|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:8689 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/3506 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | afwijzing pgb voor informele begeleiding ogv Jw. | | Trefwoorden | : | kinderbijslag | | | zorgkosten | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3506
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit [plaats] , eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door [de moeder] (moeder) en [de vader] (vader)
(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor informele begeleiding op grond van de Jeugdwet. De ouders van eiseres zijn het hier niet mee eens. Namens eiseres voeren zij daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit zowel onderzoeks- als motiveringsgebreken bevat. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Namens eiseres is een aanvraag ingediend op grond van de Jeugdwet. Het college heeft met het primaire besluit van 27 november 2024 een voorziening voor dagbesteding toegewezen en een verzocht pgb voor informele begeleiding afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college, met een aanvulling op de motivering, bij de afwijzing van het pgb gebleven.
2.1.
Namens eiseres is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar moeder en vader, bijgestaan door haar gemachtigde en namens het college mr. [vertegenwoordiger college] .
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Eiseres, geboren [geboortedag] 2014, heeft mentale en fysieke beperkingen. Deze problematiek zorgt ervoor dat zij aansturing en begeleiding nodig heeft bij dagelijkse taken.
4. Namens haar hebben haar ouders op 24 mei 2024 een aanvraag op grond van de Jeugdwet ingediend. Het college heeft met het primaire besluit een voorziening voor dagbesteding toegekend (zaterdagmiddag om de week een halve dag en woensdagmiddag elke week een halve dag en in vakanties een hele dag), en het gevraagde pgb voor de informele ondersteuning afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college deze beslissing gehandhaafd en gewezen op voorliggende voorzieningen voor terugkerende zorgkosten. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat, gelet op het geheel aan voorzieningen en het ontbreken van concrete belemmeringen in de draagkracht van het netwerk, de resterende ondersteuning geen aanleiding en noodzaak geeft voor toekenning van een pgb. Daarnaast wordt een pgb niet verstrekt als de ingekochte ondersteuning leidt tot overbelasting van de verzorger. Aangezien de moeder overbelast is, zou toekenning van een pgb niet bijdragen aan daadwerkelijke ontlasting van de thuissituatie.
Het standpunt van eiseres
5. Volgens de ouders van eiseres gaat de zorg die moeder moet geven de gebruikelijke zorg voor een 10-jarig meisje ver te boven. Zij heeft namelijk bij alle dagelijkse handelingen hulp nodig. Bovendien ontbreekt een deugdelijke wettelijke grondslag, aangezien de Verordening het begrip ‘bovengebruikelijke zorg’ niet uitlegt. De Verordening biedt onvoldoende rechtszekerheid. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 mei 2024.
6. Daarnaast gaat het college in de beslissing op bezwaar vooral in op de financiële situatie van het gezin en niet op de hulp, begeleiding en ondersteuning die met name de moeder biedt. Het college heeft het stappenplan daarom niet correct gevolgd. Met name het volledig in kaart brengen van de hulpvraag en de aard en omvang van de benodigde hulp is niet correct gebeurd. Door de opmerking van het college dat de ouders beschikbaar zijn en ook zonder betaling voor hun dochter zullen zorgen, worden de hulpvragen opzij geschoven. Volgens de ouders zijn de volgende hulpvragen aan de orde:
een pgb voor de bovengebruikelijke hulp die met name moeder biedt;
ouderbegeleiding;
tegemoetkoming in de kosten van extra bewassing en kleding vanwege grotere slijtgage; en
extra kosten voor (begeleiding bij) vervoer.
7. Verder is gesteld dat de weigeringsgronden van het college om een pgb toe te kennen voor de begeleiding die moeder biedt (te weten: dat de ouders over voldoende eigen kracht beschikken, dat een pgb geen pure financiële vergoeding kan zijn voor het ontbreken van betaald werk, dat de hulpvragen binnen bestaande voorzieningen opgelost kunnen worden en dat de moeder overspannen zou zijn) niet volgen uit de Verordening. Er is naar de belasting van de moeder geen onderzoek gedaan. Volgens artikel 3.6 van de beleidsregels had dit wel moeten plaatsvinden, mede aan de hand van de bijlagen bij de beleidsregels.
Wettelijk kader
8. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Heeft het college het stappenplan correct gevolgd?
9. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat bij een aanvraag voor jeugdhulp in het kader van artikel 2.3 van de Jeugdwet het college het stappenplan moet doorlopen. Dit stappenplan houdt het volgende in:
stap 1: vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is;
stap 2: vaststellen of zich opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voordoen en zo ja, welke dat zijn;
stap 3: bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
stap 4: onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;
stap 5: tot slot dient dan te worden bepaald welke voorziening nodig is.
