|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:11076 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 26/6266 | | Rechtsgebied | : | Bestuursstrafrecht | | Indicatie | : | De korpschef heeft de ten behoeve van verzoeker verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken. In bezwaar heeft de korpschef dit besluit gehandhaafd. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6266
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de korpschef van politie, eenheid Rotterdam
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. V. Vermeulen).
Samenvatting
De korpschef heeft de ten behoeve van verzoeker verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken. In bezwaar heeft de korpschef dit besluit gehandhaafd. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
1. De korpschef heeft op 22 juni 2024 toestemming verleend aan [stichting] te Rotterdam om verzoeker beveiligings-werkzaamheden voor deze organisatie te laten verrichten.
1.1.
Met het besluit van 14 april 2026 heeft de korpschef deze toestemming ingetrokken. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 12 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
1.2.
Met het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft de korpschef de intrekking van de toestemming gehandhaafd en het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (ROT 26/6598) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Op 9 februari 2026 is aangifte tegen verzoeker gedaan, omdat hij op [datum] een hem onbekende naakte persoon (vrouw) heimelijk zou hebben gefilmd met de camera van zijn mobiele telefoon. Dit zou zijn gebeurd in een kleedhokje van een overdekt zwembad in [plaats] . Verzoeker zou de vrouw onder de scheidingswand tussen twee kleedhokjes door hebben gefilmd, terwijl zij zich aan het aankleden was. Van de aangifte is proces-verbaal opgemaakt (met nummer [proces-verbaalnummer 1] ). Naar aanleiding van deze aangifte heeft de politie met verzoeker gesproken. De bevindingen hiervan heeft de politie vastgelegd in een proces-verbaal (met nummer [proces-verbaalnummer 2] ). Ook heeft de politie een tweetal mutatierapporten opgemaakt (met nummers [proces-verbaalnummer 3] en [proces-verbaalnummer 4] ).
2.1.
Naar aanleiding van deze processen-verbaal en mutatierapporten heeft de korpschef verzoeker bij brief van 19 maart 2026 in kennis gesteld van het voornemen om de verleende toestemming in te trekken. Verzoeker heeft schriftelijk zijn zienswijze op dit voornemen uitgebracht. Met het besluit van 14 april 2026 heeft de korpschef de verleende toestemming ingetrokken. In bezwaar heeft de korpschef de intrekking van de toestemming gehandhaafd.
Waar gaat deze zaak om?
3. De korpschef heeft de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr en paragraaf 3.3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Bpbr, Beleidsregels). De korpschef stelt voorop dat aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van de werkzaamheden, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. De korpschef hanteert daarom als beoordelingsmaatstaf dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel moeten zijn verheven. Omdat tegen verzoeker geen strafvervolging is ingesteld heeft de korpschef de betrouwbaarheid van verzoeker beoordeeld aan de hand van de processen-verbaal en mutatierapporten en zich een eigen oordeel gevormd over de daaraan ten grondslag liggende gebeurtenissen op [datum] . De korpschef acht zeer aannemelijk dat verzoeker op [datum] met zijn mobiele telefoon onder de scheidingswand van een kleedhok door een hem onbekende naakte vrouw heimelijk heeft gefilmd. Met deze gedraging heeft verzoeker het veiligheidsgevoel van een burger geweld aangedaan, terwijl het bewaken en beveiligen van personen (en goederen) juist één van de kernwaarden van de beveiligingsbranche is. Gelet hierop is volgens de korpschef sprake van een zeer serieuze verdenking tegen verzoeker en is het handelen van verzoeker aan te merken als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Hierdoor is bij de korpschef gerede twijfel ontstaan aan de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker als particulier beveiliger. Intrekking van de toestemming is daarom, gelet op de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de mogelijke kans op herhaling en het geringe tijdsverloop, passend en noodzakelijk en niet onevenredig ten opzichte van het doel dat met de intrekking van de toestemming wordt gediend.
4. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat de intrekking van de toestemming wordt opgeschort totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op zijn beroep.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor verzoeker de uitspraak op zijn beroep niet kan afwachten.
5.1.
Verzoeker voert aan dat de intrekking van de toestemming ingrijpende gevolgen heeft voor zijn inkomen, zijn gezin en zijn toekomst. Op de zitting heeft verzoeker aanvullend verklaard dat hij samenwoont met zijn (zwangere) vriendin. Zij wonen in een huurwoning. Het lukt verzoeker inmiddels niet meer om zelf de huur te betalen. Zijn vriendin heeft op dit moment geen eigen inkomen. De broer van verzoeker springt financieel bij met de huur en de energiekosten, maar de broer heeft ook een eigen gezin om te onderhouden. Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar omdat hij door zijn werkgever is ontslagen wordt het lastig een bijstandsuitkering te krijgen. Daarnaast heeft verzoeker een studieschuld van rond de € 19.000,-. Hiervoor heeft hij een betalingsregeling kunnen treffen, maar sinds het wegvallen van zijn inkomen is het lastig om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen. De voorzieningenrechter neemt op grond van wat verzoeker aanvoert het spoedeisend belang wel aan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Op deze zaak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
7. Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr bepaalt dat een verleende toestemming kan worden ingetrokken als omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
8. Volgens paragraaf 3.3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels, voor zover hier van belang, kan de toestemming ook worden geweigerd wanneer op grond van ‘andere omtrent een betrokkene bekende en relevante feiten’ kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Dit is met name – maar niet uitsluitend – het geval wanneer de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
9. Volgens vaste rechtspraak is het intrekken van een verleende toestemming een bestuurlijke maatregel, die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Daarvoor is van belang dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. Volgens de Afdeling is intrekking van de verleende toestemming op zichzelf geen onredelijk middel om het bovenstaande doel te bereiken. Daarbij blijft echter van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef moet daarom motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is.
10. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling komt de korpschef beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen hogere eisen worden gesteld dan aan die in andere branches. Dit betekent dat de korpschef mag eisen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven zijn. In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels is een nadere invulling gegeven aan de term 'betrouwbaarheid'. Daarin zijn aspecten opgenomen die van belang zijn voor de vaststelling of de betrokkene betrouwbaar is.
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de korpschef zich voor zijn beoordeling mocht baseren op de bevindingen zoals vastgelegd in de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en de mutatierapporten (met nummer [proces-verbaalnummer 5] ). Uit deze stukken blijkt dat verzoeker op [datum] met zijn mobiele telefoon een hem onbekende naakte vrouw heimelijk heeft gefilmd. Op 9 februari 2026 heeft de vrouw hiervan aangifte gedaan bij de politie. Omdat naar aanleiding van deze aangifte geen strafvervolging tegen verzoeker is ingesteld, is sprake van een omstandigheid als beschreven in paragraaf 3.3., aanhef en onder b, van de Beleidsregels.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef op grond van de processen-verbaal en de mutatierapporten heeft mogen aannemen dat verzoeker onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft hiertoe kunnen stellen dat sprake is van zeer serieuze verdenkingen tegen verzoeker en dat het handelen van verzoeker is aan te merken als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Daarbij heeft de korpschef (zwaar) mogen laten meewegen dat verzoeker met zijn gedragingen het veiligheidsgevoel van een burger geweld heeft aangedaan, terwijl het bewaken en beveiligen van personen (en goederen) juist één van de kernwaarden van de beveiligingsbranche is. Het handelen van verzoeker laat zich niet verenigen met de normen en eisen die aan de uitoefening van de functie van beveiliger worden gesteld. De korpschef heeft hieraan dan ook de conclusie kunnen verbinden dat de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker niet boven elke twijfel zijn verheven. De korpschef mocht de verleende toestemming daarom intrekken. Gezien de aard en ernst van de gedraging heeft de korpschef geen aanleiding hoeven zien om met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing, te volstaan.
13. Volgens vaste rechtspraak hoeft bij de beoordeling van de betrouwbaarheid geen onderscheid te worden gemaakt tussen de werksfeer en de privésfeer als de gedragingen in de privésfeer zich naar hun aard niet verdragen met beveiligingswerkzaamheden en een indicatie kunnen zijn voor het algehele functioneren. De gedragingen van verzoeker vonden niet plaats in de privésfeer, maar in een voor het publiek toegankelijke ruimte. Het enkele feit dat verzoeker op dat moment niet (als beveiliger) aan het werk was neemt niet weg dat het handelen van verzoeker zich naar zijn aard niet verdraagt met zijn werkzaamheden als beveiliger en dat dit handelen een indicatie is dat hij niet voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren.
14. Inherent aan de intrekking van de toestemming is dat verzoeker voorlopig niet meer als beveiliger te werk kan worden gesteld. De korpschef heeft echter bij afweging van alle betrokken belangen tot de conclusie kunnen komen dat de belangen van verzoeker, gezien de aard en ernst van de verweten gedraging, niet opwegen tegen het maatschappelijk belang dat is gediend bij een betrouwbare, goed functionerende veiligheidszorg en de betrouwbaarheid van degenen die beveiligingswerkzaamheden verrichten. Daaraan doet niet af dat verzoeker gedurende elf jaar werkzaam is geweest als beveiliger. Dat neemt immers niet weg dat als gevolg van zijn eigen handelen op [datum] een serieuze verdenking tegen hem is ontstaan, als gevolg waarvan zijn betrouwbaarheid als beveiliger niet langer boven elke twijfel verheven is. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat het bestreden besluit er niet aan in de weg staat dat verzoeker in de toekomst opnieuw om toestemming kan vragen voor het mogen verrichten van beveiligingswerkzaamheden. Daarnaast ontneemt het bestreden besluit verzoeker niet de mogelijkheid om (met een verklaring omtrent het gedrag (VOG)) in een andere passende functie waarvoor hij geen beveiligingspas nodig heeft, aan de slag te gaan. De intrekking van de toestemming staat in het algemeen aan de afgifte van een VOG niet in de weg. Niet is gebleken dat verzoeker inmiddels alles heeft geprobeerd om ander passend werk te vinden.
15. De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de intrekking van de toestemming in het geval van verzoeker passend, noodzakelijk en evenredig is. Het bestreden besluit blijft daarmee voorlopig in stand, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker voorlopig niet als beveiliger aan het werk mag en zijn beveiligingspas niet terugkrijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 7
Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
(…)
(…)
De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019
3.3.
Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
(…)
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
(…)
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2929.
Met nummer [proces-verbaalnummer 5] .
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2429, en 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2429, en 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4851.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:763.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3709. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|