Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:26313 
 
Datum uitspraak:25-08-2026
Datum gepubliceerd:21-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 26/5535
Rechtsgebied:Ambtenarenrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening procedure. Verweerder heeft verzoeker ontslag verleend wegens wangedrag. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder dit besluit mocht nemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dus af.
Trefwoorden:arbeidsconflict
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5535

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D.C. Coppens),

en



de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: majoor dr. S. van de Put).




Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) waarmee aan verzoeker ontslag is verleend. Verzoeker heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
Verzoeker heeft op 7 augustus 2026 aanvullende stukken ingediend.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mr. L.A. Visser.





Beoordeling door de voorzieningenrechter


Waar gaat deze zaak over?


2. Verzoeker heeft de rang opperwachtmeester en is op [datum] 1996 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht. Vanaf 1999 is hij opgeleid tot [functienaam 1] . Met ingang van 2001 is zijn aanstelling gewijzigd en is hij een omscholingsopleiding tot onderofficier gaan volgen. Sindsdien heeft hij verschillende operationele functies in de schietwereld vervuld, waaronder verschillende instructeursfuncties bij het Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre (OTCMAN), dat weer onderdeel uitmaakt van het Commando Landstrijdkrachten (CLAS). Kort gezegd stelt verzoeker zich op het standpunt dat vanaf 2014 geen sprake meer is van een veilige werkomgeving binnen dit Defensieonderdeel, omdat zijn wapenverloven toen op basis van meldingen van binnenuit zijn ingetrokken. Verzoeker heeft zich sindsdien door de jaren heen meerdere keren ziekgemeld vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Een tussen partijen op 19 september 2018 gesloten vaststellingsovereenkomst en een op 27 november 2023 in gang gezet mediatontraject hebben niet tot duurzame werkhervatting geleid. Voor een uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis wordt verwezen naar de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025.


2.1.
Om de impasse te doorbreken en verzoeker weer duurzaam aan het werk te krijgen, heeft verweerder hem met de brief van 21 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken zelf een keuze te maken tussen twee functies waarop hij geplaatst kan worden, te weten [functienaam 2] bij het OTCMAN en [functienaam 3] . Als verzoeker niet binnen deze termijn aan zou geven op welke functie hij wil worden geplaatst, dan zou verweerder hem zelf één van deze twee functies toewijzen. Omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn een keuze heeft gemaakt, heeft verweerder met het besluit van 26 september 2025 de functie van [functienaam 3] aan hem toegewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Met de uitspraak van 27 november 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat verweerder deze functie in redelijkheid aan verzoeker heeft kunnen toewijzen. Met het besluit van 16 februari 2026 heeft verweerder op het bezwaar van verzoeker beslist en het eerdere besluit van 26 september 2025 gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen bij deze rechtbank beroep ingesteld. Deze beroepsprocedure loopt op dit moment nog.



2.2.
Verzoeker is op de aanvangsdatum van de plaatsing op zijn nieuwe functie niet op zijn werkplek verschenen. Verweerder heeft dit aangemerkt als ongeoorloofde afwezigheid en werkweigering. Met de brief van 14 oktober 2025 heeft verweerder verzoeker daarom een waarschuwing gegeven en hem opgedragen om zich op 16 oktober 2025 alsnog op zijn werkplek te melden. Ook daarna is verzoeker echter niet op zijn werkplek verschenen. Op 4 november 2025 heeft de Commandant Infanterie [legerplaats] aangifte tegen verzoeker gedaan bij de Koninklijke Marechaussee vanwege ongeoorloofde afwezigheid. Na de zitting bij de voorzieningenrechter op 13 november 2025 over de procedure omtrent de functietoewijzing heeft verzoeker zich ziekgemeld en is hij tot op heden niet op zijn nieuwe werkplek verschenen.



2.3.
Uit het voorgaande leidt verweerder af dat verzoeker, vanaf de aanvangsdatum van zijn nieuwe functie tot aan zijn ziekmelding van 13 november 2025, zonder geldige reden niet is verschenen op zijn werkplek, dienstopdrachten heeft geweigerd en ook niet bereikbaar was voor zijn commandant. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker zich hiermee herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan werkweigering en heeft hem vanwege dit wangedrag met het bestreden besluit met ingang van 15 juli 2026 ontslag verleend.



Wat vindt verzoeker?


