Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:11074 
 
Datum uitspraak:04-09-2026
Datum gepubliceerd:23-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/5867
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de bijstandsuitkering van verzoekster. Het college heeft de bijstandsaanvraag van verzoekster in eerste instantie afgewezen. In bezwaar heeft het college een nieuw besluit genomen. Met dit besluit is aan verzoekster met terugwerkende kracht alsnog een bijstandsuitkering toegekend. Verzoekster is het (ook) met dit besluit niet eens, omdat zij vindt dat zij vanaf een eerdere datum al recht had op een bijstandsuitkering. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat zij vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/5867

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel
(gemachtigde: mr. A.B.E. Donkers-van Laar).


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de bijstandsuitkering van verzoekster. Het college heeft de bijstandsaanvraag van verzoekster in eerste instantie afgewezen. In bezwaar heeft het college een nieuw besluit genomen. Met dit besluit is aan verzoekster met terugwerkende kracht alsnog een bijstandsuitkering toegekend. Verzoekster is het (ook) met dit besluit niet eens, omdat zij vindt dat zij vanaf een eerdere datum al recht had op een bijstandsuitkering. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat zij vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.

Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

1. Verzoekster heeft op 6 maart 2026 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw, bijstandsuitkering) aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 16 april 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/4135).


1.1.
Op 5 juni 2026 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. De op 8 juni 2026 geplande zitting is om die reden niet doorgegaan.

2. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft het college verzoekster met terugwerkende kracht alsnog een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 6 april 2026. Tegen dit besluit heeft verzoekster (aanvullend) bezwaar gemaakt.



2.1.
Op 14 juli 2026 heeft verzoekster een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (ROT 26/5867, dit verzoek).



2.2.
Met het besluit van 12 augustus 2026 heeft een nabetaling op de bijstandsuitkering van verzoekster plaatsgevonden.



2.3.
Met het besluit van 25 augustus 2026 heeft het college de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 19 juni 2026 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 26 augustus 2026 beroep ingesteld (ROT 26/6936). Het verzoek wordt hiermee gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het ingediende beroep.



2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [gemachtigde] .





Beoordeling door de voorzieningenrechter


Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster is een alleenstaande moeder met vijf minderjarige kinderen. Verzoekster heeft eerder een bijstandsuitkering ontvangen in 2024 naar de norm van een
alleenstaande ouder. Vanwege werkaanvaarding is deze uitkering destijds beëindigd.


3.1.
Op 6 maart 2026 heeft verzoekster opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. In deze aanvraag vraagt zij om de bijstand met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf 13 februari 2026. Vanaf die datum heeft zij ontslag aangevraagd, omdat zij haar werkzaamheden en de zorg voor haar kinderen niet langer kon combineren.



3.2.
Het college heeft de bijstandsaanvraag met het besluit van 16 april 2026 afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster ondanks herhaald verzoek onvoldoende informatie verstrekt. Tijdens het intakegesprek op 9 april 2026 weigerde zij inzage te geven in een gezamenlijke bankrekening met [persoon A] ( [persoon A] ). Op de aanvraagdatum stond verzoekster nog ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met een eigen bedrijf. Hieraan was een gezamenlijke bankrekening (met [persoon A] ) gekoppeld. [persoon A] stond in de periode van 7 maart tot 6 april 2026 ingeschreven op het adres van verzoekster.


Waar gaat de zaak om?

4. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft het college verzoekster met terugwerkende kracht vanaf 6 april 2026 alsnog een bijstandsuitkering toegekend, naar de norm van een alleenstaande ouder. Het college is tot een toekenning met ingang van die datum gekomen, omdat [persoon A] vanaf 6 april 2026 niet langer ingeschreven staat op het adres van verzoekster. Verder was met stukken aangetoond dat de gezamenlijke rekening met [persoon A] per 11 april 2026 is opgeheven. Met het besluit van 25 augustus 2026 heeft het college dit besluit gehandhaafd.

5. Verzoekster heeft haar verzoek, ondanks de hervatting van de bijstandsuitkering, gehandhaafd, omdat zij het niet eens is met de ingangsdatum van de uitkering (6 april 2026). Zij wil met haar verzoek bereiken dat haar met terugwerkende kracht ook bijstand wordt verstrekt over de periode vanaf 6 maart 2026 (datum aanvraag) tot 6 april 2026.


Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor verzoekster de uitspraak op het beroep niet kan afwachten.



6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang (meer) heeft bij haar verzoek. Verzoekster heeft met ingang van 6 april 2026 weer onafgebroken recht op bijstand naar de voor haar geldende norm. Met haar verzoek kan verzoekster niet meer bereiken dan zij nu heeft bereikt. Van een financiële noodsituatie is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoekster heeft op de zitting zelf verklaard dat zij van de bijstandsuitkering in haar levensonderhoud kan voorzien en hiervan de vaste lasten kan voldoen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster als gevolg van de aanvankelijke afwijzing van de bijstandsaanvraag twee maanden geen inkomen heeft ontvangen, dat hierdoor betalingsachterstanden zijn ontstaan en dat nog steeds sprake is van een financieel tekort. Dit neemt echter niet weg dat verzoekster op dit moment weer bijstand ontvangt en daarmee in haar levensonderhoud kan voorzien. De voorzieningenrechter ziet daarom niet in dat op dit moment een voorlopige maatregel zou moeten worden getroffen.



