Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2490 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:09-09-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.340.869/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Burenrecht. Geen onrechtmatige hinder door het in de tuin plaatsen van een bijgebouw voor het keukenraam van de woning van de buren. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd.
Trefwoorden:belastingrecht
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.340.869/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/734220 / HA ZA 23-503


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026


inzake




1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonend in [plaats] ,
appellanten,
tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerden,
advocaten: mr. E.N. Nordmann en mr. T.M. Klaarenbeek te Amsterdam,

tegen




1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
tevens voorwaardelijk incidenteel appellanten,
advocaat: mr. R.A.M. Schram te Velsen-Noord.

Partijen worden hierna gezamenlijk [appellanten] . en [geïntimeerden] . genoemd.





1De zaak in het kort

Partijen zijn buren. Partijen verschillen van mening over de vraag of [geïntimeerden] . in hun tuin een bouwwerk (bijgebouw) of andere zaken mogen plaatsen voor het raam in de aangrenzende zijmuur van de woning van [appellanten] . Net als de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat het plaatsen van een bijgebouw zoals [geïntimeerden] . dat van plan zijn niet leidt tot het toebrengen van onrechtmatige hinder. Zoals ter zitting in eerste aanleg toegezegd, dienen [geïntimeerden] . daarbij enige afstand van de muur van de woning van [appellanten] . te betrachten in verband met door [appellanten] . eventueel uit te voeren onderhoudswerkzaamheden. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.





2Het procesverloop in hoger beroep


[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 30 april 2024 in hoger beroep gekomen van een

vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2024, onder bovenvermeld
zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] . als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellanten] . als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

Bij tussenarrest van 4 juni 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald, die op 3 juli 2024 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen hebben partijen besloten dat zij mediation willen beproeven, waarna de zaak naar mediation is verwezen. Na aanhouding van de zaak op verzoek van partijen, hebben partijen op 26 november 2024 te kennen gegeven dat de mediation niet is geslaagd en dat partijen wensen voort te procederen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens voorwaardelijke wijziging van eis;
- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 12 mei 2026 laten toelichten. [appellanten] . door mr. Nordmann voornoemd en mr. L.J. van der Hoek, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, en [geïntimeerden] . door mr. Schram voornoemd. Partijen hebben op deze zitting ook vragen beantwoord en nadere inlichtingen verstrekt. [appellanten] . hebben nog een akte met nadere producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.





3Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.


3.1.
Partijen zijn buren. [geïntimeerden] . wonen sinds medio 2018 in hun woning. [appellanten] . hebben hun woning gekocht in juni 2020. Beide woningen liggen uiterst noordelijk op de respectieve percelen. De meest noordelijke muur van de woning van [appellanten] . grenst direct aan de tuin van [geïntimeerden] . Op een door [geïntimeerden] . overgelegde afbeelding van hun woning (nr. [1] ) met tuin en de woning van [appellanten] . (nr. [2] ) met tuin (productie 4 bij inleidende dagvaarding) ziet dit er als volgt uit:


[afbeelding]












3.2.
Nadat zij hun woning hadden gekocht, hebben [appellanten] . voorbereidingen getroffen om een door hen gewenste verbouwing van de woning te laten plaatsvinden. Zo wilden zij boven de keuken een opbouw (tweede badkamer) realiseren. Het koepelraam in het plafond van de zich aan de noordzijde van hun woning bevindende keuken diende daartoe verwijderd te worden. Om alsnog voor meer daglicht in de keuken te zorgen, hebben [appellanten] . aanvankelijk het plan opgevat in de keukenmuur die grenst aan de tuin van [geïntimeerden] . glazen bouwstenen te laten plaatsen. Dit plan is later gewijzigd in het laten aanbrengen in die muur van een smal, hoog, vast raam met ondoorzichtig glas.



3.3.
Op 18 november 2020 heeft de gemeente [plaats] (hierna: de gemeente) aan [appellanten] . een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing van hun woning inclusief – op zichzelf niet vergunningsplichtig – plaatsing van glazen bouwstenen in de zijmuur.



3.4.

[appellanten] . hebben vervolgens een aanvang gemaakt met de verbouwing.



3.5.
Op 22 december 2020 hebben [geïntimeerden] . bezwaar ingediend tegen de verleende omgevingsvergunning. Dit bezwaar is door de gemeente op 17 februari 2021 ongegrond verklaard.



3.6.
Op 4 maart 2021 heeft de gemeente op verzoek van [appellanten] . aangepaste tekeningen opgenomen in de vergunning, waarbij de glazen bouwstenen zijn vervangen door een smal, hoog, vast raam met ondoorzichtig glas. Diezelfde dag heeft de gemeente deze wijziging ‘van ondergeschikte aard’ per mail aan partijen bekend gemaakt.



3.7.

