Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:8533 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:14-09-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/1604 en 25/1605
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:De rechtbank oordeelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de heffingsambtenaar. Dit betekent dat de door belanghebbende aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en moet worden beoordeeld of de bezwaren wel of niet gegrond zijn. De rechtbank heeft deze beoordeling zelf gedaan en de zaak niet teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de aanslag OZB 2022 ongegrond is en het bezwaar tegen de aanslagen OZB en rioolheffing 2023 gegrond is.
Trefwoorden:belastingrecht
huurovereenkomst
ozb
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1604 en 25/1605


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 september 2026 in de zaken tussen




[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.P.M. Dexters),

en



de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 januari 2025. De beroepen zien op aanslagen onroerendezaakbelasting gebruiker (OZB) over de jaren 2022 en 2023 en de aanslag rioolheffing gebruiker over het jaar 2023 voor het object aan [adres] met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] .


1.1.
De aanslagen zijn opgelegd aan [bedrijf 1] B.V. Dit is de voorganger van belanghebbende.



1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] (bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende) en mr. M.P. van Vroonhoven (kantoorgenoot van gemachtigde) en namens de heffingsambtenaar mr. A.G. Hendriks.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de heffingsambtenaar. Dit betekent dat de door belanghebbende aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en moet worden beoordeeld of de bezwaren wel of niet gegrond zijn. De rechtbank heeft deze beoordeling zelf gedaan en de zaak niet teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de aanslag OZB 2022 ongegrond is en het bezwaar tegen de aanslagen OZB en rioolheffing 2023 gegrond is. De rechtbank zal haar oordelen en de gevolgen daarvan hieronder nader uitleggen.






Zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard?

3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.


3.1.
De dagtekening van de aanslagen is 30 september 2022 en 31 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren op 28 oktober 2024 ontvangen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend. Belanghebbende betwist dat de aanslagen op de juiste wijze zijn bekendgemaakt. Zij betwist zowel de juistheid van het adres als de verzending van de aanslagen.



3.2.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar bij de verzending van de aanslagen mocht uitgaan van het [adres]. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt immers dat belanghebbende tot 15 oktober 2022 stond ingeschreven op dit adres. Belanghebbende heeft ook op zitting bevestigd dat zij tot die datum op dat adres gevestigd was. De heffingsambtenaar mocht voor de aanslag OZB 2022 dan ook zonder meer uitgaan van deze gegevens.



3.3.
Aangezien belanghebbende na 15 oktober 2022 geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de heffingsambtenaar nam zij daarbij het risico dat post later, dan wel te laat wordt ontvangen. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico en rekening van belanghebbende. Anders dan belanghebbende stelt, geldt niet de verplichting voor de heffingsambtenaar om voor het versturen van aanslagen het adres te controleren in het handelsregister. De aanslagen zijn dus juist geadresseerd.



3.4.
Belanghebbende voert aan dat zij eerst bij e-mailbericht van 1 oktober 2024 bekend is geworden met de aanslagen. De heffingsambtenaar heeft volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de aanslagen zijn verzonden. In dat geval vangt de bezwaartermijn pas aan op het moment dat belanghebbende de aanslagen heeft ontvangen en zouden de bezwaren tijdig zijn. De heffingsambtenaar heeft hierop gereageerd en voert aan dat voor de verzending van de aanslagen gebruik is gemaakt van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]). De heffingsambtenaar heeft schermprints overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat de aanslagen zijn aangeleverd aan [bedrijf 2] en per post zijn verzonden.



3.5.
De rechtbank overweegt dat, nu belanghebbende de verzending van de aanslagen betwist, de heffingsambtenaar die verzending (de aanbieding van een juist geadresseerd stuk aan een postvervoerbedrijf) aannemelijk dient te maken. Daartoe zal de heffingsambtenaar mede aannemelijk moeten maken dat, en aan welk, postvervoersbedrijf het desbetreffende stuk is aangeboden.



3.6.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de aanslagen zijn aangeboden aan [bedrijf 2] en dit ook door het systeem is verwerkt, maar niet aannemelijk is geworden dat de aanslagen daadwerkelijk aan een postvervoerder zijn aangeboden. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 2] ten tijde van de verzending van de aanslagen zelf als postvervoerder was aan te merken. Het is ook niet duidelijk geworden aan welke postvervoerder de aanslagen dan zijn aangeboden. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat de aanslagen eerder dan op 1 oktober 2024 bekend zijn gemaakt. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat op dat moment de bezwaartermijn is gaan lopen. De bezwaren zijn tijdig ingesteld en dus ontvankelijk.


Is belanghebbende terecht aangemerkt als gebruiker?

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij niet de gebruiker was van het object aan [adres] . Het object werd tot uiterlijk 20 oktober 2022 gebruikt door [bedrijf 3] B.V. dan wel [bedrijf 4] B.V. Dit blijkt volgens belanghebbende ook uit de huurovereenkomst die is overlegd. Belanghebbende voert verder aan dat zij op 18 mei 2022 aan de heffingsambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat het niet duidelijk was waarom eerdere aanslagen op naam van belanghebbende werden gesteld en dat belanghebbende een niet-actieve BV was..



4.1.
De heffingsambtenaar heeft van de eigenaar van het object een melding ontvangen dat het volledige object sinds 30 april 2021 in gebruik was bij belanghebbende. Belanghebbende stond vanaf 27 november 2020 tot 15 oktober 2022 in het handelsregister ook ingeschreven op dit adres. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat zij stond ingeschreven op het [adres]. Volgens belanghebbende is voor dit adres gekozen omdat ook andere concernvennootschappen op dit adres gevestigd waren en dit administratief het meest eenvoudig was, belanghebbende was geen actieve B.V.



