|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1217 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-09-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/1758 WIA | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vaststelling hoogte WIA-dagloon. Juiste referteperiode. Het Uwv heeft het dagloon berekend op grond van de beschikbare loongegevens uit de polisadministratie. Toepassing artikel 13, lid 1 Dagloonbesluit niet onevenredig. De besluitgever heeft een bewuste keuze gemaakt om al het loon in het refertejaar bij de dagloonberekening te betrekken. Het Uwv heeft het dagloon overeenkomstig artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 13, 16 en 18 van het Dagloonbesluit vastgesteld. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | bijstandsuitkering | | | dagloon | | | uitkering | | | | Uitspraak | 25/1758 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 augustus 2025, 25/299 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van de per 14 december 2024 toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 45,11. Appellant is van mening dat het Uwv is uitgegaan van verkeerde loongegevens. Ook heeft appellant aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat strikte toepassing van de dagloonregels leidt tot een onevenredige uitkomst. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellant heeft vanaf 1 juni 2022 gewerkt als bezorger bij V.O.F. [naam pizzeria] op basis van een oproepovereenkomst. Vanaf 6 oktober 2022 heeft appellant gewerkt als helpende stratenmaker via [naam detacheringsbureau] B.V. Met ingang van 17 december 2022 heeft appellant zich ziekgemeld. Op 9 september 2024 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 6 november 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv appellant met ingang van 14 december 2024 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Daarbij is het WIAmaandloon vastgesteld op € 981,14 en het WIA-dagloon op € 45,11. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat bezwaar was gericht tegen de hoogte van het WIAdagloon.
1.2.
Bij besluit van 23 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv het volgende ten grondslag gelegd. De hoogte van de WIA-uitkering wordt normaal gesproken berekend aan de hand van de inkomsten die appellant ontving in het jaar voordat hij ziek werd. Appellant is op 17 december 2022 ziek geworden. Eigenlijk zou de periode dan lopen van 5 december 2021 tot en met 4 december 2022. Maar omdat appellant in het eerste gedeelte van het jaar voordat hij ziek werd een bijstandsuitkering ontving en pas gedurende het jaar is gaan werken, wordt de WIA-uitkering berekend aan de hand van een afwijkende periode. Omdat appellant op 1 juni 2022 in dienst is getreden bij [naam pizzeria] wordt in zijn geval de WIA-uitkering gebaseerd op de inkomsten die hij in de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 december 2022 heeft ontvangen (referteperiode). Appellant heeft bij [naam pizzeria] in totaal € 443,30 verdiend en bij [naam detacheringsbureau] B.V. € 4.495,04. In totaal heeft appellant aan inkomsten in de referteperiode een bedrag van € 4.938,34 ontvangen. Het Uwv heeft dit loon gedeeld door 133 dagloondagen en vervolgens geïndexeerd. Dat leidt tot een dagloon van € 45,11.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv het dagloon heeft berekend in overeenstemming met artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 13, 16 en 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). De rechtbank heeft het betoog van appellant om af te wijken van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet gevolgd.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de door appellant gestelde omstandigheden niet dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Weliswaar volgt uit de toepasselijke bepalingen uit het Dagloonbesluit dat het dagloon van appellant deels wordt gebaseerd op het (relatief geringe) aantal uren dat hij bij de pizzeria in de referteperiode in loondienst heeft gewerkt, maar dit is in overeenstemming met zijn verzekerde risico. Uit artikel 13 van het Dagloonbesluit volgt namelijk dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat is genoten op het moment van het intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten in de gehele referteperiode. Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Dat appellant bij de pizzeria nauwelijks serieuze werkzaamheden heeft verricht en dat dit onder dwang was van de sociale dienst, maakt dit oordeel niet anders. Nog daargelaten dat dit standpunt niet is onderbouwd, gaat het in de wettelijke systematiek voor de vaststelling van het dagloon om feitelijk genoten inkomsten en is de vraag of in de referteperiode verrichte werkzaamheden passend waren, niet van belang. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant geen financiële gegevens of andere gegevens heeft verstrekt die inzicht geven in zijn situatie. Uit de stukken kan wel worden opgemaakt dat appellant met ingang van de datum van toekenning van zijn WIAuitkering voor een aanvullende bijstandsuitkering in aanmerking is gekomen.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Dagloonberekening
4.2.