[geïntimeerden] . hebben geen medewerking willen verlenen aan het
plaatsen van een raam in de muur, waarop [appellanten] . een kort geding zijn gestart.



3.8.
Bij mondelinge uitspraak in kort geding van 3 mei 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam [geïntimeerden] . hoofdelijk veroordeeld om [appellanten] . toe te staan om gebruik te (laten) maken van het perceel van [geïntimeerden] . voor het (laten) plaatsen van een raam in de noordelijke muur van de woning van [appellanten] . Ook heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerden] . verboden “iets voor en/of tegen de muur van eisers aan te brengen waardoor het kozijn (met raam) niet meer kan worden geplaatst en iets voor of in de nabijheid van het te plaatsen of geplaatste kozijn te plaatsen en te laten staan waardoor de lichtinval wordt belemmerd”. Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.



3.9.
Overeenkomstig de mondelinge uitspraak hebben [geïntimeerden] . vervolgens [appellanten] . gebruik laten maken van hun perceel, zodat [appellanten] . op 6 mei 2021 het raam in hun muur hebben kunnen laten plaatsen. Het raam bevindt zich op een hoogte van iets meer dan 2 meter, is 2,2 meter lang en 0,4 meter hoog. Het raam is omcirkeld op de in 3.1. weergegeven afbeelding.



3.10.

[geïntimeerden] . hebben beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaar door de gemeente. Bij uitspraak van 22 november 2021 heeft de bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep ongegrond verklaard.



3.11.

[geïntimeerden] . hebben ook hoger beroep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2021. Bij arrest van 12 juli 2022 heeft het hof de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter bekrachtigd.






4De procedure bij de rechtbank


4.1.
Kort gezegd hebben [geïntimeerden] . in eerste aanleg – na eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling – gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het [geïntimeerden] . wordt toegestaan een bouwwerk of andere zaken voor het raam van [appellanten] . te plaatsen, met veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten.



4.2.

[appellanten] . hebben een tegenvordering (reconventie) ingesteld. Zij hebben samengevat gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. i) [geïntimeerden] . hoofdelijk te veroordelen tot het meewerken aan het vestigen van een recht van erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [geïntimeerden] . en ten behoeve van het perceel van [appellanten] . voor het kunnen verrichten van onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan de muur van hun woning, zonder betaling van enige retributie en op straffe van verbeurte van een dwangsom, ii) vervangende toestemming te verlenen tot vestiging van voormeld recht van erfdienstbaarheid, iii) het ladderrecht te verlenen aan [appellanten] . en hun opdrachtnemers op grond waarvan zij periodieke controles en werkzaamheden als omschreven in artikel 5:56 BW kunnen verrichten, zonder betaling van enige
schadeloosstelling en op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. [geïntimeerden] . hoofdelijk te verbieden permanente bouwwerken neer te
zetten tegen de muur van de woning van [appellanten] . waardoor onderhoudswerkzaamheden niet uitgevoerd zouden kunnen worden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. [geïntimeerden] . hoofdelijk te verbieden iets voor en/of tegen de muur aan te brengen waardoor de lichtinval zal worden belemmerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. een en ander met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] . in de proces- en nakosten.



4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – (in conventie) bepaald dat het [geïntimeerden] . is toegestaan een bouwwerk of andere zaken voor het raam van [appellanten] . te plaatsen en (in reconventie) [geïntimeerden] . verboden permanente bouwwerken neer te zetten tegen de noordelijke zijmuur van de woning van [appellanten] . waardoor onderhoudswerkzaamheden niet uitgevoerd zouden kunnen worden. De rechtbank heeft [appellanten] . in conventie en in reconventie in de proces- en nakosten veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente.






5Vorderingen en verweer in hoger beroep


5.1.

[appellanten] . concluderen in principaal hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis. Zij vorderen dat het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun vorderingen geheel of gedeeltelijk zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] . in de kosten van beide instanties.



5.2.

[geïntimeerden] . voeren verweer en concluderen dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het hoger beroep van [appellanten] . ongegrond verklaart en de vorderingen van [appellanten] . zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten.



5.3.

[geïntimeerden] . wijzigen in incidenteel hoger beroep voorwaardelijk – en wel voor zover grief I van [appellanten] . in principaal hoger beroep zou slagen – hun eis in die zin dat zij dan vorderen voor recht te verklaren dat het [geïntimeerden] . is toegestaan om (op hun eigen grond) een bouwwerk of andere zaken voor het raam van [appellanten] . te plaatsen. Een en ander met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellanten] . in de kosten van dit geding.



5.4.

[appellanten] . voeren verweer in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en concluderen dat het hof [geïntimeerden] . niet-ontvankelijk verklaart in hun hoger beroep althans het hoger beroep van [geïntimeerden] . zal verwerpen, met veroordeling van [geïntimeerden] . in de proces- en nakosten en wettelijke rente.