3. Verzoeker is het niet eens met het ontslagbesluit en heeft naast het maken van bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hierin stelt hij kort samengevat het volgende. De ongeoorloofde afwezigheid kan verzoeker niet worden verweten omdat binnen zijn eenheid nog steeds sprake is van een onveilige werkomgeving. Dezelfde personen die betrokken waren bij de kwestie omtrent de intrekking van zijn wapenverloven zijn daar namelijk nog steeds werkzaam, ook in de bovenste regionen van de eenheid. Verzoeker heeft meerdere pogingen gedaan om het conflict op te lossen, echter blijft een impasse bestaan omdat zijn meldingen hieromtrent steeds niet worden doorgezet binnen de organisatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een voor hem onveilige werkomgeving heeft verzoeker meerdere stukken ingebracht. Zo volgt uit meerdere rapportages verzuimbegeleiding die zijn opgesteld door verschillende bedrijfsartsen onder meer dat geen herstel te verwachten is zolang de huidige situatie voortduurt en dat de beperkte arbeidsmogelijkheden die er zijn slechts buiten het CLAS kunnen worden benut. Als verweerder zich op het standpunt stelt dat deze rapportages feitelijk onjuist zijn, dan lag het voor de hand dit te bespreken binnen het Sociaal Medisch Team (SMT). Dit is echter niet gebeurd. De betreffende rapportages zijn qua inhoud geheel in lijn met het eerdere advies van de bedrijfsmaatschappelijk werker van 7 november 2025, om verzoeker niet te plaatsen binnen dezelfde eenheid of commandostructuur waar de ervaren onveiligheid zich heeft voorgedaan. Anders dan verweerder heeft betoogd, is dit advies wel degelijk op initiatief van de commandant van verzoeker opgesteld. Verder heeft het Diensten Centrum Re-integratie (DCR) meerdere malen geadviseerd om verzoeker niet te plaatsen vanwege het arbeidsconflict en is ook vanuit de MGGZ aangegeven dat verzoeker niet kan worden behandeld zolang deze impasse blijft bestaan. Gelet op dit alles kan van verzoeker redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij dienstopdrachten opvolgt die schadelijk zijn voor zijn gezondheid. Daarbij is van belang dat ook de militaire politierechter in zijn uitspraak van 16 juli 2026 over de ongeoorloofde afwezigheid heeft overwogen dat verzoeker geen verwijt kan worden gemaakt en hem daarom geen straf heeft opgelegd.


Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?



Spoedeisend belang

4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.



4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker met ingang van 15 juli 2026 ontslag verleend. Verzoeker heeft gesteld dat hij sindsdien geen inkomsten heeft. Op de zitting heeft verweerder aangegeven het spoedeisend belang van verzoeker niet te betwisten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat redelijkerwijs niet van verzoeker kan worden verlangd dat hij de beslissing op het bezwaarschrift afwacht en dat daarom sprake is van een spoedeisend belang.



Wat is het toetsingskader?

5. Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan een militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst, voor zover dat gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstinvulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.



5.1.
In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de zeer strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokkene de hem verweten gedragingen heeft begaan. Bovendien moet het wangedrag aan hem toe te rekenen zijn en moet de opgelegde straf evenredig zijn aan de ernst van het gestelde wangedrag.



5.2.
Voorts heeft de hoogste ambtenarenrechter eerder geoordeeld dat een aan een ambtenaar gegeven ontslag wegens ongeoorloofde afwezigheid van enige omvang in het algemeen houdbaar wordt geacht. In verband met de aard en ernst van dergelijk plichtsverzuim is voor de houdbaarheid van een opgelegd ontslag niet vereist dat de ambtenaar voorafgaand is gewaarschuwd. Daarbij mogen bijkomende omstandigheden in aanmerking worden genomen.


Is er sprake van wangedrag?

6. Bij de beoordeling gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten. Verzoeker diende zich op 2 oktober 2025 te melden bij de eenheid waaronder zijn nieuwe functie van [functienaam 3] valt, echter kwam hij zonder nader bericht en/of geldige reden niet opdagen. Vervolgens is op 3 oktober 2025 meermaals geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met verzoeker, echter zonder resultaat. Daarna heeft zijn commandant hem per e-mailbericht bevolen om zich te melden op 6 oktober 2025. Ook deze opdracht heeft verzoeker niet opgevolgd. Op 14 oktober 2025 is verzoeker formeel gewaarschuwd voor zijn ongeoorloofde afwezigheid, waarbij hem nogmaals de opdracht is gegeven om op 16 oktober 2025 te verschijnen. Ook aan deze opdracht heeft verzoeker geen gehoor gegeven. Vervolgens heeft de commandant verzoeker bij e-mailbericht van 20 oktober 2025 opnieuw opgedragen om zich te melden. Daarbij heeft hij aangegeven dat, mocht verzoeker hieraan wederom geen gehoor geven, hij genoodzaakt is om aangifte te doen bij de KMar wegens ongeoorloofde afwezigheid. Omdat verzoeker ook deze opdracht negeerde, heeft zijn commandant op 4 november 2025 aangifte tegen hem gedaan bij de KMar vanwege ongeoorloofde afwezigheid. Deze situatie heeft voortgeduurd tot de ziekmelding van verzoeker na de zitting bij de voorzieningenrechter op 13 november 2025.



