|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2452 | | | | | Datum uitspraak | : | 01-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.357.218/01 en 200.357 200.357.218/01 en 200.357 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | hoofdverblijfplaats en zorgregeling.
Artikel: 1:253a BW. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | burgerlijk wetboek | | | huurovereenkomst | | | kinderbijslag | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.357.218/01 en 200.357.218/02
zaaknummer rechtbank: C/15/342706 / FA RK 23-3737
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoekster in principaal hoger beroep en in het incident,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.J. Robbers te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,
verweerder in principaal hoger beroep en in het incident,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C.M.J. Zillikens te Hoorn .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna de zorgregeling).
1.2
De rechtbank heeft op 23 mei 2025 het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen toegewezen en heeft aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool] in [plaats B] . Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] eens per veertien dagen bij de moeder verblijft vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond. Verder heeft de rechtbank een vakantieregeling vastgesteld. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt bepaald, dat een co-ouderschapsregeling en een andere vakantieregeling wordt vastgesteld. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank, maar vindt dat het hof een andere verdeling van de vakantiedagen moet vaststellen.
2. De procedure in hoger beroep
2.1
De moeder is op 22 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat tevens een voorwaardelijk verzoek tot schorsing van de werking van een deel van die beschikking (zaaknummer 200.357.218/02).
2.2
De vader heeft op 22 augustus 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft [in] 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 15 oktober 2025 met bijlage (het proces-verbaal van de zitting van 7 april 2025);
- een bericht van de zijde van de vader van 9 november 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 november 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 13 november 2025 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 21 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Planting.
Tijdens deze zitting hebben partijen ingestemd met een mediationtraject en het hof heeft de zaak daarom pro forma aangehouden voor drie maanden (tot 22 februari 2026).
2.6
Bij bericht van 28 februari 2026 heeft de advocaat van de moeder laten weten dat partijen op dat moment nog in mediation waren en zij heeft verzocht om de zaak nog maximaal vier weken aan te houden.
2.7
Bij bericht van 13 april 2026 heeft de advocaat van de vader laten weten dat partijen er niet in zijn geslaagd om een allesomvattende regeling te treffen binnen het mediationtraject. Daarnaast heeft zij te kennen gegeven dat partijen graag een nieuwe mondelinge behandeling willen waarbij hen wordt toegestaan om tijdig voor de zitting nadere opgave te doen van (nieuwe en gewijzigde) feiten en omstandigheden.
2.8
Bij bericht van 13 april 2026 heeft de advocaat van de moeder laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en dat het daarom in de rede ligt om de zaak opnieuw op zitting te plannen. Daarnaast heeft zij te kennen gegeven dat partijen hebben besproken dat zij zich voorafgaand aan de zitting zullen uitlaten over de voortgang, nu de moeder in de buurt van [plaats B] huisvesting heeft per 9 juni 2026.
2.9
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 juni 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 1 juli 2026 met bijlagen;
2.10
De zitting is voortgezet op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Planting.
De advocaat van de vader heeft ter zitting (als reactie op de brief van de moeder van 26 juni 2026) een brief van 29 juni 2026 met bijlagen overgelegd. Zowel de advocaat van de moeder als de advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.
3De feiten
3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats C] . De ouders hebben tot medio juli 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
De moeder is, nadat de relatie met de vader was verbroken, in 2023 vertrokken uit [plaats B] . Zij verbleef bij haar moeder in [plaats D] . In januari 2024 heeft de moeder in [plaats D] een zelfstandige huurwoning betrokken.
3.3
Bij mondelinge uitspraak van 22 september 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vader en als tijdelijke zorgregeling vastgesteld dat [minderjarige] de ene week van woensdag 12.00 uur tot zondag 15.00 uur en de andere week van donderdag 12.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt.
3.4
Sinds 15 juni 2026 woont de moeder in [plaats A] .