Omvang hoger beroep




5.5.

[appellanten] . hebben geen grieven gericht tegen de afwijzing van de rechtbank
van hun vorderingen strekkende tot het verlenen van een ladderrecht aan hen en de vestiging van een recht van erfdienstbaarheid (vorderingen onder I. van [appellanten] . in conventie), zodat het alsnog toewijzen van die vorderingen niet meer voorligt in dit hoger beroep. Daarmee vormen uitsluitend de vorderingen II. tot en met IV. van [appellanten] . en vorderingen van [geïntimeerden] . onderwerp van dit hoger beroep.





6De beoordeling


In principaal hoger beroep



Grieven



6.1.

[appellanten] . hebben acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De grieven lenen zich deels voor gezamenlijke bespreking. Het hof zal daarbij waar nodig ingaan op het door [geïntimeerden] . daartegen gevoerde verweer.


Feiten en omstandigheden




6.2.
Allereerst merkt het hof het volgende op. Voorafgaand aan hun grieven betogen [appellanten] . in hun memorie van grieven dat de relevante feiten en omstandigheden in het bestreden vonnis niet, onjuist of onvolledig zijn weergegeven.
Voor zover [appellanten] . daarmee bedoeld hebben een ongenummerde grief te richten tegen de feitenvaststelling in eerste aanleg, hebben zij geen belang bij verdere behandeling van die grief. Het hof heeft hiervoor immers zelf – rekening houdend met wat partijen hierover over en weer in hoger beroep hebben aangevoerd – de feiten vastgesteld die het aan zijn oordeel ten grondslag legt. Het is aan het hof om uit de tussen partijen vaststaande feiten (alleen) die feiten te selecteren die het voor zijn beoordeling van het geschil en de beslissing van belang acht.


Eiswijziging in eerste aanleg




6.3.
Met grief I klagen [appellanten] . erover dat de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling de door [geïntimeerden] . ingestelde vordering in strijd met de wettelijke eisen (artikel 130 Rv) heeft gewijzigd, het daarbij heeft doen voorkomen alsof die eiswijziging geïnitieerd zou zijn door [geïntimeerden] . en het door [appellanten] . daartegen gemaakte bezwaar volledig heeft gepasseerd. Ook heeft de rechtbank – aldus [appellanten] . – de gang van zaken rondom de eiswijziging niet correct in het proces-verbaal opgenomen en heeft zij aan [appellanten] . geen gelegenheid geboden met een akte op (de gang van zaken rondom) de eiswijziging te reageren, ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe van [appellanten] . Volgens [appellanten] . is de eis gewijzigd op een wijze die in strijd is met de goede procesorde en de daarvoor geldende formaliteiten, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.



6.4.
Voor zover [appellanten] . met deze grief opkomen tegen het toestaan van de eiswijziging van [geïntimeerden] . in eerste aanleg, kunnen zij in deze grief niet worden ontvangen. Tegen de beslissing van de rechtbank om de eiswijziging toe te staan, staat ingevolge het bepaalde in artikel 130 lid 2 Rv immers geen hoger beroep open. De in het verlengde daarvan door [appellanten] . opgeworpen bezwaren tegen de gang van zaken rondom deze eiswijziging stuiten eveneens hierop af.


Onrechtmatige hinder?




6.5.
De grieven II tot en met VI van [appellanten] . zien op de toewijzing door de
rechtbank van de gewijzigde eis van [geïntimeerden] . [appellanten] . stellen zich op het standpunt dat het plaatsen van een bouwwerk of andere zaken voor hun keukenraam door [geïntimeerden] . de natuurlijke lichtinval in hun keuken blokkeert en dat dit onrechtmatige hinder oplevert.


Maatstaf




6.6.
Uitgangspunt is dat het een eigenaar van een woning vrij staat zijn woning en tuin in te richten en te gebruiken naar eigen inzicht. Dat recht is in zoverre beperkt dat de uitoefening ervan niet in strijd mag komen met rechten van anderen. Enige hinder moet daarbij door die anderen worden geduld. De grens ligt daar waar de eigenaar van de woning bij de uitoefening van zijn recht aan anderen, onder wie buren, onrechtmatige hinder toebrengt.



6.7.
Artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaren van andere erven hinder mag toebrengen. Het onthouden van licht wordt daarbij expliciet genoemd.
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.


Eerdere belangenafwegingen




6.8.
Ten aanzien van de in de maatstaf besloten liggende belangenafweging stellen [appellanten] . zich op het standpunt (grief IV) dat al meermaals een belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat deze telkens niet in de weg stond aan de plaatsing van het raam. Zij wijzen daarbij op de besluitvorming door de gemeente in het kader van de omgevingsvergunning – het verlenen van de vergunning, de wijziging daarvan en de behandeling van het bezwaar –, de procedure bij de bestuursrechter waarin het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar ongegrond is verklaard en de kortgedingprocedure in eerste aanleg en hoger beroep, waarin het [geïntimeerden] . is verboden iets voor of in de nabijheid van het – toen nog – aan te brengen raam te plaatsen en te laten staan waardoor de lichtinval wordt belemmerd.



