|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:8695 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 24/3184 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Weigering om drie private schulden over te nemen op grond van de Wht. Beroep gegrond ten aanzien van één van de schulden. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3184
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en
de minister van Financiën, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om drie private schulden van eiser over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat één schuld van eiser voldoet aan de voorwaarden om voor overname van schulden in aanmerking te komen. Eiser krijgt op dit punt gelijk en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat de minister de schuld van € 827,50 overneemt. De overige schulden zijn terecht niet overgenomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om overname van drie schulden aan DigiDeur inzake ABN AMRO. Dit verzoek is met het besluit van 22 september 2023 (primair besluit) afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 8 februari 2024 (bestreden besluit 1) is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen. De schuld aan DigiDeur inzake ABN AMRO met [referentienummer 1] , ten bedrage van € 827,65 wordt overgenomen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het besluit van 8 februari 2024 beroep ingesteld.
2.1.
Bij besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit 2) heeft de minister het besluit van 8 februari 2024 ingetrokken, vervangen door een nieuw besluit en het bezwaar ongegrond verklaard. De drie aangemelde schulden worden niet overgenomen. De rechtbank merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en mr. [vertegenwoordiger] namens de minister.
2.3.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft op 14 september 2023 aan de Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van drie schulden aan DigiDeur inzake ABN AMRO (referentienummers [referentienummer 2] , [referentienummer 1] en [referentienummer 3] ) voor een totaalbedrag van € 64.994,95.
3.1.
Nadat met het primaire besluit dit verzoek is afgewezen, is met het bestreden besluit 1 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. De schuld aan DigiDeur inzake ABN AMRO (referentie [referentienummer 1] ) van € 827,65 wordt toch overgenomen.
3.2
Met het bestreden besluit 2 heeft de minister bestreden besluit 1 ingetrokken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de drie schulden aan DigiDeur inzake ABN AMRO op 25 juli 2022 en 4 augustus 2022 reeds is beslist onder de [naam] inzake ABN AMRO. De schulden zijn destijds niet overgenomen.
In het bestreden besluit 2 heeft de minister geweigerd om de drie schulden over te nemen. Het gaat om:
a. DigiDeur inzake ABN AMRO (ref. [referentienummer 2] ), dit betreft een flexibel krediet (hierna schuld A);
b. DigiDeur inzake ABN AMRO (ref. [referentienummer 1] ), dit betreft een privé limiet plus overeenkomst (hierna schuld B);
c. DigiDeur inzake ABN AMRO (ref. [referentienummer 3] ), dit betreft een ondernemingsrekeningcourant krediet/zakelijke vordering (hierna schuld C).
De schulden A en C zijn ontstaan en opeisbaar geworden vóór 31 december 2005, en voldoen daardoor niet aan de voorwaarden om voor overname in aanmerking te komen. Schuld B voldoet volgens de minister ook niet aan de voorwaarden voor overname. Uit informatie verkregen van (voormalig) schuldeiser [naam] volgt dat de vordering in 2015 volledig is voldaan. De schuld stond daarmee niet meer open op het moment waarop de aanvraag werd gedaan.
De minister stelt verder dat door het ontbreken van financiële documentatie en het gebrek aan gepresenteerde omstandigheden het niet mogelijk is om een oordeel geven over de mate waarin de hardheidsclausule kan worden toegepast.
Beroepsgronden
4. Ten aanzien van schuld B ontkent eiser dat deze schuld in 2015 was voldaan. Hij wijst erop dat schuldeiser [naam] op 4 juni 2022 heeft bevestigd dat een schuld bestond van € 382,93. Op 15 september 2023 werd door [naam] bevestigd dat de schuld € 837,65 bedroeg. ABN AMRO heeft op 7 februari 2024 verklaard dat deze openstaande schuld was kwijtgescholden omdat eiser was erkend als gedupeerde van de toeslagaffaire. De schuld bij ABN AMRO bestond volgens eiser op 7 februari 2024. De schuld stond daarmee wel open op het moment dat de aanvraag werd gedaan.
Eiser stelt verder dat hij door het niet overnemen van de schulden onredelijk hard wordt geraakt. De herstelregelingen zijn bedoeld om betrokkenen de kans te geven met een schone lei te beginnen. Hij ondervindt door de BKR-registratie problemen met het verkrijgen van een hypotheek en creditcard. De compensatie die eiser heeft ontvangen gaat teniet door het aflossen van deze schulden. De datum waarop de schulden zijn opgeëist ligt net voor de peildatum van 1 januari 2006. Dit maakt het onredelijk dat de schulden niet (tenminste deels) worden afgelost.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de weigering van de minister om drie private schulden van eiser over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesbelang
7. De rechtbank stelt vast dat de minister met bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 heeft ingetrokken. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een oordeel over bestreden besluit 1. Het beroep tegen dit besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Herhaalde aanvraag
8. De rechtbank stelt vast dat de minister bij besluit van 4 augustus 2022 onder de naam ‘ [naam] inzake ABN AMRO’ heeft beslist op de schulden A en B van eiser aan ABN AMRO van € 28.000,- en € 5.000,-. Bij besluit van 25 juli 2022 is onder de naam ‘ [naam] inzake ABN AMRO’ beslist op de schuld C van eiser aan ABN AMRO van € 29.181,21. De minister heeft in deze besluiten aangegeven dat de schulden niet worden betaald omdat sprake is van een financieel product.