6.1.
De voorzieningenrechter leidt uit het voorgaande af dat verzoeker vier keer een (dienst)opdracht naast zich heeft neergelegd, waarbij hij ook nog een officiële waarschuwing heeft gekregen en aangifte tegen hem is gedaan. Ook is verzoeker gedurende deze periode van zes weken onbereikbaar geweest voor zijn commandant. Met inachtneming van het onder rechtsoverweging 5.2 genoemde toetsingskader heeft verweerder dit samenstel aan gedragingen in redelijkheid mogen aanmerken als wangedrag. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat ook de militaire politierechter verzoeker met de uitspraak van 16 juli 2026 heeft veroordeeld voor ongeoorloofde afwezigheid. Anders dan verzoeker heeft betoogd, kan uit het feit dat hem daarbij geen straf is opgelegd niet worden afgeleid dat de gedragingen hem niet kunnen worden verweten. In de uitspraak staat weliswaar aangegeven dat gelet op de complexiteit van de zaak geen straf wordt opgelegd, maar wordt verzoeker wel degelijk schuldig verklaard ter zake van het aan hem ten laste gelegde. Daarbij overweegt de militaire politierechter dat het dossier in zijn geheel de afwezigheid van verzoeker niet legitimeert.



6.2.
Ook anderszins ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd geen rechtvaardiging voor het door hem gepleegde wangedrag. Dat sprake is van een voor hem sociaal en psychologisch onveilige werkomgeving en dat hij in dat kader meldingen heeft gedaan bij Defensie, heeft hij met de door hem ingediende stukken onvoldoende onderbouwd. Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder verzoeker in de bezwaarprocedure tegen het functietoewijzingsbesluit nog uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om zijn meldingen te onderbouwen. Dat verzoeker dit niet kan omdat hij vanaf 15 juli 2026 vanwege zijn ontslag geen toegang meer heeft tot zijn bestanden, zoals hij ter zitting heeft gesteld, neemt niet weg dat hij zijn meldingen ook voor die tijd niet heeft onderbouwd. Over het advies van de bedrijfsmaatschappelijk werker van 7 november 2025 heeft de voorzieningenrechter in haar eerdere uitspraak al geoordeeld dat hier om verschillende redenen onvoldoende betekenis aan toekomt voor zover daarin wordt gesproken over een onveilige werkomgeving. De voorzieningenrechter sluit zich bij dit oordeel aan. De ingebrachte rapportages verzuimbegeleiding kunnen alleen al niet als basis voor het door verzoeker ingenomen standpunt dienen om de reden dat verzoeker zich pas op 13 november 2026 heeft ziekgemeld en ten aanzien van de zes weken daarvoor dus moet worden aangenomen dat hij gewoon in staat was om arbeid te verrichten. Los daarvan kan hieruit, maar ook uit de bijgevoegde adviezen van de MGGZ en het DCR, niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat sprake is van een dermate onveilige werkomgeving dat verzoeker op geen enkele functie binnen het OTCMAN zou kunnen worden geplaatst. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat bij het OTCMAN meer dan 750 personen werken en verzoeker in zijn nieuwe functie te maken zou krijgen met een nieuwe commandant die hij niet kent. Hoe dan ook vindt de voorzieningenrechter de houding van verzoeker, waarbij hij al bij voorbaat afziet van de uitoefening van zijn nieuwe functie en zelfs meerdere (dienst)opdrachten hiertoe van zijn commandant negeert, buiten alle proporties en geenszins in lijn met wat van een militair mag worden verwacht.

Is het wangedrag toerekenbaar?

7. Door verzoeker zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Net als verweerder gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat de gedragingen toerekenbaar zijn aan verzoeker.


Is het ontslag evenredig?

8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor verzoeker nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat verzoeker met zijn handelswijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Zoals gezegd rechtvaardigt de bestaande situatie de hardvochtige opstelling van verzoeker geenszins. Daar staat tegenover dat uit de beschikbare stukken juist blijkt dat verweerder op verschillende manieren met verzoeker over de invulling van zijn nieuwe functie heeft meegedacht. Zo is hem de gelegenheid geboden om geleidelijk uren op te bouwen in zijn functie en is speciaal voor hem een uitzondering gemaakt op de beschikbaarheidseis, waardoor hij al gedurende de eerste twee jaar van zijn nieuwe functie zijn belangstelling kenbaar kan maken bij de functietoewijzer en kan solliciteren op nieuwe functies. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met een minder vergaande maatregel dan ontslag redelijkerwijs niet hoeven te volstaan.




Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het bezwaar naar haar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.









Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.














de griffier is verhinderd de uitspraak


te ondertekenen



voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RBDHA:2025:26871.


Zie vorige noot.


Op grond van artikel 96 van het Wetboek van Militair Strafrecht.


Primair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), subsidiair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het AMAR, en meer subsidiair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, van het AMAR.


Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997 en de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8687.


Op grond van de artikelen 96, tweede lid en artikel 98, tweede lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht jo. artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.


ECLI:NL:RBDHA:2025:26871.


Als bedoeld in artikel 17, eerste en vierde lid, van het AMAR.
Link naar deze uitspraak