4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar ervan mocht uitgaan dat belanghebbende bij de aanslag OZB 2022 op de peildatum 1 januari 2022 tot aan de uitschrijving uit het handelsregister op 15 oktober 2022 gebruiker was van het object. Uit de e-mail van belanghebbende van 18 mei 2022 aan de heffingsambtenaar volgt niet dat belanghebbende het object in het geheel niet gebruikte. Naar aanleiding van die e-mail is aan belanghebbende gevraagd of zij van mening is dat de gebruikersbelasting aan een andere BV moet worden opgelegd, maar daar heeft zij niet op gereageerd. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om gemotiveerd te betwisten en te onderbouwen dat geen sprake is van gebruik. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat het pand aan een ander bedrijf werd verhuurd, sluit niet uit dat belanghebbende de onroerende zaak eveneens gebruikte. Een object kan immers meerdere gebruikers hebben en in dat geval heeft de heffingsambtenaar de keuze ten name van wie de aanslag wordt gesteld.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar voor het jaar 2023 niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op peildatum 1 januari 2023 gebruiker was van het object. Belanghebbende was op dat moment al uitgeschreven op het adres uit het handelsregister. Daarnaast is [bedrijf 4] B.V. op 25 oktober 2022 failliet verklaard en heeft de curator de huurovereenkomst opgezegd. Belanghebbende heeft verder onweersproken gesteld dat de sloten van het pand toen zijn vervangen, waarmee toegang ook niet meer mogelijk was. De heffingsambtenaar heeft daar niets tegen in gebracht op grond waarvan gebruik door belanghebbende aannemelijk zou zijn. Het bezwaar is gegrond.


Wat betekent dit voor de aanslagen OZB 2022 en 2023?

5. Ingevolge artikel 220, aanhef en letter a, Gemeentewet, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder a Verordening van de raad van Waalwijk houdende bepalingen over de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2022 en 2023, wordt een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een binnen de gemeente Waalwijk gelegen onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, gebruikt (de gebruiksbelasting).



5.1.
De passage ‘bij het begin van het kalenderjaar’ moet in dit geval worden gelezen als ‘op 1 januari 2022’ respectievelijk ‘op 1 januari 2023’. Omdat de rechtbank hiervoor heeft beslist dat belanghebbende op 1 januari 2022 gebruik maakte van het object, was zij voor het jaar 2022 belastingplichtig voor de OZB als gebruiker. Die aanslag is daarom terecht opgelegd. Omdat de rechtbank hiervoor heeft beslist dat niet aannemelijk is dat belanghebbende op 1 januari 2023 gebruik maakte van het object, was zij voor het jaar 2023 niet belastingplichtig voor de OZB als gebruiker. Die aanslag is daarom onterecht opgelegd en moet worden vernietigd.


Wat betekent dit voor de aanslag rioolheffing gebruiker?

6. Op grond van artikel 3 van de Verordening rioolheffing 2023 van de gemeente Waalwijk wordt rioolrecht geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. De verschuldigde belasting wordt naar tijdsgelang geheven op grond van artikel 9 van de Verordening rioolheffing 2023. Omdat belanghebbende in 2023 niet belastingplichtig is geweest voor de rioolheffing, zal de rechtbank ook de aanslag rioolheffing gebruiker vernietigen.


Heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase?

7. De rechtbank stelt voorop dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan alleen worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt als volgt.



7.1.
Belanghebbende heeft op 18 mei 2022 per mail contact gezocht met de heffingsambtenaar over de tenaamstelling van eerdere aanslagen. De heffingsambtenaar heeft hierop gereageerd, de situatie uitgelegd en aangegeven dat belanghebbende kon reageren als zij van mening was dat de aanslagen aan een andere B.V. moeten worden opgelegd. Belanghebbende heeft hier vervolgens niet op gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de heffingsambtenaar in dit geval niet worden verweten dat de aanslagen over 2023 worden herroepen, aangezien de heffingsambtenaar mocht uitgaan van de mededeling van de eigenaar dat belanghebbende gebruiker was van het object, de inschrijving van belanghebbende op dat adres in het handelsregister en de veronderstelling dat het gebruik voortduurde. Belanghebbende heeft vóór het opleggen van de aanslagen de heffingsambtenaar niet (duidelijk) geïnformeerd dat het gebruik is beëindigd, ook niet toen naar aanleiding van de e-mail van 18 mei 2022 de mogelijkheid is geboden op het gemotiveerde standpunt van de heffingsambtenaar te reageren.




Conclusie en gevolgen

8. De bezwaren van belanghebbende zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Alleen al daarom zijn de beroepen gegrond. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende op 1 januari 2023 belastingplichtig was zal de rechtbank de aanslagen OZB en rioolheffing gebruiker 2023 vernietigen. De aanslag OZB 2022 blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.


8.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814, omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen gegrond;
 vernietigt de uitspraken op bezwaar;
 verklaart het bezwaar tegen de aanslag OZB gebruiker voor het jaar 2022 ongegrond;
 vernietigt de aanslag OZB gebruiker voor het jaar 2023;
 vernietigt de aanslag rioolheffing gebruiker voor het jaar 2023;
 bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden;
 veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan belanghebbende.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier.












griffier


rechter






De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.





Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41.


Dit volgt uit artikel 253 Gemeentewet.


Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.


2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 1.
Link naar deze uitspraak