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – voor zover hier van belang – het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen toegewezen en heeft aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op de [basisschool] te [plaats B] . Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat [minderjarige] met ingang van 3 oktober 2025 eens per veertien dagen bij de moeder verblijft vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school naar de moeder brengt en de moeder [minderjarige] op zondagavond om 19.00 uur terugbrengt bij de vader. Verder heeft de rechtbank de volgende regeling voor vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen vastgesteld:
- tijdens de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de moeder;
- tijdens de zomervakantie verblijft [minderjarige] in week 1, 2 en 5 bij de moeder en in week 3, 4 en 6 bij de vader;
- tijdens de meivakantie en de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader, in de even jaren verblijft [minderjarige] in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder;
- [minderjarige] brengt de feestdagen en de bijzondere dagen door bij de ouder waar hij volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling verblijft. Daarop gelden de volgende uitzonderingen:
- als eerste paasdag of eerste pinksterdag in het omgangsweekend van de moeder valt, verblijft [minderjarige] ook de tweede paasdag en de tweede pinksterdag bij de moeder;
- als de vrijdag na Hemelvaartsdag geen schooldag is en het aansluitende weekend een omgangsweekend van de moeder is, verblijft [minderjarige] vanaf de avond voor Hemelvaartsdag bij
de moeder, waarbij de vader [minderjarige] om 19.00 uur bij de moeder brengt;
- als de zogeheten margedagen aansluiten op het omgangsweekend van de moeder, worden deze margedagen bij dat omgangsweekend getrokken.
In de hoofdzaak (200.357.218/01)
4.2
De moeder verzocht aanvankelijk in principaal hoger beroep om bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar in [plaats D] en om een daarop aangepaste zorgregeling. Subsidiair, in de situatie dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vader zou behouden, verzocht de moeder een uitbreiding van de zorgregeling met extra weekenden bij haar en een langer verblijf van [minderjarige] bij haar in de vakanties.
Bij brief van 26 juni 2026 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij verzoekt:
I. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is bepaald en voor zover daarbij een zorgregeling is vastgesteld die niet langer aansluit bij de huidige feitelijke situatie;
II. opnieuw rechtdoende te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn;
III. te bepalen dat partijen uitvoering zullen geven aan een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] afwisselend één week bij de moeder en één week bij de vader verblijft, met als wisselmoment maandag uit school, dan wel - indien er geen school is - maandag om 10.00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] de daaropvolgende week verblijft [minderjarige] ophaalt waarbij [minderjarige] tijdens de oneven weken bij de moeder verblijft en tijdens de even weken bij de vader;
IV. te bepalen dat de vakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld, in die zin dat:
a. de zomervakantie aldus wordt verdeeld dat [minderjarige] in de even jaren de eerste twee weken en de vijfde week bij de moeder verblijft en de derde, vierde en zesde week bij de vader, en in de oneven jaren andersom;
b. de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie in een cyclus van drie schooljaren wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] in twee achtereenvolgende jaren (naar het hof begrijpt: de voorjaarsvakantie) bij de vader verblijft en in het derde jaar bij de moeder, waarbij de herfstvakantie in het betreffende schooljaar aan de andere ouder toekomt;
c. de meivakantie bij helfte wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader verblijft en in de oneven jaren andersom, althans, indien sprake is van een meivakantie van één week, deze vakantie in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader verblijft;
d. de kerstvakantie bij helfte wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader verblijft en in de oneven jaren andersom;
e. de wissels tijdens vakanties plaatsvinden op maandag om 10.00 uur, tenzij de wissel aansluit op een schooldag, in welk geval de wissel uit school plaatsvindt;
V. althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van [minderjarige] juist acht.
4.3
De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen, zo nodig onder verbetering van gronden (en naar het hof begrijpt: de bestreden beschikking te bekrachtigen).
