Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:9031 
 
Datum uitspraak:08-09-2026
Datum gepubliceerd:11-09-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12143151 CV EXPL 26-387 12143151 CV EXPL 26-387
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Een Amsterdammer die een rekening voor een uitvaart in juli 2022 maar deels betaalde, hoeft de uitvaartonderneming niets meer te betalen omdat bepaalde informatieplichten zijn geschonden.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter

Zaaknummer: 12143151 \ CV EXPL 26-3871


Vonnis van 8 september 2026


in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PC UITVAART BEGELEIDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,

tegen



[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De beoordeling


2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 1.053,65 aan hoofdsom. Tussen partijen is een overeenkomst gesloten met betrekking tot een uitvaart. De overeenkomst is op 20 juli 2022 gesloten bij gedaagde partij, althans bij de overledene thuis. De opdrachtbevestiging heeft gedaagde partij ondertekend. Eisende partij heeft na de uitvaart een gespecificeerde factuur van € 9.553,65 gestuurd, maar deze is niet volledig door gedaagde partij betaald.



2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onder meer moet worden onderzocht of de informatieplichten zijn nageleefd.



2.3.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eisende partij verwijst voor de essentiële informatieplichten naar de ondertekende opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden, waarbij zij opmerkt dat geen informatie is verstrekt over het ontbindingsrecht. Eisende partij stelt zich op het standpunt dat haar dienstverlening valt onder de uitzondering als bedoeld in artikel 6:230p onder f sub 1 BW. Eisende partij verwijst ook naar een vonnis van deze rechtbank, waarin kort gezegd is overwogen dat dienstverlening met betrekking tot uitvaartverzorging behoort te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht.



2.4.
De kantonrechter stelt vast dat in de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden de meeste essentiële informatie staat, met uitzondering van informatie over de adres- en contact gegevens van de handelaar (artikel 6:230m lid 1 onder c BW) en het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 2 onder h BW).



2.5.
Ondanks dat de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat dienstverlening met betrekking tot uitvaartverzorging behoort te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht en daarom niet is gesanctioneerd, wordt in het recente arrest van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2026:2200) aanleiding gezien daarop terug te komen. Volgens het gerechtshof bevat een overeenkomst tot het verzorgen van een uitvaart elementen van verschillende typen overeenkomsten, zodat in zoverre sprake is van een gemengde overeenkomst. Dit kan er echter niet toe leiden dat, zonder dat de wet hierin voorziet, voor een overeenkomst tot uitvaartverzorging het ontbindingsrecht in zijn geheel komt te vervallen. Met het oog op artikel 6:230p, aanhef en onder d, BW ligt het op de weg van de uitvaartverzorger om als voorwaarde voor het beginnen van de uitvoering van de overeenkomst, van de consument te verlangen dat hij zijn uitdrukkelijke voorafgaande toestemming met uitvoering binnen de ontbindingstermijn (schriftelijk) bevestigt en een verklaring ondertekent waarmee hij afstand doet van zijn ontbindingsrecht nadat de diensten volledig zijn verricht. Voor de uitvaartonderneming is dit een simpele handeling die ook anderszins niet bezwaarlijk voorkomt.



2.6.
De kantonrechter sluit zich hierbij aan. Dat maakt dat overeenkomstig de landelijke Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten een sanctie zal worden opgelegd voor de hiervoor vastgestelde schendingen. Deze sanctie bestaat uit gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd met 20%. De wettelijke sanctie als bedoeld in artikel 6:230o lid 2 BW, te weten verlenging van de ontbindingstermijn, is niet aan de orde omdat de maximale termijn ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding reeds was verstreken.



2.7.
De betalingsverplichting van gedaagde partij bedroeg € 9.553,65. De sanctie komt daarmee uit op € 1.910,73. Dit bedrag overstijgt ruimschoots de openstaande vordering. Geen aanleiding wordt gezien om de sanctie over het thans nog openstaande gedeelte van de vordering toe te passen, omdat gedaagde partij in dat geval wordt benadeeld doordat hij al een groot deel van de vordering heeft betaald.



2.8.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.



2.9.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.







3De beslissing

De kantonrechter


3.1.
wijst de vordering af,



3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.









Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.















































991
Link naar deze uitspraak