Appellant heeft recht op een WIA-uitkering met ingang van 14 december 2024. Niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 17 december 2022 is ingetreden en dat de referteperiode voor de berekening van het WIA-dagloon loopt van 1 juni 2022 tot en met 4 december 2022. Evenmin is in geschil dat appellant in de referteperiode bij [naam detacheringsbureau] B.V. in totaal € 4.495,04 aan loon heeft ontvangen.
4.3.
Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat het Uwv bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van onjuiste loongegevens bij [naam pizzeria] . Appellant heeft aan de hand van screenshots van afschriften van zijn bankrekening betoogd dat hij alleen in de maanden juni en augustus 2022 heeft gewerkt voor [naam pizzeria] en dat het loon over deze maanden op 6 juli 2022 respectievelijk 2 september 2022 is uitbetaald. De verwarring is volgens appellant mogelijk ontstaan doordat op 5 oktober 2022 door [naam pizzeria] een bedrag aan hem is uitbetaald, maar dit bedrag is op 3 november 2022 weer terugbetaald.
4.4.
De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag het Uwv uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Appellant heeft met de overgelegde screenshots niet aangetoond dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Desgevraagd heeft appellant niet kunnen uitleggen waarom de loonbetalingen op zijn bankrekening niet stroken met de zich onder de gedingstukken bevindende salarisspecificaties en de jaaropgave 2022 van [naam pizzeria] . Het verzoek van appellant om het onderzoek te heropenen om hem in de gelegenheid te stellen bij de boekhouder van [naam pizzeria] navraag te doen over de loonbetalingen, wijst de Raad af. Appellant had die navraag veel eerder in deze procedure kunnen doen en heeft bovendien ter zitting verklaard dat navraag bij de boekhouder naar verwachting geen nieuwe informatie zal opleveren.
4.5.
De conclusie is dan ook dat het Uwv het dagloon overeenkomstig artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 13, 16 en 18 van het Dagloonbesluit heeft vastgesteld op € 45,11.
4.6.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van de geldende dagloonregels.
Toetsing van artikel 13 van het Dagloonbesluit aan het evenredigheidsbeginsel
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet blijven omdat toepassing van dit artikellid voor re-integrerende werknemers in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellant zijn reintegrerende werknemers, zoals hij, veelal (nog) niet in staat om fulltime te werken en dat heeft een onevenredig nadelig effect op de hoogte van het dagloon. Daarom moet in zijn geval een andere referteperiode worden gehanteerd en alleen het loon uit de laatste dienstbetrekking bij [naam detacheringsbureau] B.V. bij de dagloonberekening worden betrokken. In die laatste dienstbetrekking was immers sprake van een volwaardig loon.
4.8.
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Een dergelijk voorschrift kan worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast kunnen aan inhoud of wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven dat het om die reden geen toepassing kan vinden. Bij deze exceptieve toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. Daarbij wordt de toetsing door de bestuursrechter verricht op de wijze zoals uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019.
4.9.
Kenmerkend voor een groot deel van het socialezekerheidsrecht is dat, op basis van een politiek-bestuurlijke afweging, aan de hand van een aantal objectieve en meetbare criteria groepen van rechthebbenden worden gedefinieerd en de duur en omvang van hun financiële aanspraak wordt vastgesteld. Deze criteria, die noodzakelijkerwijs enigszins arbitrair zijn, bepalen de grens tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak aan de betreffende regeling kunnen ontlenen. Een regeling waarbij wordt vastgesteld in welke situaties en onder welke voorwaarden aanspraak ontstaat op een socialezekerheidsuitkering, is derhalve bij uitstek voorwerp van een politiek-bestuurlijke afweging als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019. Een verzoek om rechterlijke toetsing van een op zo’n regeling gebaseerd besluit waarbij dwingendrechtelijke bepalingen zijn toegepast aan het evenredigheidsbeginsel, vraagt in feite van de rechter naar eigen inzicht vast te stellen welke belangen in die politiek-bestuurlijke afweging (hadden) moeten worden betrokken en welk gewicht aan die belangen zou moeten worden toegekend. Ook een klacht over de voorbereiding en motivering van een dergelijke regeling, op de grond dat de belangen van een bepaalde groep ten onrechte niet specifiek zijn onderzocht en expliciet zijn meegewogen, vraagt in wezen een politiek-bestuurlijk getint oordeel van de rechter, te weten een oordeel over de vraag of de regelgever specifiek aandacht had moeten besteden aan (de bijzondere eigenschappen van) die groep. Ten aanzien van dit soort argumentatie past, zoals blijkt uit de uitspraak van 1 juli 2019, een (zeer) terughoudende benadering van de rechter. Deze terughoudendheid vindt zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen.