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de wijze van verdeling van de vakantiedagen betreft en te bepalen dat met ingang van 3 oktober 2025 [minderjarige] iedere voorjaarsvakantie bij de vader, iedere herfstvakantie bij de moeder en iedere zomervakantie gedurende week 1, 2, 4 en 5 bij de moeder en gedurende week 3 en 6 bij de vader zal verblijven. De vader verzoekt de door de rechtbank vastgestelde vakantie- en feestdagenregeling voor het overige in stand te laten.
Bij brief van 29 juni 2026 heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt de bestreden beschikking in stand te laten en het hoger beroep van de moeder af te wijzen, met uitzondering van de verzochte gedeelde zorgregeling die de vader altijd heeft voorgestaan en waaraan vanaf medio juni 2026 uitvoering wordt gegeven. Verder handhaaft de vader zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep.
4.4
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen.
Het incident tot schorsing (200.357.218/02)
4.5
De moeder verzoekt (voorwaardelijk en provisioneel) de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen voor zover deze ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op de lagere school, zulks totdat in deze zaak uitspraak is gedaan.
4.6
De vader verzoekt het voorwaardelijke/provisionele schorsingsverzoek (ten aanzien van een deel van de bestreden beschikking) van de moeder af te wijzen.
4.7
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken.
5De motivering van de beslissing
De hoofdzaak (200.357.218/01)
Het wettelijk kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Zorgregeling
5.2
Aanvankelijk verzocht de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar in [plaats D] te bepalen. Gebleken is dat de moeder sinds 15 juni 2026 in een huurwoning in [plaats A] woont en dat de ouders een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen waarbij zij om de beurt een week voor [minderjarige] zorgen, waarbij de wisseldag op maandag is. Deze zorgregeling wordt sinds 22 juni 2026 uitgevoerd door de ouders. Uit de brief van de vader van 29 juni 2026 blijkt dat de vader instemt met de door de moeder bij brief van 26 juni 2026 verzochte zorgregeling, inhoudende dat partijen uitvoering zullen geven aan een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] afwisselend één week bij de moeder en één week bij de vader verblijft, met als wisselmoment maandag uit school, dan wel - indien er geen school is - maandag om 10.00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] de daaropvolgende week verblijft [minderjarige] ophaalt waarbij [minderjarige] tijdens de oneven weken bij de moeder verblijft en tijdens de even weken bij de vader. Omdat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen deze zorgregeling, zal het hof overeenkomstig het verzoek van de moeder beslissen.
5.3
Gelet op de hiervoor genoemde gewijzigde omstandigheden/situatie, zal het hof in het hierna volgende ingaan op de standpunten van partijen zoals deze naar voren zijn gebracht na de verhuizing van de moeder naar [plaats A] .
Hoofdverblijfplaats
De standpunten
5.4
De moeder stelt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader heeft bepaald. De moeder woont sinds 15 juni 2026 in een door de vader aangedragen huurwoning in [plaats A] . De vader heeft het woningtraject voor de moeder richting derden opgezet, haar daarmee in een zware huurverplichting gebracht en vervolgens geen duurzame financiële afspraak met haar gemaakt. Zij heeft vanaf het begin aangegeven dat woonruimte boven de sociale huurgrens voor haar financieel nauwelijks haalbaar is. De moeder heeft de huurovereenkomst desondanks getekend, omdat dit de mogelijkheid bood om dichtbij [minderjarige] te wonen. Zij heeft daarmee laten zien dat zij niet in [plaats D] wenste te blijven. Zij heeft daarmee ook, in het belang van [minderjarige] , een verstrekkende stap gezet. De financiële positie van de moeder is echter kwetsbaar door de hoge kosten van de huurwoning in [plaats A] . Zij werkt in de zorg en heeft een beperkt inkomen. De vader heeft via Whatsapp aangegeven dat hij bereid is de moeder (tijdelijk) te ondersteunen met een maandelijkse bijdrage van € 175,- per maand, aangevuld met € 48,50 uit de kinderbijslag, maar dit biedt geen permanente oplossing. Als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt bepaald, wordt de moeder hoofdaanvrager van de kinderbijslag en kan zij aanspraak maken op het kindgebonden budget. Daarmee wordt de moeder beter in staat gesteld om de huidige woonsituatie (financieel) te dragen. Dat dient het belang van [minderjarige] , omdat daarmee wordt voorkomen dat de moeder de woning moet opgeven (vanwege een voor haar financieel onhoudbare situatie) en de nabijheid van beide ouders (en de co-ouderschapsregeling) opnieuw onder druk komt te staan. Er loopt inmiddels een alimentatieprocedure tussen de ouders, waarin de vader stelt dat de moeder gehouden is om alimentatie aan hem te betalen, omdat zijn inkomen substantieel lager is dan het inkomen van de moeder en hij daarom aanspraak maakt op een kinderbijdrage. Verder is de moeder in de communicatie met de vader gericht op overleg en samenwerking, terwijl de vader regelmatig de regie naar zich toe trekt en zijn uitleg of route als uitgangspunt presenteert.
