Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8534 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/1235
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is gegrond. Belanghebbende heeft gesteld dat niet aan de opbrengstlimiet is voldaan. De heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende niet betwist, heeft geen inzicht verschaft in en geen stukken overgelegd van (de componenten van) de kostenraming en was ook niet aanwezig op zitting om een toelichting te geven. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 2,15.
Trefwoorden:belastingrecht
naheffingsaanslag
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/1235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, verbonden aan verkeersboete.nl),

en



de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar met dagtekening 25 augustus 2025 over de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer].


1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van niet tijdig beslissen. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ontvankelijk en gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.


Is er sprake van een beroep niet tijdig beslissen?

3. De heffingsambtenaar heeft op 17 juli 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende hiertegen op 25 juli 2025 digitaal bezwaar heeft gemaakt. De heffingsambtenaar stelt dat hij met dagtekening 31 juli 2025 uitspraak op bezwaar heeft gedaan.


3.1.
Gemachtigde voert aan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen. In dat geval moet ervan uit worden gegaan dat hierin de betwisting van de (tijdige) verzending van dat besluit besloten ligt. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om die verzending aannemelijk te maken. Dit bewijs kan het bestuursorgaan bijvoorbeeld leveren door overlegging van een verzendadministratie van een per post verzonden stuk of een logbestand waaruit blijkt dat, en op welke datum en welk tijdstip, een e-mail vanuit het door hem gebruikte systeem voor gegevensverwerking is verzonden naar het systeem van de internetserviceprovider van de belanghebbende.



3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar, door middel van het overgelegde logbestand, aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op 31 juli 2025 om 19:13 uur per e-mail is verzonden. Belanghebbende heeft het overgelegde logbestand ook niet betwist. De uitspraak op bezwaar is op de juiste wijze bekend gemaakt. Er is geen sprake van niet tijdig beslissen. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is dan ook niet-ontvankelijk.


Is het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar ontvankelijk?

4. Belanghebbende heeft te kennen gegeven dat het beroep ook is gericht tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank zal beoordelen of dat beroep tijdig is ingesteld. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Aangezien de uitspraak op bezwaar op 31 juli 2025 op de juiste wijze bekend is gemaakt, eindigde de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 11 september 2025. Het beroepschrift van 3 maart 2026 is niet tijdig ingediend.



4.1.
De rechtbank constateert echter dat uit het schrijven van 25 augustus 2025 van gemachtigde aan de heffingsambtenaar (het tweede bezwaarschrift) al blijkt dat belanghebbende het (nog steeds) niet eens is met de hoogte van de naheffingsaanslag. Op dat moment was al uitspraak op bezwaar gedaan en kon belanghebbende slechts door middel van beroep zijn gronden aanvoeren. De heffingsambtenaar had dit schrijven dan ook zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de rechtbank, waarna de rechtbank het in behandeling diende te nemen als beroepschrift. Het verzuim van de heffingsambtenaar, om het bezwaarschrift niet door te zenden als beroepschrift, mag niet ten nadele van belanghebbende strekken. Om die reden geldt voor de ontvankelijkheid van het beroepschrift de datum van ontvangst bij de heffingsambtenaar. Het beroep is binnen de beroepstermijn ingediend en dus ontvankelijk.


Is het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar gegrond?

5. Belanghebbende heeft aangegeven het niet eens te zijn met de uitspraak op bezwaar, omdat een onjuist uurtarief in rekening is gebracht en de kosten van de naheffing te hoog zijn vastgesteld.



5.1.
De rechtbank constateert dat de tariefberekening juist is. De naheffingsaanslag is opgelegd wegens parkeren in de Burgemeester Verwielstraat. Deze straat valt, gelet op de Tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2025,onder ‘Zone Centrum’. Het tarief bedraagt voor het eerste kwartier € 0,25, voor het tweede en het derde kwartier, per kwartier € 0,55, voor het vierde kwartier € 0,80 en voor het tweede uur en verder, per uur € 2,40. Het tarief voor het eerste uur parkeren bedraagt € 2,15 (€ 0,25 + € 0,55 + € 0,55 + € 0,80). Deze grond slaagt dus niet.



5.2.
Belanghebbende heeft verder gesteld dat niet aan de opbrengstlimiet is voldaan. Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om in dat geval toetsing van de kosten van de naheffingsaanslag mogelijk te maken. De heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende niet betwist, heeft geen inzicht verschaft in en geen stukken overgelegd van (de componenten van) de kostenraming en was ook niet op de zitting om een toelichting te geven. De rechtbank kan daarom niet controleren of aan de voorwaarden is voldaan. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de opbrengstlimiet is geschonden. Dit betekent dat het kostendeel van de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De naheffingsaanslag zal derhalve verminderd moeten worden naar een bedrag van € 2,15, bestaande uit enkel de parkeerbelasting.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 2,15.


6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht.



6.2.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. In beroep heeft belanghebbende recht op vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de kosten vast op € 453,50, omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en wordt uitgegaan van een lichte zaak (parkeerbelasting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Conform het verzoek van belanghebbende zal de rechtbank beslissen dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 31 juli 2025 gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar van 31 juli 2025;


vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2,15;


bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende;


beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier.












griffier


rechter














De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.





Vgl. Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709.


Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Dit volgt uit artikel 6:15, tweede lid van de Awb en Hoge Raad 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL6905.


Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en Hoge Raad 28 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3893, r.o. 3.3.


1 punt (beroepschrift) met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 0,5 (licht).


Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
Link naar deze uitspraak