4.10.
De grond dat artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De Raad heeft al vaker overwogen dat de besluitgever een bewuste keuze heeft gemaakt om al het loon in het refertejaar bij de dagloonberekening te betrekken. Daarbij maakt de besluitgever geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. In het Dagloonbesluit is ook geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 13, derde lid, van de Wet WIA om afwijkende regels te stellen. Appellant heeft niet gesteld dat de besluitgever, door geen aparte regeling te treffen voor de berekening van het dagloon voor re-integrerende werknemers, fundamentele rechten heeft geschonden. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de regeling in artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit, waarbij het loon uit alle dienstbetrekkingen in het refertejaar wordt meegerekend, de in 4.9 genoemde terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Er is daarom geen aanleiding deze bepaling buiten toepassing te laten.
Rechtstreekse toetsing van het besluit aan het evenredigheidsbeginsel
4.11.
Appellant heeft ook aangevoerd dat toepassing van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit in zijn geval onevenredig nadelig uitpakt. Appellant stelt primair dat het loon bij [naam pizzeria] helemaal uit de dagloonberekening moet worden gehaald en dat het dagloon enkel berekend moet worden op basis van het loon uit het laatste dienstverband bij [naam detacheringsbureau] B.V. Volgens appellant werd hij vanwege zijn bijstandsuitkering regelmatig door de sociale dienst onder druk gezet om te re-integreren en heeft hij om die reden het werk bij de pizzeria aanvaard. Dat betrof volgens appellant echter geen serieuze baan, vanwege de geringe omvang en de geringe verdiensten. Van dat loon kon hij niet leven. Het was meer een vriendendienst. Daarom vindt appellant het meenemen van het loon bij [naam pizzeria] bij de dagloonberekening onevenwichtig. Subsidiair stelt appellant dat, indien en voor zover wel rekening moet worden gehouden met het loon bij de pizzeria, niet alle loondagen in een maand meegerekend moeten worden, maar enkel de dagen waarop hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij een oproepovereenkomst had waarbij geen sprake was van een doorlopend dienstverband maar telkens sprake was van een arbeidsovereenkomst voor één dag.
4.12.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13 van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Zoals onder 4.10 is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding om deze bepaling bij een exceptieve toets buiten beschouwing te laten. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van een onevenredig nadeel.
4.13.
De Raad heeft al vaker overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van het intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen.
4.14.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn primaire standpunt. Dat appellant het werk bij [naam pizzeria] heeft geaccepteerd omdat hij onder druk werd gezet door de sociale dienst leidt, nog daargelaten dat hij die stelling niet heeft onderbouwd, er niet toe dat in dit geval zou moeten worden afgeweken van het historisch dagloon. Appellant heeft die stelling ook in hoger beroep niet onderbouwd. Bovendien gaat het, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in de wettelijke systematiek voor de vaststelling van het dagloon om feitelijk genoten inkomsten. De vraag of in de referteperiode verrichte werkzaamheden passend waren, is hierbij niet van belang. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat de werkzaamheden bij [naam pizzeria] geen serieuze baan betroffen en veeleer moeten worden gezien als een vriendendienst.
4.15.
Ook het subsidiaire standpunt van appellant treft geen doel. Het Uwv heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de opvatting van appellant geen wettelijke basis heeft en niet past in de systematiek van het Dagloonbesluit. Wanneer er loon in een periode wordt genoten worden de dagloondagen van deze periode meegenomen en niet enkel de gewerkte dagen. Dat appellant werkzaam was op basis van een oproepovereenkomst, waarbij geen sprake was van een doorlopende arbeidsovereenkomst, is hierbij niet relevant.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv het WIA-dagloon terecht heeft vastgesteld op € 45,11.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA):
Artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA:
Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.
Artikel 13, derde lid, van de Wet WIA:
Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit):
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden (…)
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA (…) is de uitkomst van de volgende berekening:
((A–B) x 108/100 + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag (…);
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag (…)
D staat voor 261.
Artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit (dagloon starter en herintreder):
Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoel in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, <<261>> te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.
CRvB 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:869.
ECLI:NL:CRVB:2019:2016.
Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458 en van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1541.
Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190 en van 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:344.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602 en van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1541. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|