5.5
De vader voert aan dat hij in actie is gekomen nadat tussen partijen duidelijkheid is verkregen over het financiële budget van de moeder. De door de vader genoemde huurprijs is tussen partijen vooraf afgestemd. Uit de e-mail van de vader aan een van de makelaars blijkt dat zijn informatie gebaseerd is op door de moeder aangedragen feiten. Daarom is en was de financiële haalbaarheid voldoende gewaarborgd. De stelling van de moeder dat de vader weigert structureel bij te dragen is onjuist. Het hoofdverblijf van [minderjarige] is al in september 2023 door de voorzieningenrechter toegewezen aan de vader en nadien in de bodemzaak. In de omstandigheden die de moeder nu aanvoert om het hoofdverblijf te wijzigen, ligt geen rechtens te respecteren grond en haar belang weegt ook niet zwaarder dan de belangen van de vader. De vader heeft een minder hoog inkomen dan de moeder. Verder betreurt de vader de passages van de moeder in haar brief van 26 juni 2026 die lijken te suggereren dat hij niet constructief zou zijn en haar niet (of onvoldoende) zou informeren. Uit de eigen producties van de moeder volgt het tegendeel. Het lijkt alsof het de ouders niet goed lukt om ontspannen te communiceren. De vader vreest nog steeds dat de moeder zal proberen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats D] , omdat zij daar nog steeds werkt en alleen in [plaats A] is tijdens de schooldagen van [minderjarige] , als [minderjarige] bij haar verblijft. In het weekend gaat de moeder met [minderjarige] naar [plaats D] . Als [minderjarige] bij de vader verblijft, woont de moeder in [plaats D] . Financiële motieven zijn een oneigenlijke grondslag voor een wijziging van het hoofdverblijf. De vader en zijn omgeving (in [plaats B] ) zijn continu de stabiele factor geweest voor [minderjarige] . De moeder heeft onjuiste, dan wel onvolledige financiële feiten gepresenteerd. Een alimentatieberekening is nog niet gemaakt, hoewel dat wel nodig is om duidelijk te krijgen wat ieders draagkracht is. De vader volgt de uitkomst van een dergelijke berekening, omdat hij weet dat hij het financieel zonder steun van zijn familie en zonder kindgebonden budget en kinderbijslag niet zou redden, tenzij hij verder inteert op zijn spaargeld.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat beide ouders in het belang van [minderjarige] hebben gedacht en dat zij een goede stap hebben gezet. De raad is verbaasd over wat er over de communicatie wordt gesteld, omdat de ouders respectvol met elkaar lijken te communiceren. Hoewel de ouders het niet altijd eens zijn met elkaar, lossen zij het wel samen op. De raad vindt het jammer dat daar toch een negatieve kleur aan wordt gegeven, want dat kan het belang van [minderjarige] schaden. [minderjarige] is erbij gebaat als de ouders kunnen samenwerken. De raad beoordeelt de samenwerking tussen de ouders als goed. De samenwerking heeft niet geleid tot een verstoorde communicatie waarbij het kind klem komt te zitten. Onderzoek heeft aangetoond dat het opgroeien met beide ouders een positieve invloed heeft op kinderen. Kinderen voelen zich dan gezien en geliefd. De ouders hebben alles in huis om een goede en fijne co-ouderschapregeling uit te voeren voor [minderjarige] . Ondanks dat de ouders niet meer samen zijn, hebben zij [minderjarige] wel een harmonieus opvoedklimaat kunnen bieden. De raad hoopt dat de ouders dat ook (zo positief) kunnen