6.9.

[appellanten] . miskennen hiermee dat het beoordelingskader in de onderhavige civielrechtelijke procedure niet wordt gevormd door het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening, het Bouwbesluit en de redelijke eisen van welstand als genoemd in de verleende omgevingsvergunning en de beslissingen op bezwaar en in beroep, maar door artikel 5:37 BW in samenhang met artikel 6:162 BW, met alle factoren die daarbij relevant zijn. Bovendien is gesteld noch gebleken dat bij een belangenafweging in het kader van de besluitvorming ter zake de omgevingsvergunning (en het bezwaar en beroep daartegen) de vraag naar mogelijke hinder aan de te vergunnen bouwactiviteit is meegenomen.

[appellanten] . miskennen verder dat een kortgedingprocedure erop gericht is om met spoed een voorlopig oordeel en een voorziening te krijgen. De aard van een kortgedingprocedure brengt met zich dat geen ruimte bestaat voor een uitvoerig onderzoek naar de juistheid van de door partijen ter onderbouwing van hun standpunten aangevoerde feiten en/of omstandigheden. Aan een vonnis of arrest in kort geding komt geen gezag van gewijsde toe.



6.10.
Het hof zal hierna dan ook overgaan tot een zelfstandige afweging van de belangen.


Vergunning




6.11.
Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat het [appellanten] . was toegestaan een raam in de noordelijke zijmuur van hun woning te plaatsen. Het raam is een vergunningsvrij bouwwerk en bovendien maakt het raam onderdeel uit van de omgevingsvergunning voor de verbouwing van de woning van [appellanten] .



6.12.
Terecht betogen [appellanten] . (grief IV) dat krachtens vaste rechtspraak in beginsel heeft te gelden dat de vergunninghouder erop mag vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op de juiste manier zijn afgewogen, en dat hij van die vergunning gebruik mag maken.
Dit betekent echter niet dat de houder van een (publiekrechtelijke) vergunning (civielrechtelijk) niet aansprakelijk kan zijn voor door het vergunde bouwwerk veroorzaakte onrechtmatige hinder of dat aan het (publiekrechtelijk) vergunde bouwwerk geen (civielrechtelijke) (onrechtmatige) hinder kan worden toegebracht (door een vergunningsvrij dan wel vergund bouwwerk).


Aard, ernst en duur van de hinder




6.13.
Wat betreft de aard van de hinder gaat het hier om ‘het blokkeren van
natuurlijke lichtinval’ door het plaatsen van een bijgebouw voor het keukenraam van [appellanten] . Dit betekent dat de duur van de hinder in beginsel onbeperkt is, althans zal voortduren zo lang dit bijgebouw blijft staan.



6.14.
Ten aanzien van de ernst van de hinder voeren [appellanten] . aan (grief II) dat zij veel belang hechten aan natuurlijk licht in de keuken. Het plaatsen van een bouwwerk tegen het raam zal resulteren in een volledige blokkering van het natuurlijke licht in de keuken, waardoor [appellanten] . volledig afhankelijk worden van kunstlicht. De keuken is een essentiële verblijfsruimte en door plaatsing van een bouwwerk voor het raam wordt het woongenot van [appellanten] . ernstig ingeperkt. Er is – aldus [appellanten] . – sprake van een kokereffect, althans zij zullen zich volledig opgesloten voelen door plaatsing van een bouwwerk voor het raam.



6.15.
Verder voeren [appellanten] . in dat verband aan (grief V) dat zij tijdens de
mondelinge behandeling in eerste aanleg op verzoek van de rechtbank via een mobiele telefoon foto’s en een schets van de keuken en woonkamer hebben getoond. Deze schets (productie 37 bij memorie van grieven) en – zo begrijpt het hof – foto’s zijn destijds niet aan het procesdossier toegevoegd. Volgens [appellanten] . betrof dit slechts een informele presentatie. De rechtbank is – aldus [appellanten] . – op basis van deze summiere en onvolledige weergave van de feitelijke situatie gekomen tot een onjuiste feitelijke opstelling van (de indeling van) de woning van [appellanten] . en heeft hierop haar onjuiste oordeel gebaseerd, inhoudende dat “de ernst van de hinder, indien geen of minder daglicht via het raam zou toetreden, (…) beperkt” is.



