|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5646 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 12126767 EJ VERZ 26-42 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Ontslag afwikkelingsbewindvoerder. | | Trefwoorden | : | echtscheiding | | | erfgenamen | | | huwelijkse voorwaarden | | | legitieme portie | | | testament | | | verrekenbeding | | | wettelijke verdeling | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12126767 \ EJ VERZ 26-42
Beschikking van 6 juli 2026
in de zaak van
1
[verzoeker 1],
wonende te [woonplaats 1],2. [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats 2],
verzoekende partijen,
hierna te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
gemachtigde: mr. L. Schellevis,
tegen
1
[verweerder 1],
wonende te [woonplaats 3],2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats 4],
verwerende partijen,
hierna te noemen: [verweerder 1] en [verweerder 2],
gemachtigde: mr. M.H. van Olden,
Belanghebbende:
[belanghebbende]
,
wonende te [woonplaats 5],
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende].
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 34;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026 waarbij [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verweerder 2] met hun gemachtigden zijn verschenen en waarbij door de gemachtigden spreekaantekeningen zijn overgelegd. [verweerder 1] en [belanghebbende] - die volgens [verweerder 2] wel van deze mondelinge behandeling op de hoogte is - zijn niet verschenen. Tijdens de behandeling heeft mr. Van Olden verzocht de behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Dit verzoek is op de mondelinge behandeling afgewezen;
1.2
De beschikking was aanvankelijk bepaald op vier weken en partijen zouden op 18 mei 2026 doorgeven of een minnelijke regeling tot stand zou zijn gekomen. De zaak is daarna aangehouden tot 8 juni 2026. Mr. Schellevis heeft bij brieven van 13 mei en 2 juni 2026 (herhaald) verzocht om uitspraak te doen en de na de mondelinge behandeling door mr. Van Olden aan verzoekers gestuurde stukken (waarnaar Mr. Van Olden in haar mailberichten van 13 en 18 mei 2026 verwijst) buiten beschouwing te laten. Deze stukken worden gelet op artikel 1.7.3 van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter buiten beschouwing gelaten, voor zover zij betrekking hebben op het inhoudelijke geschil. De beschikking wordt vandaag gegeven.
2De feiten
2.1
Op [overlijdensdatum] 2025 is te [plaats] overleden de heer [erflater], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954 (hierna: erflater).
2.2
Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [verweerder 2]. Bij akte van 2 september 2013 verleden voor notaris mr. M.J. Dussel te Rotterdam zijn erflater en [verweerder 2] huwelijkse voorwaarden overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten. In deze akte is een verrekenbeding opgenomen ingeval het huwelijk wordt ontbonden door overlijden waarbij de vermogens van de echtgenoten dienen te worden verrekend alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Hiervan is uitgesloten het vermogen dat krachtens uitsluitingsclausule is verkregen, de goederen die ten huwelijk zijn aangebracht en het ondernemingsvermogen van een echtgenoot.
2.3
Erflater is eerder gehuwd geweest met mevrouw [naam] welk huwelijk is ontbonden door echtscheiding. Uit dit huwelijk zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geboren.
2.4
Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 27 november 2018. In dit testament heeft erflater de wettelijke verdeling uitgesloten en aan [verweerder 2] het recht van vruchtgebruik van zijn nalatenschap gelegateerd. Erflater heeft [verweerder 2], [verzoeker 1], [verzoeker 2] en zijn stiefdochter [belanghebbende], de dochter van [verweerder 2], ieder voor ¼ gedeelte tot erfgenamen benoemd. [verweerder 2] en [belanghebbende] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en hebben een beroep op hun legitieme portie gedaan.
2.5
[verweerder 2] is in het testament van erflater benoemd tot uitvaartexecuteur. Daarnaast is in artikel 10 van het testament van erflater een afwikkelingsbewind ingesteld. Erflater heeft [verweerder 2] en [verweerder 1] daarin tezamen tot afwikkelingsbewindvoerders benoemd.
Zij hebben deze benoeming aanvaard en verklaard dat de nalatenschap ruimschoots voldoende is zodat de wettelijke vereffening niet van toepassing is.
2.6
[verweerder 2] en [verweerder 1] hebben notaris Dussel tot boedelnotaris aangewezen.