10. Het college heeft het primaire besluit gebaseerd op het plan van aanpak van 7 november 2024. Nadat de bezwaaradviescommissie de advisering in bezwaar had opgeschort in afwachting van nader onderzoek, heeft het college meerdere gesprekken gevoerd met de moeder van eiseres en informatie van de school ingewonnen. Daarna is het plan van aanpak van 18 april 2025 opgesteld en is het bestreden besluit genomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn weliswaar de stappen uit het stappenplan door het college benoemd, maar nog altijd niet allemaal op inzichtelijke en voldoende wijze doorlopen, met name stap 3 en stap 4. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Stap 1: de hulpvraag
11. Namens eiseres is gesteld dat de hulpvraag tussen partijen ter discussie staat, aangezien zij (naast een pgb voor begeleiding door de moeder) ook ouderbegeleiding, een tegemoetkoming voor extra bewassing en aankoop van kleding vanwege grotere slijtage, en extra kosten voor (begeleiding bij) vervoer heeft gevraagd. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit is verwezen naar het plan van aanpak van 7 november 2024, waarin de hulpvragen (naast ontlasting van de thuissituatie) ook ondersteuning bij financiële zaken en een financiële vergoeding voor kosten die gemaakt worden, omvatten. De kosten zien volgens het plan van aanpak op extra wassen en aankoop van kleding/beddengoed, gereden kilometers en het aankopen van een fiets. De rechtbank is van oordeel dat de hulpvragen die eiseres aanvoert en de hulpvragen die door het college zijn vastgesteld feitelijk (nagenoeg) met elkaar overeenkomen.Omvang van het geding12. Ten aanzien van de hulpvraag die op ouderbegeleiding ziet is in het bestreden besluit vermeld dat aan moeder ouderbegeleiding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is toegekend in de vorm van ondersteuning door [zorgorganisatie] (hulp voor financiële vraagstukken en vergroten van draagkracht). Verder is ter zitting gebleken dat aan eiseres ten behoeve van haar vervoer een driewieler ter beschikking is gesteld. Deze besluiten liggen in deze procedure niet voor.
12.1
Voor wat betreft de hulpvragen die op terugkerende kosten zien is in het plan van aanpak van 7 november 2024 vermeld dat de zorgverzekering deels een vergoeding voor luiers verstrekt. Het college heeft in het bestreden besluit, met verwijzing naar het plan van aanpak van 18 april 2025, gewezen op een meerkostenregeling voor chronisch zieken. Het college biedt ondersteuning aan bij het doen van een eventuele aanvraag. Daarnaast wijst het college in het bestreden besluit op voorliggende voorzieningen zoals kindgebonden budget, dubbele kinderbijslag en belastingvoordeel voor ouders van een zorgkind. De rechtbank overweegt dat tegen de beslissing op deze hulpvragen geen beroepsgronden zijn gericht. De beslissing op voornoemde hulpvragen valt daarom buiten de omvang van dit geding.Het geschil in deze procedure heeft betrekking op het geweigerde pgb voor de informele begeleiding die door moeder wordt geboden aan eiseres in haar dagelijks leven.
Stap 2: de medische problematiek
13. Stap 2 is niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de medische problematiek correct is beschreven.
Stap 3: de aard en omvang van de hulp
14. In het plan van aanpak van 7 november 2024 en het aanvullende plan van aanpak van 18 april 2025 wordt een globale beschrijving van de zorgsituatie gegeven. De ontvangen informatie van de school is vermeld en er wordt beschreven wat er met de ouders besproken is. In het aanvullende plan van aanpak is met name nader ingegaan op het feit dat de zorgsituatie voor de moeder belastend is, mede vanwege de situatie van de zus, en op welke manier de moeder ondersteund kan worden. De bezwaarschriftenadviescommissie constateert dat het college bij deze stap 3 geen gedetailleerde tijdsinvulling heeft opgenomen van de benodigde hulp, maar dat de moeder (naast de ingezette Wmo-voorziening en dagbesteding) de benodigde hulp op zich neemt. Het bestreden besluit hanteert ook dit uitgangspunt.
15. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het college niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, gelet op de rechtspraak van de CRvB. Het college erkent dat eiseres op meerdere leefgebieden ondersteuning nodig heeft. Zo is zij niet zelfstandig in staat zich veilig door het verkeer te bewegen, is zij niet zindelijk, vergt de communicatie met haar voortdurende ondersteuning en is zij volledig afhankelijk van begeleiding in de dagelijkse structuur. Het college heeft echter onvoldoende in kaart gebracht welke hulp naar aard en omvang daarvoor nodig is. In het onderzoek ontbreekt een gespecifieerde omschrijving van de voor eiseres naar aard en omvang noodzakelijke hulp per dag/nacht/week. Niet is vermeld welke hulp noodzakelijk is voor welke problemen en tegen welke tijdsduur. Bovendien ontbreken ook tussen- en einddoelen. Het blijkt niet welke jeugdhulp per doel noodzakelijk is in aard en omvang om dit doel te bereiken. Dit heeft het college ook niet in de besluitvorming vastgesteld.
16. Ook voor het verdere doorlopen van het stappenplan is nodig dat duidelijk is welke jeugdhulp naar aard en omvang nodig is.