6.16.
Vast staat dat het keukenraam in de noordelijke muur het enige raam is in de
keuken van [appellanten] . Vast staat ook dat het raam vast en ondoorzichtig is, dat het raam zich bevindt op een hoogte van iets meer dan 2 meter en dat het raam 2,2 meter lang en 0,4 meter hoog is. Uit de door [appellanten] . in het geding gebrachte foto’s van (het raam van) de keuken en bovenaanzicht van de keuken en woonkamer (producties 36 en 38 bij memorie van grieven en productie 22 bij conclusie van antwoord) blijkt dat het raam zich bevindt aan de korte kant van de keuken. Uit de door [appellanten] . overgelegde tekening van de keukenindeling (productie 31 bij memorie van grieven) volgt dat zich onder het raam een kastenwand met koelkast, vriezer, oven, koffiemachine en lades bevindt. Aan de lange kant van de keukenmuur, die volgens [appellanten] . de scheiding vormt met de woning van hun andere buren, is het aanrecht met kookplaat en gootsteen geplaatst (producties 36 en 38 bij memorie van grieven). Tegenover de korte kant van de keuken bevindt zich de woonkamer. De keuken staat in rechtstreekse verbinding met de woonkamer (producties 36 en 38 bij memorie van grieven). In eerste aanleg hebben [appellanten] . plattegronden van de woning met de situatie vóór de verbouwing en met de geplande verbouwing in het geding gebracht (productie 8 bij conclusie van antwoord). Het hof stelt vast dat de hiervoor vermelde door [appellanten] . in hoger beroep alsnog in het geding gebrachte schets (productie 37 bij memorie van grieven) onderdeel uitmaakt van deze plattegronden en dus wel al in eerste aanleg deel uitmaakte van het procesdossier. Uit deze plattegronden valt op te maken dat de woonkamer beschikt over grote raampartijen, waaronder, zo valt ook op te maken uit de memorie van grieven (nr. 3.57), een schuifpui aan de zuidkant.



6.17.
Niet in geschil is dat [geïntimeerden] . op de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben toegezegd dat zij onderhoud door [appellanten] . aan de muur met het raam zullen toestaan, dat partijen het erover eens zijn dat tussen het te plaatsen bijgebouw en de muur sprake moet zijn van een zodanige afstand dat [appellanten] . onderhoud kunnen plegen en dat dit heeft geleid tot toewijzing van de vordering van [appellanten] . om [geïntimeerden] . te verbieden permanente bouwwerken neer te zetten tegen die muur, waardoor onderhoudswerkzaamheden niet uitgevoerd zouden kunnen worden. Uitgangspunt bij de verdere beoordeling is dan ook dat het door [geïntimeerden] . gewenste bouwwerk op enige afstand van de muur zal worden
geplaatst.



6.18.
Dit alles leidt het hof tot de conclusie dat de lichtinval door het keukenraam nu al beperkt is door de locatie van het raam (op het noorden en boven een diepe halfhoge kastenwand), de afmetingen en het feit dat het glas ondoorzichtig is, dat het ondoorzichtige keukenraam dan ook, zeker gelet op de grote raampartijen in de woonkamer, slechts een beperkte bijdrage levert aan de totale inval van natuurlijk licht in de keuken en dat de lichtinval door het keukenraam door plaatsing van een bouwwerk op enige afstand daarvan niet volledig zal worden beperkt, ook niet als het een bouwwerk met een hoogte van minimaal 2,50 meter betreft (grief III). Net als de rechtbank komt het hof dan ook tot het oordeel dat de ernst van de hinder door plaatsing van een bouwwerk op enige afstand van het raam beperkt is. Een mogelijk door [appellanten] . te ervaren ‘kokereffect’ is door [appellanten] . onvoldoende onderbouwd.



6.19.
Weliswaar is op voormelde door [appellanten] . overgelegde foto’s verschil te zien tussen de lichtinval in de keuken zonder belemmeringen voor het keukenraam en met bedekking van het keukenraam, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Terecht hebben [geïntimeerden] . betoogd dat alleen al door de wijze waarop foto’s worden genomen, zoals de afstand tot het raam bij het nemen van de foto’s en de hoek van waaruit de foto’s zijn genomen, een lichter of donkerder beeld gecreëerd kan worden. Daarbij komt dat door de plaatsing van het bouwwerk op enige afstand van het raam, geen sprake is van een volledige blokkade van het keukenraam zoals op de foto’s te zien is, zodat de foto’s geen getrouw beeld geven van de toekomstige situatie.


Functionele en economische waarde en schade




6.20.

[appellanten] . voeren aan (grieven V en VI) dat het raam een belangrijke functionele waarde vertegenwoordigt. Natuurlijke lichtinval in de keuken is een essentieel onderdeel van het woongenot en de leefbaarheid, bevordert het comfort en de functionaliteit van de ruimte en draagt bij aan een gezonde en aangename woonomgeving. Ook voeren zij aan (grieven V en VI) dat het raam een aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij op een door hen in het geding gebrachte verklaring van een makelaar (productie 26 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie), waarin deze tot de conclusie komt dat het raam “een weloverwogen en essentiële toevoeging” is “die de waarde van zowel de keuken als de gehele woning aanzienlijk verhoogt”.