Eiser heeft op 14 september 2023 opnieuw een schuldenlijst ingezonden, met daarop drie schulden van DigiDeur inzake ABN AMRO, voor een totaalbedrag van € 64.994,95. Niet in geschil is dat het hier inhoudelijk dezelfde schulden aan ABN AMRO betreft als waar in de besluiten van 25 juli 2022 en 4 augustus 2022 al op is beslist.
8.1.
De gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat in het primaire besluit van 22 september 2023 code ‘ 10 ’ (‘Deze schuld stond meerdere keren op uw schuldenlijst(en). We behandelen deze schuld één keer.’) is gehanteerd voor de weigering de schulden over te nemen. Dat betekent volgens de minister dat is getoetst of sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Er is echter toch gekozen om de schulden opnieuw inhoudelijk te bekijken. Met code ‘4’ (‘Deze schuld is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.’) is de aanvraag inhoudelijk afgewezen.
Deze inhoudelijke afwijzing ligt nu voor.
Overnemen private schulden
9. In artikel 4.1 van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een geldschuld voor overname in aanmerking komt. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld is niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
9.1.
De rechtbank zal per schuld beoordelen of de minister op goede gronden heeft geweigerd de schuld over te nemen.
Schuld B
10 . Schuld B betreft een schuld aan DigiDeur inzake ABN, inzake een privé limiet plus overeenkomst, waarvan [naam] op 15 september 2023 heeft gemeld dat de openstaande schuld € 827,65 bedroeg.
10.1.
De minister heeft in het bestreden besluit 1 aangegeven dat deze schuld voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht en daarom is besloten de schuld van € 827,65 over te nemen.
In het bestreden besluit 2 heeft de minister aangegeven dat SBN contact heeft opgenomen met [naam] . De schuldeiser heeft verklaard dat de vordering in 2015 volledig was voldaan. Schuld B komt daarom op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder c, toch niet voor overname in aanmerking.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat het dossier weinig aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de vordering al in 2015 was voldaan. De minister heeft enkel gewezen op interne correspondentie waarin staat dat de schuldregelaar contact heeft opgenomen met [naam] en dat daaruit is gebleken dat de vordering in 2015 volledig is voldaan. [naam] kan echter niet meer achterhalen wie de vordering heeft betaald. Stukken van [naam] die voorgaande bevestigen ontbreken in het dossier, terwijl in de brief van 15 september 2023 van [naam] gericht aan eiser wel wordt gesproken over de openstaande vordering van € 827,65. In de brief van ABN AMRO van 7 februari 2024 gericht aan eiser ten aanzien van eisers bezwaar tegen een BKR registratie, staat dat de onderhavige schuld is kwijtgescholden en dat de registratie hiervan in zijn geheel is verwijderd. Wanneer deze schuld is kwijtgescholden is echter niet vermeld.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet afdoende heeft onderbouwd dat de vordering reeds in 2015 is voldaan. [naam] stelt immers op 15 september 2023 dat de vordering nog open staat, terwijl de brief van ABN AMRO van 7 februari 2024 niet uitsluit dat de vordering tot dat moment heeft bestaan. Dat betekent dat eiser het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wht niet tegengeworpen kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank voldeed deze schuld aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor overname op grond van de Wht. De minister heeft dus ten onrechte geweigerd de schuld van € 827,50 over te nemen. Het beroep is in zoverre gegrond.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, indien en voor zover deze schuld nu niet meer bestaat, eiser geen procesbelang zou hebben bij voornoemd oordeel over de overname van de schuld. Over het op dit moment al dan niet bestaan van deze schuld bevinden zich echter geen sluitende stukken in het dossier. Daarom werpt de rechtbank eiser het ontbreken van procesbelang op dit punt niet tegen.