6.2.
Het college heeft onderkend dat het bij de berekening van de bijstand over de maanden april tot en met juni 2026 fouten heeft gemaakt. In de maanden april en mei 2026 had verzoekster te hoge bedragen aan voorschotten ontvangen. Zonder dat verzoekster hiervan op de hoogte was gesteld, zijn beide bedragen aan voorschotten verrekend met haar uitkering van de maand juni 2026. Daarnaast was om administratieve redenen het gereserveerde vakantiegeld over de maanden april 2026 en mei 2026 nog niet aan verzoekster uitbetaald. Met het besluit van 12 augustus 2026 heeft het college deze fouten hersteld. De verrekening van € 150,73 die het college op de bijstandsuitkering van juni 2026 had toegepast is met het besluit van 12 augustus 2026 aan verzoekster terugbetaald. Ook in zoverre is van een financiële noodsituatie, of een evidente onrechtmatigheid, niet (langer) gebleken.

7. Verzoekster heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang voor haar ook ligt in het feit dat zij over de maand maart 2026 en de eerste dagen van april 2026 niet daadwerkelijk over toereikende financiële middelen heeft kunnen beschikken. Verzoekster betwist dat zij in maart 2026 daadwerkelijk loon heeft ontvangen. Voor de maand maart 2026 heeft zij tweemaal een correctie-loonstrook ontvangen, waaruit blijkt dat het salaris dat zij in maart 2026 had ontvangen, geheel is verrekend met het verschuldigde vakantiegeld, de eindejaarsuitkering en vermeende verlofdagen. Door deze verrekening van haar inkomsten heeft verzoekster niet feitelijk over haar salaris van maart 2026 kunnen beschikken. Zij heeft zelfs een bedrag van € 414,28 moeten nabetalen. Wat betreft de eerste dagen van april 2026 (1-6 april 2026) stelt verzoekster dat zij in bewijsnood verkeert. Zij kan niet met stukken aantonen dat [persoon A] al voor 6 april 2026 niet langer medebewoner was op haar adres. Ook kan zij niet beschikken over de afschriften van hun gezamenlijke rekening om inzage te geven in haar financiële situatie.



7.1.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster aanvoert geen redenen om alsnog een spoedeisend belang aan te nemen. De vraag of verzoekster recht op bijstand heeft over de maand maart 2026 en de eerste dagen van april 2026 kan in beroep aan de orde komen. De procedure van een voorlopige voorziening is hier niet voor bedoeld. Het verzoek ziet namelijk op een afgesloten periode in het verleden. De voorzieningenrechter beoordeelt slechts of een voorziening moet worden getroffen voor de toekomst en kan geen voorziening treffen die verder terug reikt dan de datum van het verzoek. Bovendien heeft de gemachtigde van het college op de zitting gesteld dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de voormalige werkgever van verzoekster. Hieruit heeft het college begrepen dat verzoekster tot en met 31 maart 2026 bij deze werkgever in dienst is geweest en tot en met die datum ook daadwerkelijk loon uitbetaald heeft gekregen. De dagen waarop verzoekster niet heeft gewerkt (maar wel had moeten werken) zijn door de werkgever aangemerkt als verlofdagen. Deze verlofdagen zijn bij de eindafrekening, samen met het tegoed aan vakantiegeld en de eindejaarsuitkering, verrekend met het salaris over de maand maart 2026. De verklaring van de voormalig werkgever vindt volgens verweerder steun in de loonstrook van maart 2026 en de correctie loonstrook van maart 2026.



7.2.
Nu de lezingen van verzoekster en het college over de salarisbetaling in maart 2026 uiteenlopen, mag van verzoekster worden verlangd dat zij haar stellingen in beroep alsnog met stukken onderbouwt. Hierbij gaat het met name om stukken waaruit blijkt dat verzoekster feitelijk niet over het salaris over maart 2026 heeft kunnen beschikken. Verzoekster zal daartoe de tweede correctieloonstrook moeten overleggen, waarover zij op de zitting heeft verklaard, alsmede de correspondentie met de werkgever waaruit blijkt dat, en hoe, er is verrekend. Daarnaast mag het college ook van verzoekster verlangen dat zij alle afschriften van de gezamenlijke bankrekening met [persoon A] over de periode van 1 maart tot 6 april 2026 overlegt, naast de afschriften van de bankrekening waarop haar salaris werd gestort.

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.





Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.
Link naar deze uitspraak