzoek berust en hebben op 17 december 2025 een schriftelijke reactie bij de wrakingskamer ingediend. Belanghebbende heeft het wrakingsverzoek daags voor de geplande zitting van de wrakingskamer op 7 januari 2026 ingetrokken “om mij moverende redenen”.
1.7.
Belanghebbende heeft op 16 januari 2026, 12 februari 2026 en 13 februari 2026 opnieuw nadere stukken ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.
1.9.
Op 26 februari 2026 is een verzoek van belanghebbende ontvangen om het onderzoek te heropenen, omdat een bepaald stuk van hem niet expliciet aan de orde is gekomen tijdens het onderzoek ter zitting.
2Feiten
2.1.
Namens belanghebbende heeft zijn gemachtigde op 15 maart 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank. In het beroepschrift wordt niet verwezen naar een kenmerk of een datum van de uitspraak op bezwaar waartegen het beroep is gericht. Wel is als bijlage bij het beroepschrift een uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023 gevoegd, over een aanslagbiljet met nummer 63902084.
2.2.
Op het aanslagbiljet met nummer 63902084 zijn de WOZ-waarden voor het jaar 2022 en de aanslagen onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt voor de objecten ( [a-straat] 107 (kelder) en [b-straat] 87 B1), alsmede aanslagen rioolheffing. Naar aanleiding van de ontvangst van dat aanslagbiljet heeft (de gemachtigde van) belanghebbende bij brief van 5 april 2022 bezwaar gemaakt tegen “WOZ/OZB 2022 én uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen”.
2.3.
Voor andere objecten met het adres [a-straat] 107 zijn de WOZ-waarden voor het jaar 2022 en de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2022 bekendgemaakt op aanslagbiljetten met dagtekening 30 april 2023 (nummer 69547313) en met dagtekening 31 juli 2023 (nummer 70093254). Betreffende de beschikkingen op die aanslagbiljetten is geen beroep bekend.
2.4.
Ter zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard akkoord te gaan met de door de heffingsambtenaar vastgestelde (WOZ-)waarden voor de objecten van € 241.000 ( [a-straat] 107 (kelder)) en € 562.000 ( [b-straat] 87 B1).
2.5.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak mede geoordeeld over de WOZ-waarden die zijn bekendgemaakt op de in 2.3 vermelde aanslagbiljetten voor andere objecten met het adres [a-straat] 107.
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep heeft belanghebbende in het bijzonder een verlaging van de WOZ-waarden voor andere objecten aan het adres [a-straat] 107 te Amsterdam bepleit. Daarnaast heeft hij een overschrijding van de opbrengstlimiet van – kennelijk – de rioolheffing bepleit. De heffingsambtenaar heeft tot ongegrondverklaring van het hoger beroep geconcludeerd.
4. Beoordeling van het geschil
Verzoek heropening onderzoek
4.1.
Het Hof ziet geen reden het onderzoek te heropenen. Belanghebbende heeft ter zitting in twee termijnen alle kansen gekregen om naar voren te brengen wat hij wilde. Het Hof heeft verder kennisgenomen van alle stukken die per post dan wel via Mijn Rechtspraak van partijen zijn ontvangen. Het onderzoek is volledig geweest.
Ten aanzien van de WOZ-waarden
4.2.
De klachten met betrekking tot de WOZ-waarden falen. Het bij de rechtbank ingestelde beroep betreft slechts de objecten ( [b-straat] 87 B1 en [a-straat] 107 (kelder); zie 2.1 en 2.2). Daarvoor is belanghebbende ter zitting bij de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud akkoord gegaan met de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden. Die waarden kunnen daarom in hoger beroep niet opnieuw ter discussie worden gesteld.
4.3.
Voor het overige stelt het Hof vast dat de rechtbank ook heeft geoordeeld over de waarde van diverse objecten met het adres [a-straat] 107 (zie 2.5). Dat had de rechtbank niet mogen doen, maar tot vernietiging van de bestreden uitspraak geeft het geen aanleiding, nu die oordelen niet van invloed zijn geweest op de beslissing van de rechtbank. Evenmin brengt de omstandigheid dat de rechtbank heeft geoordeeld over WOZ-waarden van objecten waarop het beroep geen betrekking had mee dat thans in hoger beroep alsnog met vrucht kan worden geklaagd over die WOZ-waarden. Op de klachten van belanghebbende over de WOZ-waarden van de diverse objecten op het adres [a-straat] 107 hoeft daarom niet te worden ingegaan.
Ten aanzien van de rioolheffing
4.4.
In deze procedure is evenmin plaats voor de beoordeling van een klacht over aanslagen rioolheffing voor de objecten die in hetzelfde geschrift als de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB zijn bekendgemaakt. De rechtbank heeft immers geen uitspraak gedaan op een beroep daarover. En overigens gaan de uitspraak op bezwaar en het bezwaarschrift evenmin over aanslagen rioolheffing. Een bezwaarschrift waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen WOZ-waarden en aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden van de betrokken onroerende zaken zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2022” de zinsnede “én uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook” (zie 2.2) op te nemen. De aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarden (noch aan de aanslagen OZB); de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2022 van de gemeente Amsterdam gesteld op een vast bedrag per perceel.
Ten aanzien van andere klachten
4.5.
Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding het hoger beroep gegrond te verklaren.
Slotsom
4.6.
Het hoger beroep is ongegrond.
5Vergoeding van immateriële schade
Het Hof wijst af het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, omdat die redelijke termijn (twee jaar) niet is overschreden.
6Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, H.E. Kostense en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|