|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5567 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 12019800 CV EXPL 25-366 12019800 CV EXPL 25-366 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Ontbinding en ontruiming huurovereenkomst bedrijfsruimte vanwege tekortkomingen in conventie; indeplaatsstelling in reconventie. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | huurovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12019800 \ CV EXPL 25-3661
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van
1
[partij A.1],
te [woonplaats 1],2. [Partij A.2],
te [woonplaats 1],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [Partij A],
gemachtigde: mr. G.A.G. Warfman,
tegen
1
[partij B.1],
te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [partij B.1],
2. AUTOBEDRIJF [partij B.2] B.V.,
te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [partij B.2] B.V.,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [Partij B],
gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025 met producties 1 tot en met 9;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 4;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 10;- het bericht van 18 juni 2026 met aanvullende productie 5 van [Partij B];- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De samenvatting
2.1
[partij B.1] heeft een autobedrijf. Hij huurt hiervoor een bedrijfsruimte van [Partij A] om daar zijn autogarage te exploiteren. De huurovereenkomst is op 1 mei 2011 ingegaan. [Partij A] hebben de huurovereenkomst op 17 april 2025 opgezegd tegen
1 mei 2026. [partij B.1] heeft met de opzegging niet ingestemd.
2.2
[Partij A] vorderen in deze procedure dat de huurovereenkomst met [partij B.1] wordt ontbonden, omdat [partij B.1] de huur structureel te laat betaalt en omdat [partij B.1] het gehuurde zonder toestemming van [Partij A] aan een derde ([partij B.2] B.V.) in gebruik heeft gegeven. Ook willen [Partij A] dat zowel [partij B.1] als [partij B.2] B.V. de bedrijfsruimte ontruimen.
2.3
[Partij B] zijn het daar niet mee eens. Zij vinden de tekortkomingen niet zwaar genoeg om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. In reconventie vraagt [partij B.1] of [partij B.2] B.V. in zijn plaats mag treden van de huurovereenkomst met [Partij A]
2.4
De kantonrechter gaat niet over tot ontbinding van de huurovereenkomst en wijst de indeplaatsstelling toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3De feiten
3.1
[partij B.1] huurt vanaf 1 mei 2011 een bedrijfsruimte in de zin van 7:290 BW, aan de [vestigingsadres] te [woonplaats 2] (hierna: het gehuurde) van [Partij A] Op de huurovereenkomst zijn de ‘algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte niet ex artikel 7A:1624 BW’ (hierna: algemene bepalingen) van [Partij A] van toepassing. Verder huurde [partij B.1] inventaris van [Partij A] volgens de huurovereenkomst, onder meer bestaande uit twee bruggen, een remvertragingsmeter, een afzuiginstallatie, een olie opslagbulk van 1.000 liter, een rijdende olie-opvangbak en een balanceerapparaat (hierna: inventaris).
3.2
In het gehuurde oefent [partij B.1] een autobedrijf uit onder de naam Autobedrijf [partij B.2].
3.3
[Partij A] wonen in de woning aan de [adres], gelegen naast het gehuurde. Kadastraal zijn de woning van [Partij A] en het gehuurde één geheel.
3.4
In de huurovereenkomst is de bestemming van het gehuurde beschreven:
“1.2 het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als bedrijfshal voor de reparatie en verkoop van auto’s.”
3.5
De laatst bekende huurprijs (december 2025) bedroeg € 1.618,97 per maand, volgens de huurovereenkomst bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.6
In de algemene bepalingen staan (onder meer) de volgende bepalingen:
“3.1 Behoudens voorafgaande toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, ofwel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een maatschap of rechtspersoon.
3.2
Ingeval huurder handelt in strijd met bovenstaande bepaling, verbeurt hij aan verhuurder per kalenderdag dat de overtreding voortduurt een direct opeisbare boete, gelijk aan tweemaal de op dat moment voor huurder geldende huurprijs per dag, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding, alsmede schadevergoeding te vorderen.
[…]
Tussentijdse beëindiging, in gebreke zijn
7.1
Indien huurder
- de door hem verschuldigde bedragen niet op de gestelde tijdstippen voldoet;
- zijn beroep of bedrijf in het gehuurde geheel of voor een belangrijk deel staakt;
- enige andere bepaling van de huurovereenkomst niet nakomt;
- enige voorwaarde, verbonden aan een door verhuurder verleende toestemming, niet in acht neemt;
- de vrije beschikking over zijn vermogen of een deel daarvan verliest;
[…]
heeft verhuurder het recht de huurovereenkomst tussentijds te (laten)
beëindigen. Hieraan gaat slechts opzegging vooraf, indien de wet dat
vereist.”