inzien (en beoordelen) na het afronden van de procedures. Naast dat het voor [minderjarige] heel fijn is als de ouders goed door één deur kunnen, is het fijn als zij de huidige wijze van overleg en samenwerken kunnen vasthouden. Mochten zij bepaalde dingen graag anders zien, dan kunnen zij daarvoor hulpverlening zoeken. Wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] stelt de raad dat [minderjarige] niet méér belang heeft bij het vaststellen van zijn hoofdverblijfplaats bij de vader dan bij de moeder. De raad ziet geen (zwaarwegende) reden(en) om het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen. Het gaat om een financieel plaatje. Het kindgebonden budget of de kinderbijslag wordt gedeeld of meegenomen, maar ook dat valt tegen elkaar weg nu de alimentatieprocedure nog loopt en de alimentatie nog berekend moet worden, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.7
Voor zover moet worden geconstateerd dat financiële redenen nu voor het eerst naar voren zijn gebracht als grondslag voor het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , overweegt het hof dat dit geen reden is om deze grondslag buiten beschouwing te laten, aangezien de aard van de procedure met zich brengt dat alle wijzigingen van omstandigheden meegenomen dienen te worden in de beoordeling.
5.8
Het hof stelt vast dat voor partijen op dit moment uitsluitend de financiële consequenties van het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] de oorzaak zijn van het geschil over zijn hoofdverblijfplaats. Uit de stukken en wat is besproken ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De moeder heeft na de zitting in eerste aanleg met behulp van de vader een huurwoning in [plaats A] gevonden, waar zij sinds 15 juni 2026 woont. Vast is komen te staan dat zij als gevolg van het huren van deze woning hoge woonlasten heeft. De moeder heeft inzicht gegeven in haar huidige financiële situatie en daarmee laten zien dat zij het vanwege haar hoge woonlasten momenteel financieel zwaar heeft. De vader heeft daarentegen zeer beperkt inzicht gegeven in zijn financiële situatie, waaronder zijn woonlasten. Hoewel het hof met de raad van oordeel is dat [minderjarige] niet méér belang heeft bij het vaststellen van zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder dan bij de vader, zal het hof gelet op het voorgaande de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen. Daarbij neemt het hof in overweging dat de moeder is terugverhuisd vanuit [plaats D] naar de regio [plaats B] en daardoor hoge woonlasten heeft moeten accepteren om dichter bij [minderjarige] in de buurt te kunnen wonen. Gebleken is dat de moeder als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar wordt bepaald, beter in staat is om haar huidige woonlasten (financieel) te dragen, omdat zij dan hoofdaanvrager van de kinderbijslag is en aanspraak kan maken op het kindgebonden budget. Onder die omstandigheden vindt het hof dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder moet worden bepaald, zodat een bestendige situatie kan worden gecreëerd waarbij de moeder in [plaats A] kan blijven wonen en de co-ouderschapsregeling uitgevoerd kan blijven worden. Overigens zijn partijen nog in gesprek over de alimentatie, waarin de financiële voordelen (die de moeder zal ontvangen door de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen) hun doorwerking zullen hebben.
