|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:8753 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/5918 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | proces-verbaal mondelinge uitspraak, parkeerbelasting, beroep is gegrond, invalideparkeerplaats | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5918
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 27 augustus 2028 afgemeld voor de zitting.
1.4.
Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.
Overwegingen
2. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 10 oktober 2025 geparkeerd stond aan de [straat] te [plaats] en dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan. Deze locatie is door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen als plaats waar, in de reguliere parkeervakken, tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. De [straat] heeft ook enkele vakken met bijzondere gebruikstoepassingen, zoals parkeren voor invaliden. Ook is niet in geschil dat op 10 oktober 2025 de gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar achter de voorruit van de auto was geplaatst.
2.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat hij op 10 oktober 2025 geparkeerd stond op een invalidenparkeerplaats aan de [straat] te [plaats] en dat voor het parkeren op een invalidenparkeerplaats geen parkeerbelasting verschuldigd is.
2.2.
Vast staat dat er een invalidenparkeerplaats is aan de [straat] in [plaats] ter hoogte van de winkel met de naam [naam] . Deze invalideparkeerplaats is aangeduid met een witte markering met een haakse hoek aan beide zijden van het parkeervak, aan de ene zijde in de vorm van een L en aan de andere zijde in de vorm van een spiegelbeeldige L. Op de stoep staat het bord dat aanduidt dat dit vak is aangewezen als invalidenparkeerplaats (verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Het vak is voorzien van klinkers en een tegel met het symbool voor invaliden (rolstoelpictogram). Dit vak wordt in dit proces-verbaal aangeduid als vak A.
2.3.
Uit de foto’s van de scanauto blijkt dat het eerstvolgende vak in de rijrichting van de rijbaan (links naast vak A) ook een markering heeft. Dit betreft een witte doorgetrokken streep (zonder haakse hoek). Dit vak wordt aangeduid als vak B.
2.4.
Uit de foto’s die door belanghebbende zijn overgelegd, is te zien dat bij vak B verkeersbord E6 ontbreekt. Wel is in dit vak een tegel te zien met het symbool voor invaliden (rolstoelpictogram).
2.5.
Op de foto’s van de heffingsambtenaar is dit deel van vak B niet zichtbaar. Op één van de foto’s is in de hoek een vlak zichtbaar wat duidelijk afwijkend is van de overige klinkers en een kleur heeft die overeenkomt met de tegel op de foto’s van belanghebbende. Omdat de foto niet het hele vak weergeeft, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of ten tijde van de controle inderdaad in vak B een tegel aanwezig was met het symbool voor invaliden (rolstoelpictogram). Er staat weliswaar geen invalidenparkeerplaats-bord, maar er is wel een duidelijke witte markering aanwezig.
2.6.
Op de heffingsambtenaar rust de plicht om aannemelijk te maken dat terecht parkeerbelasting is nageheven. De foto's van belanghebbende vragen om een nadere reactie van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft echter niet op de nadere stukken van belanghebbende gereageerd en heeft er voor gekozen om niet op de zitting te verschijnen. Nu de onzekerheid over de aanduiding in de betegeling van vak B niet kan worden weggenomen, is de heffingsambtenaar niet in zijn bewijstaak geslaagd.
2.7.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte opgelegd.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
bepaalt dat heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 (de Verordening) en artikel 1 Aanwijzingsbesluit Parkeerbelastingen Breda 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|