6.21.
De makelaar schrijft in zijn verklaring “dat het plaatsen van een raam in deze zijwand de enige manier” was “om natuurlijk licht in de keuken te krijgen” en dat “Zonder dit raam en dus met enkel kunstlicht (…) de keuken aanzienlijk minder leefbaar” zou zijn. Het hof kent weinig betekenis toe aan de verklaring van de makelaar. Het hof is immers hiervoor tot de conclusie gekomen dat de lichtinval door het raam in de huidige situatie reeds beperkt is en dat het raam slechts een beperkte bijdrage levert aan de totale inval van natuurlijk licht in de keuken. Deze conclusie en het oordeel van het hof dat de ernst van de hinder door plaatsing van een bouwwerk op enige afstand van het raam beperkt is, maakt dat ook de invloed van een dergelijk bouwwerk op de functionele en economische waarde van (de lichtinval door) het raam beperkt is. Hetzelfde geldt voor de schade die door een bouwwerk zal worden toegebracht. Daarmee is ook het belang van [appellanten] . bij dit raam beperkt.



6.22.

[geïntimeerden] . hebben op hun beurt aangevoerd dat de extra vierkante meters verblijfsruimte van een bijgebouw voor hen in een aanzienlijke meerwaarde ten aanzien van leefgenot en comfort resulteren en dat het bijgebouw financieel een aanzienlijke meerwaarde oplevert.



6.23.
Ook als – zoals [appellanten] . betogen (grief IV) – de begane grond van de woning van [geïntimeerden] . 22 vierkante meter groter is dan waarvan [geïntimeerden] . in eerste aanleg bij hun betoog zijn uitgegaan, hebben [geïntimeerden] . naar het oordeel van het hof belang bij extra vierkante meters verblijfsruimte en daarmee bij plaatsing van een bijgebouw in hun tuin. Dat de bestemming van het bijgebouw (eerste of tweede thuiswerkplek, hobbyruimte, berging, speelruimte, gastenverblijf) nog niet definitief is (grief IV), doet daar niet aan af.


Alternatieven




6.24.
Anders dan [appellanten] . betogen (grieven III en VI), zijn er naar het oordeel
van het hof geen reële alternatieven voor de hoogte of de locatie van het bijgebouw.



6.25.
Het hof onderschrijft de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerden] . een gerechtvaardigd belang hebben bij een bijgebouw, inclusief dakconstructie, met een hoogte van minimaal 2,5 meter, omdat de heer [geïntimeerde 1] ruim twee meter lang is en een lager bijgebouw hen te veel zou beperken in de gebruiksmogelijkheden daarvan.



6.26.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] . voldoende hebben onderbouwd dat de meest logische plaats voor het bijgebouw langs de noordelijke zijmuur van de woning van [appellanten] . is.
Partijen verschillen van mening over de grens van het achtererfgebied – waarbinnen een vergunningsvrij bouwwerk geplaatst moet worden – in de tuin van [geïntimeerden] . Als uitgegaan wordt van de door [geïntimeerden] . voorgestane grens van het achtererfgebied (zie schetsen, productie 4 bij inleidende dagvaarding), is de ruimte voor plaatsing van het bijgebouw beperkt en is de enige voor de hand liggende plaats voor het raam, langs de noordelijke zijmuur van de woning van [appellanten] . Plaatsing van het bijgebouw in de lengte tegen de schutting van [geïntimeerden] . richting noordelijke zijmuur van de woning van [appellanten] . ligt niet voor de hand gelet op de positie van de toegang vanuit de woning van [geïntimeerden] . via de schuifpui tot het terras, zoals weergegeven op de door [geïntimeerden] . in het geding gebrachte schets (productie 5 bij inleidende dagvaarding). [appellanten] . stellen dat de grens van het achtererfgebied zich verder richting de straatkant bevindt (zie schets, productie 17 bij conclusie van antwoord, eis in reconventie). Ook als daarvan wordt uitgegaan, blijft de locatie voor het raam de meest voor de hand liggende plek. Niet alleen hebben [geïntimeerden] . al in eerste aanleg onweersproken gesteld dat het verder naar de straatkant positioneren van het bijgebouw ertoe zou leiden dat zij de hoek die daardoor zal ontstaan tussen de grens van hun perceel (naast/onder het raam van [appellanten] .) en het bijgebouw vanwege het ontbreken van zonlicht niet nuttig kunnen gebruiken, maar bovenal hebben zij al in eerste aanleg onweersproken aangevoerd dat het bijgebouw – gelet op de afmetingen daarvan – ook in dat geval voor het raam zal moeten komen te staan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [geïntimeerden] . laatstgenoemde stelling onweersproken herhaald.