3.7
Gedurende de huurperiode heeft [partij B.1] de huur niet altijd voor de eerste van de maand betaald. Achterstanden in betalingen van huurtermijnen en servicebedragen liepen op tot meerdere maanden. Bij brief van 17 april 2025 hebben [Partij A] de huurovereenkomst opgezegd per 1 mei 2026. De huurachterstand bedroeg op het moment van opzegging € 7.685,88.
3.8
Op 30 april 2025 heeft [broer], de broer van [partij B.1] (hierna: [broer]), namens [partij B.1] gereageerd op de opzegging. Daarin schrijft hij (voor zover van belang) het volgende:
“[…] Het autobedrijf van mijn broer heeft een tijd in zwaar weer gezeten waardoor sommige betalingen niet tijdig zijn gedaan. Sinds medio januari 2025 bemoei ik me met de dagelijkse bedrijfsvoering en we zien enorme verbeteringen, zowel bedrijfseconomisch en in de liquiditeit. Alle huurverplichtingen zijn voldaan en ook de maand mei 2025 is reeds vorige week voldaan.
Mijn broer [partij B.1] heeft met de familie [Partij A] gesproken vorige week en ook zij willen graag door met hem en zijn autobedrijf.
We gaan per 1 juni a.s. over naar een besloten vennootschap waar ik eigenaar van ga worden en we financieren het bedrijf zeer solide waardoor de toekomstige maandelijkse huur keurig op tijd zal worden voldaan.
[…].”
3.9
Op 5 juni 2025 is Autobedrijf [partij B.2] B.V. (hierna: [partij B.2] B.V.) opgericht, met als enig aandeelhouder [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]). [broer] is eigenaar van [bedrijf]. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is [partij B.1] B.V. gevestigd op het adres van het gehuurde en houdt de B.V. zich (onder andere) bezig met de algemene reparatie en onderhoud van motorvoertuigen.
3.10
De gemachtigde van [Partij A] heeft op 24 juni 2025 een mail naar [broer] gestuurd, waarin hij er onder meer op is gewezen dat de huur voor de maand juni 2025 niet tijdig is betaald en dat [Partij A] geen vertrouwen meer hebben in het voortzetten van de huurrelatie. Verder schrijft de gemachtigde dat [Partij A] niet kunnen instemmen met contractoverneming door de B.V., of met de inbreng van de activiteiten van Autobedrijf [partij B.1] in een B.V. en het aangaan van een huurovereenkomst met die B.V. Gebeurt dat toch, dan zouden [Partij A] dat beschouwen als een (nieuwe) tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de huurovereenkomst. Ook is de opzegging van de huur per 1 mei 2026 gehandhaafd.
3.11
Op 25 juni 2025 heeft [broer] verzocht om op korte termijn een gesprek met de familie [Partij A] te plannen over de voortzetting van de huurrelatie, eventueel met een aantal aanvullende waarborgen.
3.12
Daarop reageert de gemachtigde van [Partij A] op 11 juli 2025 dat de opzegging van de huur gehandhaafd blijft. Verder schrijft zij dat [partij B.1] B.V. op 5 juni 2025 is opgericht en dat de B.V. – niet zijnde contractspartij – zonder toestemming van [Partij A] gebruikmaakt van het gehuurde, wat op grond van artikel 7.1 van de algemene bepalingen grond oplevert voor tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst. Daarbij is [partij B.1] B.V. verzocht om het gebruik van het gehuurde te staken en gestaakt te houden. Zo niet, dan zouden [Partij A] de rechter verzoeken de huurovereenkomst te ontbinden en ontruiming van het gehuurde door zowel [partij B.1] als [partij B.1] B.V. worden verzocht.
3.13
[partij B.1] en [partij B.1] B.V. hebben het gehuurde niet ontruimd c.q. verlaten.
