|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5568 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 11989953 CV EXPL 25-213 11989953 CV EXPL 25-213 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Ontbinding en ontruiming, geen hoofdverblijf | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | huurovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11989953 \ CV EXPL 25-2137
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING ST. JOSEPH,
te Almelo,
eisende partij,
hierna te noemen: St. Joseph,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.N. Sahebdien.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2025 met producties, - de conclusie van antwoord van 17 februari 2026 met producties,- de e-mail van 19 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,- de akte overleggen producties ten behoeve van de mondelinge behandeling van [gedaagde] van 15 mei 2026,
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waar beide partijen zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. De gemachtigden hebben pleitnota’s overgelegd en voorgedragen,- de akte van [gedaagde] van 15 juni 2026,- de antwoordakte van St. Joseph van 17 juni 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
St. Joseph vordert de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde, in hoofdzaak omdat [gedaagde] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft. [gedaagde] erkent wel dat zij niet in de woning verblijft, maar vindt dat de gevorderde ontbinding en ontruiming moeten worden afgewezen. De kantonrechter wijst de vorderingen van
St. Joseph toe. Ook moet [gedaagde] de proceskosten betalen. De kantonrechter legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3De feiten
3.1
St. Joseph verhuurt met ingang van 5 september 2008 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres 1] in [woonplaats]. Op deze huurovereenkomst is het Huurreglement 2006 van toepassing.
In het Huurreglement staat, voor zover van belang:‘(…)6.6 Eigen gebruikHuurder zal het gehuurde gedurende de duur van de overeenkomst zelf bewonen, eventueel met de leden van zijn huishouding, en zal in het gehuurde zijn hoofdverblijf hebben’.(…)’.
3.2
In de periode van 5 september 2008 tot 22 september 2023 was [gedaagde] samen met haar (drie) kinderen ([kind 1], [kind 2] ([bijnaam]) en [kind 3]) woonachtig in het gehuurde. [kind 1] is gediagnosticeerd met autisme.
3.3
Vanaf eind 2022 ontvangt St. Joseph meldingen van omwonenden over (het gezin van) [gedaagde]. Meer specifiek gaat het om klachten over [kind 1] en [kind 2]. [gedaagde] klaagt zelf (ook) over overlast van de omwonenden.
3.4
Vanwege de gezinssituatie bij [gedaagde] zijn er diverse hulpinstanties betrokken bij het gezin. In overleg met deze instanties is besloten dat [gedaagde] vanaf eind september 2023 met haar gezin naar een huisje op een vakantiepark zou vertrekken. Het uitgangspunt was dat [gedaagde] terug zou keren naar haar woning, dan wel dat zij zou verhuizen naar een andere woning. Voorwaarde was wel dat [gedaagde] hulp zou accepteren. Daar heeft [gedaagde] later vanaf gezien.
3.5
In de periode van eind september 2023 tot april 2024 heeft de gemeente [woonplaats] de huur van het vakantiehuisje betaald. Daarna is de gemeente [woonplaats] met de betalingen gestopt, omdat [gedaagde] geen hulp aanvaardde.
3.6
Bij e-mail van 3 april 2024 laat mr. Sahebdien aan de heer [naam] van
St. Joseph weten dat [gedaagde] haar best doet passende woonruimte te vinden voor haar en haar gezin. [gedaagde] wil meedenken over een passende oplossing. Een terugkeer naar haar eigen woning aan de [adres 1] is wellicht niet wenselijk, maar een verblijf in de maatschappelijke opvang is ook geen optie.
3.7
Bij e-mail van 17 maart 2025 laat mr. Sahebdien aan de heer [naam] weten dat [gedaagde] binnen twee maanden met haar gezin terug wil keren naar de woning aan de [adres 1], met het verzoek om samen een terugkeerplan op te stellen. Vanuit St. Joseph is daarop bij e-mail van 10 april 2025 gereageerd, dat er contact is geweest met de casusregisseur van de gemeente [woonplaats] in verband met de ondersteuning in dit traject. Ook is verzocht te bevestigen dat [gedaagde] uiterlijk 17 mei 2025 in haar woning terug zal keren, bij gebreke waarvan een huuropzegging nodig is.
3.8
Bij e-mail van 12 mei 2025 vraagt [naam] nogmaals aan (de gemachtigde van) [gedaagde] om de bevestiging dat [gedaagde] vanaf 17 mei 2025 terugkeert in haar woning.
Als dat niet het geval is, zal een procedure gestart worden voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op 16 mei 2025 reageert [gedaagde] per e-mail. Samengevat vindt zij dat St. Joseph geen actie heeft ondernomen. Het opzeggen van de huur is geen optie en terugkeer is ook geen optie zolang dit niet veilig kan. Om uit de ingewikkelde situatie te komen, staat [gedaagde] open voor alternatieve woonruimtes. Daarop reageert [naam] op 21 mei 2025 dat, samengevat, hij zich zorgen maakt over de staat van de woning en het dossier doorzet naar een jurist.