3Het verzoek en het verweer
3.1
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken:
bij wijze van voorlopige voorziening hangende het onderzoek [verweerder 2] en [verweerder 1] onmiddellijk te schorsen als executeurs en/of afwikkelingsbewindvoerders met betrekking tot de nalatenschap van erflater, althans te beslissen zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;
en voorts [verweerder 1] en [verweerder 2] op grond van artikel 4:149 lid 2 BW als executeur en/of op grond van artikel 4:164 lid 2 BW als afwikkelingsbewindvoerder met betrekking tot de nalatenschap van erflater te ontslaan en aansluitend mr. Ph.A.J. Raaijmaakers te benoemen tot executeur en/of afwikkelingsbewindvoerder, althans te beslissen zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;
met veroordeling van [verweerder 1] en [verweerder 2] in de kosten van deze procedure.
3.2
Aan het verzoek hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten grondslag gelegd dat [verweerder 1] en [verweerder 2] ernstig tekort schieten in de vervulling van hun taak als executeurs en afwikkelingsbewindvoerders. Hoewel in het testament niet expliciet of afzonderlijk de (beheers)executele wordt benoemd, stellen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] dat op basis van het testament aan de afwikkelingsbewindvoerder zowel de bevoegdheden van een executeur, zoals bedoeld in artikel 4:144 BW, als van een afwikkelingsbewindvoerder toekomen. [verweerder 2] en [verweerder 1] verstrekken in hun hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder volgens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet de door hen verzochte en noodzakelijke informatie. Zij geven geen antwoord op specifieke en gemotiveerde vragen, terwijl zij wel over de informatie beschikken of moeten kunnen beschikken. Ook verzoeken die samenhangen met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waaronder het in kaart brengen van het vermogen van [verweerder 2] en het vermogen dat door erflater onder uitsluitingsclausule is verkregen, worden afgedaan als niet relevant of worden terzijde geschoven. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] stellen dat zij niet of selectief worden geïnformeerd. Bij hen is ernstig wantrouwen ontstaan over de wijze waarop [verweerder 1] en [verweerder 2] hun taken uitoefenen, waarbij er volgens hen vooringenomenheid is ten gunste van [verweerder 2] en ten nadele van hen. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] menen daarom dat sprake is van een situatie waarin van hen niet langer kan worden gevergd dat de nalatenschap door [verweerder 2] en [verweerder 1] wordt beheerd en afgewikkeld. Daarom is sprake is van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 4:149 lid 2 BW en 4:164 lid 2 BW die het ontslag van [verweerder 2] en [verweerder 1] als executeurs en afwikkelingsbewindvoerders rechtvaardigt. Volgens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] is op dit moment sprake van verkoop en ontruiming van de woning van erflater. Om te voorkomen dat relevante administratieve bescheiden verloren gaat vorderen zij daarom tevens hangende de verdere behandeling van het verzoek bij wijze van voorlopige voorziening de schorsing van [verweerder 2] en [verweerder 1].
3.3
[verweerder 1] en [verweerder 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij betwisten onvoldoende informatie te hebben verstrekt en dat er sprake zou zijn van onherstelbaar wantrouwen. Het door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gestelde wantrouwen berust niet op objectieve gronden, maar op subjectieve onvrede over de omvang van de informatieverstrekking, de wijze waarop [verweerder 1] en [verweerder 2] de belangen van alle betrokkenen afwegen en juridische standpunten waarmee de verzoekers het niet eens zijn. Geen van deze gronden levert volgens hen een gewichtige reden op voor ontslag.
4De beoordeling
Ontslag afwikkelingsbewindvoerders
4.1
Het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] richt zich zowel op ontslag van verweerders als executeurs op grond van artikel 4:149 lid 2 BW als op grond van artikel 4:164 lid 2 BW als afwikkelingsbewindvoerders. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn in artikel 10 van het testament van erflater tezamen tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd voor de afhandeling van de nalatenschap, zodat alleen het verzoek tot ontslag als bewindvoerders kan worden beoordeeld.
4.2
Op grond van artikel 10 van het testament van erflater en artikel 4:164 lid 1 onder d en e lid 2 BW eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door ontslag door de kantonrechter. Als de bewindvoerder dit niet zelf verzoekt kan dit op grond van artikel 4:164 lid 2 BW alleen wegens gewichtige redenen. Daarvan kan sprake zijn wanneer de bewindvoerder ongeschikt blijkt tot het uitoefenen van zijn taken of in die uitvoering tekortschiet, of wanneer er sprake is van een diepgaand, niet aanstonds weg te nemen wantrouwen van de erfgenamen in de afwikkelingsbewindvoerder. Dit wantrouwen dient gestoeld te zijn op concrete en objectieve feiten.