Schulden A en C
11. Eiser heeft erkend dat ten aanzien van de schulden A en C aan DigiDeur inzake ABN AMRO niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Wht. De schulden zijn namelijk al opeisbaar geworden op 8 december 2005 respectievelijk 16 december 2005, dus vóór 31 december 2005. Nu deze schulden vlak voor de peildatum van 31 december 2005 opeisbaar zijn geworden, is het volgens eiser onredelijk om vast te blijven houden aan deze datum. Hij doet een beroep op de hardheidsclausule. Doordat de schulden niet afgelost worden, blijft de BKR-registratie staan en ondervindt eiser problemen met het afsluiten van een hypotheek en verkrijgen van een creditcard. Volgens eiser moet hij de verkregen compensatie nu besteden aan deze schulden en kan hij zo niet verder. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser ter zitting gewezen op de brief van 1 december 2023 en de bij deze brief behorende bijlagen 2-36 en de aanvulling daarop van 8 februari 2026 met bijlagen 37-44.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier waar de rechtbank over beschikt, de bij het beroepschrift overgelegde brief van 1 december 2023 enkel voorzien is van de bijlagen 2, 3, 27 en 30. De aanvulling van 8 februari 2024 met de bijlagen 37-44 zit wel geheel in het dossier. In de brief van 1 december 2023 wordt beschreven wat in de ontbrekende bijlagen staat. De ontbrekende bijlagen betreffen met name correspondentie aan en van ABN-AMRO en [naam] , en besluiten in het kader van herstelregelingen. De gestelde inhoud daarvan wordt niet weersproken door de minister. Aan de hand van de beschrijvingen in de brief is het de rechtbank voldoende duidelijk wat het standpunt van eiser is. Overigens bevindt een deel van de ontbrekende bijlagen bij de brief van 1 december 2023, zich wel elders in het dossier. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de resterende ontbrekende bijlagen alsnog op te vragen.
11.2.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van onder meer artikel 4.1 van de Wht, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
11.3.
Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade (kunnen) hebben geleid. Voor deze situatie beogen de herstelmaatregelen uit de Wht immers een oplossing te bieden. Het moet volgens de Afdeling gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijdende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen.
11.4.
Door de minister wordt niet weersproken dat eiser financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de weigering de schulden over te nemen. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser overname van de schulden wenst, volgt uit de omstandigheid dat hij gedupeerde van de toeslagaffaire is, niet zonder meer dat de hardheidsclausule in het kader van de regeling voor private schulden moet worden toegepast. Zonder afbreuk te willen doen aan de gevolgen voor eiser, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet worden aangenomen dat sprake is van een actuele, serieuze en structurele financiële nood, die maakt dat zijn situatie zodanig schrijnend is dat het maken van een nieuwe start wordt belemmerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie over de periode tussen de aanvraag om overname van de schulden en het bestreden besluit van 16 juli 2024 en ook niet over zijn actuele financiële positie. Dat sprake is (geweest) van een financiële noodsituatie kan dan ook niet worden vastgesteld. Ook is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een zodanig persoonlijk ontwrichtende situatie of ernstige medische omstandigheden dat het maken van een nieuwe start wordt belemmerd. Eiser heeft weliswaar een BKR-registratie gekregen, en hierdoor problemen ondervonden met het verkrijgen van een hypotheek en creditcard, maar niet is gebleken dat dit tot een ontwrichtende situatie in voornoemde zin heeft geleid.
Eiser heeft geen andere omstandigheden gesteld waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat er sprake van een bijzondere of schrijnende situatie. Dat de schulden zijn ontstaan en opeisbaar zijn geworden vlak voor de peildatum van 31 december 2005 kan niet gelden als bijzondere omstandigheid, omdat dit inherent is aan het stellen van een peildatum.
11.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 1 en gegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 2. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het bestreden besluit 2, voor zover dat betrekking heeft op schuld B, te vernietigen, te bepalen dat de minister deze schuld tot een bedrag van € 827,50 over moet nemen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 2.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen.
12.2.
Eiser heeft een formulier proceskosten overgelegd, waarin wordt verzocht om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoeding van verletkosten van € 300,- en vergoeding van € 10 ,80 aan reiskosten.
De hoogte van de proceskosten wordt door de rechtbank bepaald aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiser is eerst in de beroepsfase betrokken bij de zaak. Het door hem ingediende beroepschrift was gericht tegen de onderdelen van de besluitvorming in bestreden besluit 1 die ook in bestreden besluit 2 terecht zijn afgewezen. Eiser heeft zelf beroepsgronden ingediend tegen bestreden besluit 2. De rechtbank zal daarom alleen voor de proceshandeling bijwonen van de zitting een vergoeding van € 934,- toekennen.
Reiskosten die voor vergoeding in aanmerking komen worden berekend aan de hand van de kosten openbaar vervoer, laagste klasse. Voor eiser komt dit neer op € 10 ,80.
Verletkosten zijn kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. De rechtbank gaat uit van in totaal drie uur aan reistijd en tijdsduur van de zitting. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan het door eiser gestelde uurtarief. Voor eiser komt dit neer op € 300,-.
De proceskosten bedragen in totaal € 1.244,80.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 1;
verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 2;
vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover het ziet op het niet overnemen van schuld B;
bepaalt dat de minister schuld B van € 827,50 van eiser overneemt;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit 2;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.224,80.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
(…)
d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;
(…)
Artikel 9.1
(…)
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;(…)
Bijlagen 8 t/m 12, 18 t/m 20, 26 en 31.
ECLI:NL:RVS:2026:918.
Artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder d, van het Bpb.
Artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|