4Het geschil
in conventie
4.1
[Partij A] vorderen – samengevat en uitvoerbaar bij voorraad – dat de kantonrechter:
I. de huurovereenkomst tussen [Partij A] als verhuurders en [partij B.1] als huurder betreffende het gehuurde op grond van artikel 7:231 lid 1 juncto artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) ontbindt, met ingang van een door de kantonrechter te bepalen dag;
II. voor recht verklaart dat [partij B.1] B.V. zonder recht of titel in het gehuurde verblijft;
III. het tijdstip van de ontruiming van het gehuurde vaststelt, met veroordeling van beide gedaagden om de bedrijfsruimte, met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, voor of uiterlijk op het vastgestelde tijdstip van de ontruiming volledig (behoudens de meeverhuurde inventaris) en behoorlijk te verlaten en te ontruimen, zonder achterlating van olie in de opslagbulk en olie-opvangbak, en met overgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden,
een en ander te vermeerderen met rente en kosten.
4.2
[Partij B] voeren verweer. [Partij B] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [Partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [Partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [Partij A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3
[Partij B] vorderen – samengevat en uitvoerbaar bij voorraad – dat [partij B.1] wordt gemachtigd om [partij B.1] B.V. met ingang van de dag van vonnis in zijn plaats te stellen als huurder van het gehuurde.
4.4
[Partij A] voeren verweer. [Partij A] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [Partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [Partij B], dan wel om aan de machtiging bepaalde voorwaarden te verbinden.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hieronder nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie
Ontbinding van de huurovereenkomst
Tekortkomingen
5.1
Aan de orde is de vraag of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst en zo ja, of die tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
5.2
De tekortkomingen bestaan volgens [Partij A] uit het handelen in strijd met artikel 4 van de huurovereenkomst: het jarenlang stelselmatig te laat betalen van de huur en het in strijd met artikel 3.1 van de algemene bepalingen zonder toestemming van [Partij A] het gehuurde in gebruik af te staan aan [partij B.2] B.V. Volgens [Partij A] is sprake van schending van artikel 3.1 van de toepasselijke algemene bepalingen omdat [partij B.1] na de opzegging van de huurovereenkomst zonder toestemming van [Partij A] [partij B.2] B.V. heeft toegelaten tot het gehuurde en de huurrechten in feite heeft overgedragen. De huurpenningen worden voldaan door [partij B.2] B.V. [partij B.1] heeft dit gedaan zonder machtiging te vragen.
5.3
[partij B.1] heeft niet betwist dat hij de huur niet altijd op tijd heeft betaald. Wel stelt hij altijd de huur te hebben betaald. Het gestelde tekortschieten in de betalingsverplichting ligt volgens [partij B.1] in het verleden. In april 2025 heeft hij alle openstaande huurtermijnen voldaan en vanaf dat moment heeft hij de huur maandelijks voldaan. Op de dag van dagvaarden, 8 december 2025, hadden [Partij A] al een half jaar lang steeds de huur op tijd ontvangen en waren er geen openstaande facturen meer. Volgens [partij B.1] rechtvaardigt de tekortkoming daarom de ontbinding van de huurovereenkomst niet. [partij B.1] betwist in strijd met artikel 3.1 te hebben gehandeld. De huurrechten zijn niet ingebracht in [partij B.2] B.V. Hiervoor is contractovername vereist. Die contractovername, voorzien in artikel 7:307 BW, wordt in reconventie beoogd te verkrijgen. [partij B.1] heeft ook het directe beheer van en toezicht op het gehuurde niet gestaakt of afgestaan aan [partij B.2] B.V. [partij B.1] verwijst daarbij naar een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:29).
5.4
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verplichtingen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte gerechtvaardigd zijn, gelet op het concrete belang van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
5.5
Vaststaat dat [partij B.1] niet altijd op tijd de huur heeft betaald en dat er begin 2025 sprake was van een achterstand van in ieder geval drie maanden. In zoverre staat de tekortkoming dus vast en is deze ook voldoende ernstig om in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. Het is immers aan [partij B.1] om op tijd zijn betalingsverplichtingen na te komen. [Partij A] hebben hier ook belang bij, voor [Partij A] zijn de huurpenningen hun oudedagsvoorziening.
5.6
De kantonrechter is van oordeel dat van schending met artikel 3.1. van de huurovereenkomst geen sprake is. [Partij A] hebben hiervoor onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd. Dat de huurrechten zijn overgedragen, wordt betwist en onderbouwen [Partij A] niet. Dat [partij B.1] het directe beheer en toezicht op het gehuurde (feitelijk) heeft behouden wordt niet weersproken. Van schending met artikel 3.1. is dan geen sprake.