Gang van zaken




6.27.
Niet in geschil is dat zich vóór de verbouwing in het plafond van de keuken van de woning van [appellanten] . een koepelraam bevond waardoor natuurlijk licht de keuken binnenviel. Vast staat dat [appellanten] . bij de verbouwing dit koepelraam hebben verwijderd en boven de keuken een tweede badkamer hebben gerealiseerd. [appellanten] . voeren aan dat een tweede badkamer noodzakelijk was vanwege de gezinsomstandigheden en dat verwijdering van de dakkoepel daarvoor onvermijdelijk was. Hoewel dit wel op hun weg had gelegen, hebben [appellanten] . de noodzaak van een tweede badkamer en de onvermijdelijkheid van plaatsing daarvan boven de keuken niet nader toegelicht, anders dan door vermelding dat hun gezin bestaat uit vier volwassen personen en dat het koepelraam oud was en lekte. Het hof moet het er dan ook voor houden dat [appellanten] . er zelf voor hebben gekozen de situatie te veranderen, zonder te voorzien in enige lichtinval vanuit de boven de keuken gerealiseerde badkamer, terwijl – zoals [geïntimeerden] . stellen – daartoe wel (technisch uitvoerbare) mogelijkheden bestonden.



6.28.
Partijen verschillen van mening over de gang van zaken in de periode rondom de vergunningaanvraag en -verlening en meer in het bijzonder over de vragen of [appellanten] . toen wel of niet hun bouwplannen hebben toegelicht aan [geïntimeerden] . en of [geïntimeerden] . toen wel of niet daartegen hebben geprotesteerd en te kennen hebben gegeven voornemens te zijn een bijgebouw te plaatsen. Naar eigen zeggen hebben [appellanten] . in ieder geval eind november 2020
– na verlening van de omgevingsvergunning, maar vóór afloop van de
bezwaartermijn – een aanvang gemaakt met de sloop van het koepelraam en de realisatie van de tweede badkamer. Vast staat dat [geïntimeerden] . op 22 december 2020 bezwaar hebben ingediend tegen de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben daarbij te kennen gegeven dat het door [appellanten] . geplande raam “voor hen nadelige gevolgen zou kunnen hebben in het verder inrichten van onze tuin, denk aan plaatsing van planten, bomen, speeltoestellen, schuur etc.”. Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 3 mei 2021 hebben [geïntimeerden] . aangevoerd dat zij van plan zijn een bijgebouw (“een soort atelier”) te plaatsen in hun tuin. Op 6 mei 2021 – dus vóór afloop van de beroepstermijn in de kortgedingprocedure – is het raam in de noordelijke zijmuur van de woning van [appellanten] . geplaatst.



6.29.
Het hof onderschrijft de overweging van de rechtbank dat [appellanten] . de plaatsing van het raam hebben doorgezet terwijl zij wisten van de bezwaren van [geïntimeerden] . en dat een reëel risico bestond dat een bouwwerk in de tuin van [geïntimeerden] . de lichtinval via het keukenraam zou kunnen blokkeren of verminderen. Met het weghalen van de dakkoepel hebben [appellanten] . bewust gekozen voor minder daglichttoetreding in hun keuken en zij hebben daarbij het risico aanvaard dat het op 6 mei 2021 geplaatste raam in de toekomst niet altijd voor (ongehinderde) daglichttoetreding zou kunnen zorgen. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
De enkele omstandigheid dat er nog geen concreet uitgewerkte plannen waren of zelfs
zijn voor een door [geïntimeerden] . te plaatsen (vergunningsvrij) bouwwerk

(grief VI), betekent niet dat [appellanten] . niet op de hoogte waren of geen rekening dienden te houden met het voornemen van [geïntimeerden] . tot plaatsing van een bouwwerk. Dat – zoals [appellanten] . ook betogen – de door [geïntimeerden] . in de procedures genoemde functies van het bijgebouw en ook de bezwaren tegen het raam steeds wisselen, maakt dit niet anders.



6.30.
Met de rechtbank komt het hof daarmee tot het oordeel dat [appellanten] . de huidige situatie zelf in het leven hebben geroepen. Ook het hof kent veel gewicht toe aan deze omstandigheid.


Conclusie




6.31.
Op grond van al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat van onrechtmatige hinder door plaatsing van een bijgebouw voor het raam van [appellanten] . zoals door [geïntimeerden] . voorgestaan geen sprake is.