5.9
Waar beide ouders veronderstellen dat zij meer informatie en zeggenschap krijgen of hebben als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen wordt bepaald, overweegt het hof dat dit een onjuiste veronderstelling is, omdat het krijgen van informatie en vooral het hebben van zeggenschap voortvloeit uit het ouderlijk gezag dat zij gezamenlijk over [minderjarige] uitoefenen. Het hof gaat ervan uit dat waar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ook is, de ouders elkaar (blijven) informeren over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] .
Vakantieregeling
De standpunten
5.10
De vader stelt dat, omdat nu al uitvoering wordt gegeven aan een gedeelde zorgregeling, van de moeder verwacht mag worden dat zij kan instemmen met zijn verzoek om hem de (enige) kans (die hij in het jaar heeft) te geven om ieder jaar met [minderjarige] in de voorjaarsvakantie naar het buitenland op vakantie te gaan. De moeder wil dat niet, omdat zij ook op wintersportvakantie wil kunnen gaan met [minderjarige] , terwijl zij al in de zomer-, herfst- en meivakantie met [minderjarige] op vakantie kan gaan. De moeder weet dat de vader de rest van het jaar niet weg kan naar het buitenland. Dit maakt een uitvoerige beschikking met daarin een regeling voor alle vakanties noodzakelijk.
5.11
De moeder stelt dat de korte vakanties mede aan haar zijn toegekend ter compensatie van de zeer beperkte tijd die zij gedurende het jaar met [minderjarige] had. Nu de ouders inmiddels uitvoering geven aan co-ouderschap, dient ook de vakantieregeling te worden bezien vanuit het uitgangspunt van gelijkwaardigheid en regelmatig contact met beide ouders. De moeder begrijpt dat de vader graag met [minderjarige] op vakantie wil, maar zij wil eveneens tijd met [minderjarige] doorbrengen tijdens vakanties. Met de zorgregeling die partijen hebben afgesproken, bestaat het risico dat [minderjarige] gedurende een periode van drie weken bij een ouder is. Dit risico heeft zich in aanloop van de zomervakantie 2026 ook voorgedaan. De moeder heeft voorgesteld om dit te compenseren voor [minderjarige] . Daarnaast zijn alle korte vakanties aan de moeder toegekend. Hierin kan een wijziging plaatsvinden omdat sprake is van een gelijkwaardige zorgregeling. De vader wil graag met [minderjarige] skiën tijdens de voorjaarsvakanties. De moeder kan zich hierin vinden indien zij eenmaal in de drie jaar eveneens in de gelegenheid is om tijdens de voorjaarsvakantie met [minderjarige] vakantie te vieren. In dat schooljaar kan de voorjaarsvakantie worden omgeruild met de herfstvakantie, waardoor de ouders allebei een week vakantie met [minderjarige] hebben.
Het advies van de raad
5.12
De raad heeft zich onthouden van een advies over de vakantieregeling. Wel heeft de raad ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het belangrijk is dat [minderjarige] vrije tijd met beide ouders kan doorbrengen en dat de ouders elkaar ook iets zouden moeten gunnen als het anders uitpakt.
De beoordeling door het hof
5.13
Gebleken is dat het de ouders niet is gelukt om in onderling overleg te komen tot een verdeling van de vakanties. Het hof zal met inachtneming van wat de ouders hebben aangevoerd de hierna volgende verdeling van de vakanties vaststellen:
- zomervakantie: [minderjarige] verblijft (ieder jaar) in week 1, 2 en 5 bij de moeder en in week 3, 4 en 6 bij de vader, waarbij geldt dat als [minderjarige] de week voorafgaand aan de zomervakantie volgens de reguliere zorgregeling ook bij de moeder is, partijen in onderling overleg zo nodig een andere verdeling kunnen vaststellen voor de zomervakantie;
- herfstvakantie en voorjaarsvakantie worden in een cyclus van drie schooljaren verdeeld, waarbij [minderjarige] in twee achtereenvolgende jaren de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft en in het derde jaar bij de moeder, waarbij de herfstvakantie in het betreffende schooljaar aan de andere ouder toekomt. Daarbij bepaalt het hof dat [minderjarige] in 2027 en 2028 in de voorjaarsvakantie bij de vader zal verblijven en in die jaren in de herfstvakantie bij de moeder. In 2029 zal [minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijven en in de herfstvakantie bij de vader. Voor 2026 bepaalt het hof dat [minderjarige] de herfstvakantie bij de vader verblijft, omdat hij in dit jaar in de voorjaarsvakantie bij de moeder is verbleven;
- meivakantie en kerstvakantie: de ouders verdelen deze vakanties in onderling overleg bij helfte.