Tenzij-clausule
5.7
[partij B.1] beroept zich op de tenzij-clausule en voert daartoe aan dat het gestelde tekortschieten in de betalingsverplichting in het verleden ligt. De reden voor opzegging, die in essentie neerkomt op te late huurbetalingen, zijn direct en permanent verholpen. Op het moment van dagvaarden was er geen sprake meer van een achterstand en werd de huur al maanden op tijd betaald. Om te verzekeren dat de verbeterde situatie permanent was, heeft [partij B.1] het autobedrijf overgezet naar een besloten vennootschap. Hierdoor zou het bedrijf voortaan solide worden gefinancierd en zijn de maandelijkse huurbetalingen verzekerd. [partij B.1] heeft groot belang bij het mogen blijven gebruiken van het gehuurde. De locatie van Autobedrijf [partij B.2] is essentieel voor haar bedrijfsvoering, zowel voor de werving als het behoud van haar klanten.
5.8
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op de tenzij-clausule slaagt. [partij B.1] heeft voldoende aangetoond dat het gestelde tekortkomen in het verleden ligt. De onderneming van [partij B.1] verkeerde in zwaar weer en had betalingsachterstanden. Door ondersteuning van [broer] en investeringen van [partij B.2] B.V. is het autobedrijf weer financieel gezond. Op moment van dagvaarden was er geen achterstand meer. Vanaf juni 2025 wordt de huur maandelijks betaald. Gelet op de ernstige gevolgen van een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt de tekortkoming hier de ontbinding van de huurovereenkomst niet. Hierbij weegt mee dat [partij B.1] al 15 jaar de locatie van [Partij A] huurt en voor de bedrijfsvoering van het autobedrijf de bij klanten bekende centrale locatie in [woonplaats 1] van essentieel belang is, nu het hier voornamelijk lokale klanten betreft.
Conclusie
5.9
De conclusie uit het bovenstaande is dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde dient te worden afgewezen.
Proceskosten in conventie
5.10
[Partij A] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [Partij B] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
in reconventie
Indeplaatsstelling
5.11
Aan de orde is of aan [partij B.1] machtiging moet worden verleend in de zin van artikel 7:307 BW om [partij B.2] B.V. als huurder in zijn plaats te stellen in de huurovereenkomst met [Partij A] voeren hiertegen verweer.
5.12
Mocht de machtiging worden verstrekt dan verzoeken [Partij A] om aan de machtiging de volgende voorwaarden te verbinden:
de huurpenningen bij vooruitbetaling van 6 maanden voldoen;
het stellen van een bankgarantie ter hoogte van zes maanden huur te vermeerderen met btw;
het stellen van een borgstelling door [bedrijf] voor de duur van 5 jaar met betrekking tot de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst.
5.13
[partij B.2] B.V. heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen toewijzing van alle voorwaarden. Volgens [partij B.2] B.V. is zes maanden vooruitbetalen of een bankgarantie voldoende. Vijf jaar borg staan door [bedrijf] vindt zij erg lang.
5.14
De kantonrechter oordeelt als volgt. De strekking van voormeld artikel is om een huuroverdracht in verband met de overdracht van het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf mogelijk te maken in situaties waarin de verhuurder niet aan die huuroverdracht wil meewerken. Een dergelijke vordering kan slechts worden toegewezen indien de huurder een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van het bedrijf. De vordering dient te worden afgewezen indien de voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. De omstandigheden van het geval wegen hierbij mee.
5.15
[partij B.1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van overdracht van zijn bedrijf. [partij B.1] heeft zijn eenmanszaak overdragen aan [partij B.2] B.V. Het bedrijf van [partij B.1] verkeerde financieel in zwaar weer en had betalingsachterstanden. Dat laatste wordt niet weersproken. Door ondersteuning van [broer] en investeringen van [partij B.2] B.V. is het autobedrijf weer financieel gezond. Er zijn geen achterstanden meer en de huur wordt al maanden op tijd voldaan. [partij B.1] is in dienst getreden bij [partij B.2] B.V. voor de uitvoering van de dagelijkse, praktische werkzaamheden binnen het autobedrijf. [partij B.1] wenst [partij B.2] B.V. in de plaats te stellen voor een duurzame voortzetting van het bedrijf zodat de bestaande locatie, bekend bij klanten, behouden wordt. [partij B.1] heeft zijn zwaarwegend belang hiermee voldoende aangetoond.