3.9
Op 26 juni 2025 zijn partijen in aanwezigheid van hun gemachtigden met elkaar om tafel gegaan. Tussen partijen zijn afspraken gemaakt. In de periode daarna heeft St. Joseph diverse woningen aangeboden aan [gedaagde] ([adres 2], [adres 3], [adres 4]). [gedaagde] heeft geen van deze woningen geaccepteerd omdat deze volgens haar niet geschikt zouden zijn voor [kind 1].
3.10
Na de mondelinge behandeling is deze zaak aangehouden, omdat St. Joseph mogelijk nog andere woningen ter beschikking had voor [gedaagde]. Uit de door de gemachtigden van partijen toegestuurde aktes blijkt dat er drie woningen zijn aangeboden, die door [gedaagde] zijn geweigerd.
4Het geschil
De vordering
4.1
St. Joseph vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Tevens vordert St. Joseph veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2
Volgens St. Joseph is [gedaagde] in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten door niet het hoofdverblijf in de woning te hebben. Bovendien heeft zij overlast veroorzaakt. [gedaagde] wil niet terugkeren in haar woning, ze aanvaardt geen aangeboden vervangende woonruimtes en is ook niet actief op zoek naar een vervangende woning. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens St. Joseph de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
Het verweer
4.3
[gedaagde] is het oneens met de vordering van St. Joseph. Samengevat stelt [gedaagde] dat zij niet heeft geweigerd haar verplichtingen als huurder na te komen, maar dat zij heeft geprobeerd haar gezin bijeen te houden in een complexe situatie, terwijl zij tegelijkertijd onder grote druk stond van buren, instanties en hulpverlening. Meerdere instanties hebben jarenlang geprobeerd een oplossing te vinden, maar dat is niet gelukt. In de tijd dat [gedaagde] niet in de woning heeft gewoond, is nooit sprake geweest van een huurachterstand.
[gedaagde] heeft overlast ervaren van de zijde van de buren. Een terugkeer naar de woning ziet zij niet zitten. De gevorderde ontbinding is volgens [gedaagde] disproportioneel en niet toewijsbaar.
4.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1
Uit artikel 6.6 van het Huurreglement volgt dat [gedaagde] haar hoofdverblijf moet hebben in het gehuurde. Niet in geschil is dat zij dat (al jarenlang) niet heeft. Dit levert een tekortkoming op in de nakoming van de huurovereenkomst.
5.2
Een tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, tenzij de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt (artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek).
5.3
De stelling van [gedaagde] dat zij het gehuurde heeft moeten verlaten in verband met haar niet toe te rekenen/te verwijten omstandigheden kan onbesproken worden gelaten. Voor ontbinding is toerekenbaarheid van de tekortkoming immers geen vereiste.
Het verweer van [gedaagde] dat de tekortkoming niet van voldoende gewicht is, slaagt niet. Zij houdt een woning “bezet” waar zij al jarenlang niet woont en waarnaar zij, zo heeft zij ter zitting te kennen gegeven, niet wil terugkeren. Daarbij komt dat het gaat om een sociale huurwoning. Deze woningen zijn schaars en wachtlijsten om daarvoor in aanmerking te komen zijn lang. Haar beroep op de artikelen 3 IVRK en 8 EVRM slaagt evenmin. In deze zaak gaat het immers om een woning die al jarenlang niet bewoond wordt door [gedaagde] en haar kinderen.
5.4
Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de huurovereenkomst zou worden ontbonden omdat voor haar en haar minderjarige kinderen (nog) geen andere passende woonruimte beschikbaar is, gaat dit betoog niet op. Nog daargelaten dat onvoldoende is gebleken van afdoende inspanningen van de zijde van [gedaagde] – die (bovendien) de haar door St. Joseph aangeboden woningen niet heeft geaccepteerd – geldt dat niet aannemelijk is geworden dat na ontbinding en ontruiming sprake zal zijn van een acute noodtoestand. [gedaagde] heeft immers nog steeds een dak boven haar hoofd.
Gestelde overlast
5.5
Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Ten aanzien van de door St. Joseph aan de ene kant en van de door [gedaagde] aan de andere kant gestelde overlast merkt de kantonrechter op dat de overlastmeldingen van lang geleden zijn. Dat is ook logisch, aangezien [gedaagde] sinds eind september 2023 met haar gezin uit de woning is vertrokken. De kantonrechter zal de over en weer gestelde overlast om die reden niet verder bespreken, aangezien van actuele overlastmeldingen geen sprake is.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toewijzen.
Ontruimingstermijn
5.6 [gedaagde] vraagt om een ontruimingstermijn van ten minste drie maanden, gelet op haar persoonlijke omstandigheden. De kantonrechter stelt de ontruimingstermijn vast op een maand na betekening van het vonnis, zoals door St. Joseph gevorderd. Een maand is een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen, omdat [gedaagde] de afgelopen jaren al niet meer in het gehuurde heeft gewoond.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. St. Joseph heeft er belang bij om op korte termijn de woning aan een andere partij te verhuren, terwijl [gedaagde] niet naar de woning wil terugkeren.
Proceskosten
5.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van St. Joseph worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
542,50
(2,5 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
931,45
6De beslissing
De kantonrechter
6.1
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres 1] in [woonplaats],
6.2
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van St. Joseph zijn, en de sleutels af te geven aan St. Joseph,
6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van St. Joseph begroot op € 931,45, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|