Het hof acht deze regeling in het belang van [minderjarige] .
5.14
De moeder heeft verzocht te bepalen dat de wisselingen van de ene naar de andere ouder tijdens de vakanties plaatsvinden op maandag om 10.00 uur, tenzij het wisselmoment aansluit op een schooldag, in welk geval de wisseling uit school plaatsvindt. De vader heeft zich daartegen niet verweerd, zodat het hof het verzoek van de moeder zal toewijzen. Daar komt nog bij dat een vast wisselmoment naar het oordeel van het hof bijdraagt aan voorspelbaarheid voor [minderjarige] en de ouders.
Het schorsingsverzoek (200.357.218/02)
5.15
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep haar verzoek tot schorsing van de werking van een deel van de bestreden beschikking ingetrokken. Het schorsingsverzoek kan daarom niet worden onderzocht en het hof zal de moeder in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
5.16
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.357.218/01 (hoofdzaak):
In principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking gedeeltelijk voor zover daarin de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is bepaald en het de zorgregeling en de verdeling van de vakanties betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende;
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder;
stelt een zorgregeling vast waarbij:
- [minderjarige] afwisselend één week bij de moeder en één week bij de vader verblijft, met als wisselmoment maandag uit school, dan wel - indien er geen school is - maandag om 10.00 uur;
- de ouder bij wie [minderjarige] de daaropvolgende week verblijft [minderjarige] ophaalt;
- [minderjarige] tijdens de oneven weken bij de moeder verblijft en tijdens de even weken bij de vader;
stelt de volgende verdeling van de vakanties vast:
- zomervakantie: [minderjarige] verblijft (ieder jaar) in week 1, 2 en 5 bij de moeder en in week 3, 4 en 6 bij de vader, waarbij geldt dat als [minderjarige] de week voorafgaand aan de zomervakantie volgens de reguliere zorgregeling ook bij de moeder is, partijen in onderling overleg zo nodig een andere verdeling kunnen vaststellen voor de zomervakantie;
- herfstvakantie en voorjaarsvakantie worden in een cyclus van drie schooljaren verdeeld, waarbij [minderjarige] in twee achtereenvolgende jaren de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft en in het derde jaar bij de moeder, waarbij de herfstvakantie in het betreffende schooljaar aan de andere ouder toekomt. Daarbij bepaalt het hof dat [minderjarige] in 2027 en 2028 in de voorjaarsvakantie bij de vader zal verblijven en in die jaren in de herfstvakantie bij de moeder. In 2029 zal [minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijven en in de herfstvakantie bij de vader. In 2026 zal [minderjarige] in de herfstvakantie bij de vader verblijven;
- meivakantie en kerstvakantie: de ouders verdelen deze vakanties in onderling overleg bij helfte.
bepaalt dat de wisselingen van de ene naar de andere ouder tijdens vakanties plaatsvinden op maandag om 10.00 uur, tenzij het wisselmoment aansluit op een schooldag, in welk geval de wisseling uit school plaatsvindt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
In de zaak met zaaknummer 200.357.218/02 (incident):
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van een deel van de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M. van Baardewijk en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|