5.16
Dat het onderhavige geval alle schijn heeft van misbruik van de wettelijke bepaling, zoals [Partij A] stelt, is de kantonrechter niet gebleken. [Partij A] hebben geen, dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die deze conclusie kunnen dragen.
5.17
[partij B.2] B.V. stelt vervolgens voldoende waarborgen te bieden voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Sinds [partij B.2] B.V. de bedrijfsvoering heeft overgenomen is haar betalingsgedrag vlekkeloos geweest. [partij B.1] stelt hiermee te hebben laten zien de verplichtingen uit de huurovereenkomst volledig te kunnen nakomen. [partij B.1] zelf is in dienst getreden waarmee voldoende ervaring in huis blijft om het autobedrijf naar behoren te exploiteren. [broer] is bestuurder en eigenaar en heeft jarenlange ervaring met overname en voortzetting van bedrijven. Volgens [partij B.1] biedt [partij B.2] B.V. daarmee voldoende waarborg voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
5.18
[Partij A] betwisten dat er voldoende waarborgen aanwezig zijn. Zij stellen hiertoe dat het zo moge zijn dat de aandeelhouder van [partij B.2] B.V. een gerenommeerd bedrijf is, maar dat dit niet de nieuwe huurder is en [Partij A] in zoverre geen enkele zekerheid hebben.
5.19
De kantonrechter is van oordeel dat [partij B.1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [partij B.2] B.V. voldoende waarborgen biedt. De achterstanden zijn voldaan en de huurpenningen worden al ruim een jaar op tijd betaald. [partij B.1] heeft echter een en ander nog niet kunnen onderbouwen omdat de eerste jaarrekening nog niet gereed is, aldus [partij B.1]. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om aan de machtiging voorwaarden te verbinden, zodat ook aan dit vereiste is voldaan. [Partij A] hebben er belang bij dat de huur op tijd wordt betaald. Het niet op tijd betalen van de huur in het verleden heeft geleid tot het onnodig maken van kosten voor [Partij A] en veroorzaakt onnodig stress. [Partij B] heeft in eerdere correspondentie (productie 3) dit belang van [Partij A] erkend en aangeboden zichzelf garant te stellen, borg te betalen of andere opties. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de volgende voorwaarden aan de machtiging te verbinden:
a. de huurpenningen bij vooruitbetaling van 6 maanden voldoen en
b. het stellen van een bankgarantie ter hoogte van zes maanden huur te vermeerderen met btw.
5.20
De kantonrechter komt tot de conclusie dat aan de vereisten genoemd in voormeld artikel is voldaan en de machtiging tot indeplaatsstelling met voorwaarden dient te worden toegewezen. De kantonrechter is hierbij van oordeel dat het belang van [partij B.1] bij voortzetting van het autobedrijf op voornoemde locatie zwaarder dient te wegen dan het belang van [Partij A] bij beëindiging van de huur. Het enkele gegeven dat [Partij A] ongewenst met een nieuwe huurder worden geconfronteerd is hiervoor onvoldoende. Ook het feit dat de aandelen in de B.V. theoretisch kunnen worden overgedragen weegt onvoldoende om anders te beslissen. Niet gebleken is dat er sprake is van een voornemen tot verkoop. Daarnaast zou er in dat hypothetische geval voor [Partij A] niet veel veranderen, zij blijven verhuren aan Autobedrijf [partij B.2] (B.V.) met dezelfde zekerheden die zij nu hebben.
Proceskosten in reconventie
5.21
[Partij A] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [Partij B] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
217,00
(2 punten × factor 0,5 × € 217,00)
Totaal
€
217,00
De proceskosten in conventie en in reconventie
5.22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.23
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6De beslissing
De kantonrechter
in conventie
6.1
wijst de vorderingen van [Partij A] af,
6.2
veroordeelt [Partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
6.3
machtigt [partij B.1] om [partij B.1] B.V. gevestigd te [woonplaats 1] aan de [vestigingsadres] in zijn plaats te stellen als huurder van de bedrijfsruimte gelegen aan de [vestigingsadres] te [woonplaats 1] en verbindt hieraan de voorwaarden:
a. de huurpenningen bij vooruitbetaling van 6 maanden te voldoen en
b. het stellen van een bankgarantie ter hoogte van zes maanden huur te vermeerderen met btw,
6.4
veroordeelt [Partij A] hoofdelijk in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.5
veroordeelt [Partij A] hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [Partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6
veroordeelt [Partij A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|