17. Het bestreden besluit komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.
Stap 4: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
18. In de ten tijde van de besluitvorming toepasselijke Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2024 (Verordening 2024) zijn de algemene begrippen ‘eigen mogelijkheden’ en ‘probleemoplossend vermogen’ uit artikel 2.3 van de Jeugdwet niet uitgewerkt en geduid, zoals bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet. Eiseres stelt daarom terecht dat de Verordening 2024 niet in lijn is met de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024, waarin is overwogen dat in de gemeentelijke verordening onder andere een duidelijke hoofdrichting moet worden neergelegd voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever aan deze begrippen toekent. Als de gemeentelijke wetgever de opdracht van artikel 2.9 van de Jeugdwet onvoldoende heeft uitgewerkt, biedt de gemeentelijke verordening onvoldoende grondslag voor het tegenwerpen van de eigen kracht. Aan de jeugdige en de ouders wordt op deze wijze onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, geboden ten aanzien van de vraag waarop recht bestaat en wat de afwegingsfactoren zijn. Het bepaalde in de Verordening 2024 kan gezien het voorgaande niet ten grondslag worden gelegd aan de besluitvorming. Dit betekent dat het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert en in strijd is met de artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is ook hierom gegrond.
19. Namens eiseres is gewezen op (het niet naleven van) de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Goirle 2024 en de daarbij behorende bijlagen (Beleidsregels 2024). De rechtbank constateert dat in deze beleidsregels en bijlagen wel enige nadere duiding wordt gegeven aan de begrippen die in deze procedure in geding zijn. Deze beleidsregels, vastgesteld door het college op grond van artikel 8.3 van de Verordening 2024, kunnen echter niet afdoen aan hetgeen in de voorgaande overweging is overwogen. Er is hiermee namelijk geen sprake van een door de gemeenteraad bij verordening vastgestelde regels zoals vereist door artikel 2.9 van de Jeugdwet. Overigens heeft het college ter zitting bevestigd dat dit beleid in dit geval niet is toegepast.
20. Aangezien opnieuw onderzoek moet plaatsvinden naar de aard en omvang van de hulp (stap 3) en pas nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, kan worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4), dient het college ook stap 4 opnieuw te bezien. Het college kan niet -zonder dat is vastgesteld welke hulp eiseres nodig heeft – al een conclusie trekken over de vraag of de moeder voldoende eigen kracht heeft om die zorg zelf te bieden.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onderzoeks- en motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om zelf in de zaak te kunnen voorzien. Er is namelijk onvoldoende zicht op de aard en omvang van de jeugdhulp die nodig is. Hiertoe dient het college nader onderzoek te verrichten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Het herstel van de gebreken vergt nader onderzoek. Het is onduidelijk hoelang dit onderzoek gaat duren en wat de uitkomst daarvan zal zijn.
21.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken na verzending van de uitspraak. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient het college het volgende in acht te nemen.
21.1.1.
Ten aanzien van de inmiddels bekend gemaakte Verordening jeugdhulp gemeente Goirle 2025 (Verordening 2025) geldt dat de CRvB in een uitspraak van 17 juni 2026 over een (op de hier aan de orde zijnde punten) gelijkluidende verordening heeft overwogen dat deze voldoende uitwerking geeft aan artikel 2.9 van de Jeugdwet en de uitspraken van de CRvB van 29 mei 2024. Artikel 8.5, vijfde lid, van de Verordening 2025 gaat echter uit van eerbiedigende werking van de Verordening 2024 bij het nemen van beslissingen op bezwaar tegen een besluit op grond van de Verordening 2024. Het college dient zich bij het verrichten van het onderzoek en de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar aandacht te besteden aan de vraag hoe deze bepaling zich verhoudt tot het overwogene in overweging 18 van deze uitspraak.
21.1.2.
De rechtbank acht verder onderzoek door een externe deskundige aangewezen, zoals door eiseres ook verzocht ter zitting, omdat het college op verzoek van de bezwaarschriftencommissie al opnieuw nader onderzoek heeft verricht maar dit wederom onvoldoende is geweest.
21.1.3.
Ook dienen bij het onderzoek de ouders van eiseres betrokken te worden en dient acht te worden geslagen op het in beroep door de gemachtigde van eiseres overgelegde bericht van Radboud umc van 29 januari 2026 en het op 9 april 2026 overgelegde zorgmomentenoverzicht.
21.2.
Verder is namens eiseres ter zitting verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank begrijpt dat de medische problematiek van eiseres en de zorg(taken) die dit meebrengt belastend zijn voor de ouders. Zoals hiervoor overwogen beschikt de rechtbank echter over onvoldoende informatie over de aard en omvang van de benodigde voorziening. Er is ook geen eerdere indicatie waarbij zou kunnen worden aangesloten. Het college dient hiertoe eerst nader onderzoek te verrichten voordat voldoende duidelijkheid bestaat over het al dan niet treffen van een jeugdhulpvoorziening. De rechtbank wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.
21.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Bovendien zijn de reiskosten van € 12,- voor openbaar vervoer toewijsbaar. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.880,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 juli 2025;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.880,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
ECLI:NL:CRVB:2024:1097
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, ECLI:NL:CRVB:2024:1097. Zie ook de uitspraak van de CRvB van 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:408.
ECLI:NL:CRVB:2026:789 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|