4.3
Voldoende is komen vast te staan dat van zodanig wantrouwen sprake is.
Hun argwaan is volgens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ontstaan tijdens een gesprek met [verweerder 2] in oktober 2025, nadat zij van de notaris een boedelbeschrijving hadden ontvangen die bij hen vragen opriep. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] vinden dat [verweerder 2] tijdens dit gesprek ontwijkende en tegenstrijdige antwoorden gaf over onder meer een ontvangen dividenduitkering uit [bedrijf] B.V. van € 625.000 (“familiepotje”) en de aanwending ervan voor een schuld van erflater. Volgens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben verweerders meerdere malen een aangepaste boedelbeschrijving opgemaakt en zijn daarin diverse correcties gemaakt onder meer ten aanzien van een vordering van [verweerder 2] op de nalatenschap en het belang in [bedrijf] B.V. zonder een controleerbare toelichting. Een sluitende onderbouwing van veel van de in de boedelbeschrijving opgenomen bestanddelen is ondanks meerdere verzoeken volgens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet ontvangen. Ook stellen zij dat hen bij herhaling geen of onvoldoende inzage is gegeven in het vermogen van [verweerder 2], terwijl dit noodzakelijk is op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. Hoewel door [verweerder 1] en [verweerder 2] inmiddels veel informatie in de procedure is gebracht heeft dat het wantrouwen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet weg kunnen nemen.
4.4
De kantonrechter heeft begrip voor dat wantrouwen, niet omdat hij het eens is met wat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] daaraan inhoudelijk ten grondslag leggen, maar omdat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] met kracht van argumenten stellen dat zij onvoldoende informatie hebben gekregen. In de gegeven omstandigheden, waarin partijen weinig vertrouwen in elkaar hebben, had het de bewindvoerders gepast om [verzoeker 1] en Piet ruimhartig van informatie te voorzien. In plaats daarvan hebben zij de informatievoorziening beperkt tot wat evident moest worden verstrekt. Waar zij het wantrouwen met ruimhartigheid hadden kunnen beperken, hebben zij het wantrouwen juist gevoed door over een aantal onderwerpen te zwijgen. Dat levert een gewichtige reden in de zin van artikel 4:164 lid 2 BW op. Daarom zal de kantonrechter [verweerder 2] en [verweerder 1] ontslaan als afwikkelingsbewindvoerder op het moment dat de opvolgend afwikkelingsbewindvoerder zoals hierna verder wordt overwegen wordt benoemd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hen op grond van de verzochte voorlopige voorziening tussentijds te schorsen.
Benoeming opvolgend afwikkelingsbewindvoerder
4.5
In artikel 10 van het testament is bepaald dat indien een bewindvoerder komt te ontbreken de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende een vervanger kan benoemen. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben verzocht om mr. Ph.A.J. Raaijmaakers te benoemen tot afwikkelingsbewindvoerder. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de kantonrechter verzocht om een voorstel te doen voor een deskundige en om daarna de gelegenheid te krijgen zich hier over uit te laten. De kantonrechter heeft mr. B.O. Kapma, werkzaam bij KB notarissen B.V. te Amsterdam, bereid gevonden om tot afwikkelingsbewindvoerder te worden benoemd. Mr. Kapma heeft bij mailbericht van 2 juli 2026 laten weten dat voor hen gebruikelijk is om dat via Stichting KB notarissen Executele & Bewind, kantoorhoudend te Amsterdam aan de Nachtwachtlaan 20, waarvan mr. Kapma bestuurder is, te doen. De feitelijke werkzaamheden zullen volgens mr. Kapma door hem en zijn naaste medewerkers worden uitgevoerd. Zij voeren de werkzaamheden uit op basis van het Recofa tarief en deze zullen maandelijks aan de boedel gedeclareerd worden. Mr. Kapma heeft aangegeven vrij te staan tot partijen. De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar na te melden rolzitting zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de te benoemen afwikkelingsbewindvoerder.
4.6
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
stelt partijen in de gelegenheid om zich binnen twee weken na heden uit te laten over de benoeming van de voorgestelde afwikkelingsbewindvoerder;
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|