6.32.
Daarvoor acht het hof vooral van belang dat de lichtinval door het raam nu al beperkt is, dat het raam slechts een beperkte bijdrage levert aan de totale inval van natuurlijk licht in de keuken en dat de lichtinval door het raam door plaatsing van een bouwwerk op enige afstand daarvan niet volledig zal worden beperkt, zodat de ernst van de hinder door een bouwwerk beperkt is en ook de invloed van een bouwwerk op de functionele en economische waarde van (de lichtinval door) het raam beperkt is evenals de schade die daardoor zal worden toegebracht. Het belang van [appellanten] . bij dit raam is dan ook beperkt. Daarbij komt dat [appellanten] . er zelf voor hebben gekozen de situatie te veranderen en de plaatsing van het raam hebben doorgezet terwijl zij wisten van de bezwaren van [geïntimeerden] . [appellanten] . hebben het risico aanvaard dat het raam in de toekomst niet altijd voor (ongehinderde) daglichttoetreding zou kunnen zorgen. Rekening houdend met het gewicht van het belang van [geïntimeerden] . om een bijgebouw in hun tuin te kunnen bouwen, gelet op de daarmee te creëren (functionele en financiële) meerwaarde, en de omstandigheid dat er geen reële alternatieven voor (hoogte of locatie van) het bijgebouw zijn, komt het hof tot de conclusie dat de hinder niet van dien aard is dat deze onrechtmatige hinder oplevert als bedoeld in artikel 5:37 BW.


Misbruik van recht, voldoende belang?




6.33.

[appellanten] . beroepen zich nog op misbruik van eigendoms- en procesrecht (grief VI).



6.34.
Van misbruik van bevoegdheid is onder meer sprake als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel waarvoor zij is verleend of als degene aan wie de bevoegdheid toekomt, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). [geïntimeerden] . hebben een gerechtvaardigd belang om gebruik te maken van hun eigendomsrecht, om hun tuin te kunnen inrichten op de wijze als door hen gewenst en om daar een bouwwerk te kunnen plaatsen als door hen gewenst. Daartegenover hebben [appellanten] . hun beroep op misbruik van eigendomsrecht onvoldoende onderbouwd, zodat dit beroep faalt.



6.35.
Hiervoor heeft het hof al overwogen dat aan een vonnis of arrest in kort geding
geen gezag van gewijsde toekomt. Anders dan [appellanten] . betogen, is van het opnieuw aanhangig maken van eenzelfde geschil op dezelfde gronden en feiten na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van het hof van 12 juli 2022 dan ook geen sprake. Ook het beroep van [appellanten] . op misbruik van procesrecht faalt.



6.36.
Anders dan [appellanten] . aanvoeren, vloeit uit het voorgaande ook voort dat [geïntimeerden] . voldoende belang hebben bij het instellen van hun rechtsvordering in de zin van artikel 3:303 BW (grief VI). Zij hebben op grond van hun eigendomsrecht belang bij hun vordering dat het hen wordt toegestaan een bouwwerk of andere zaken voor het raam van [appellanten] . te plaatsen.


Publiekrechtelijke bepalingen




6.37.

[appellanten] . betogen tot slot dat toewijzing van de eis van [geïntimeerden] . in strijd is met publiekrechtelijke en planologische regelgeving (grief VII). Het bijgebouw is – aldus [appellanten] . – niet vergunningsvrij of vergunningswaardig.



6.38.
Het rechterlijk oordeel in deze civielrechtelijke procedure over de vraag of het [geïntimeerden] . is toegestaan een bouwwerk of andere zaken voor het raam van [appellanten] . te plaatsen, doet niet af aan eventuele planologische en publiekrechtelijke vereisten die gesteld worden aan het plaatsen van een dergelijk bouwwerk of andere zaken in de tuin van [geïntimeerden] . Aan deze vereisten dienen [geïntimeerden] . uiteraard, los van het oordeel in deze civielrechtelijke procedure, te voldoen. Beide procedures kennen een ander juridisch toetsingskader.


Bewijsaanbod




6.39.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] . toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.


In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep




6.40.
De grief in incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat grief
I in het principaal hoger beroep slaagt. Aan die voorwaarde is niet voldaan, zodat het hof niet aan de grief in incidenteel hoger beroep toekomt.


In principaal en in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep



Slotsom en proceskosten




6.41.
De slotsom is dat het principaal hoger beroep geen succes heeft. Aan het incidenteel hoger beroep komt het hof niet toe. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Met grief VIII klagen [appellanten] . over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Nu de grieven falen, zijn zij echter terecht door de rechtbank in conventie en in reconventie als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. [appellanten] . zullen als in het ongelijk gestelde partij ook worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. Nu het hof aan beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet is toegekomen, blijft een kostenveroordeling in incidenteel hoger beroep achterwege.






7Beslissing

Het hof:


rechtdoende in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:


bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het hof voorgelegd;

veroordeelt [appellanten] . in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] . begroot op € 349,00 aan verschotten en € 3.870,00 (tarief € 1.290,00 x 3 punten) voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, K. van Dijk en A.J.M. Lauvenberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
Link naar deze uitspraak