|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9220 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/2669 WIA | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | WIA-dagloon en WIA-uitkering herberekend naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 en verhoogd met ingang van deze datum. | | Trefwoorden | : | dagloon | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2669 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 28 oktober 2024 heeft het UWV het dagloon van eiseres op grond van de WIA herberekend. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 juni 2017 als marketing communicator bij [bedrijf 1] B.V. gewerkt en van 19 februari 2018 tot en met 18 maart 2019 als marketing coördinator bij [bedrijf 2] B.V. Op 4 juni 2018 is eiseres voor laatstgenoemde werkzaamheden uitgevallen.
3.1
Op 7 februari 2020 heeft eiseres bij het UWV een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering.
Met het besluit van 17 september 2020 heeft het UWV aan eiseres met ingang van 1 juni 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 80 tot 100% en gebaseerd op een dag/maandloon van € 42,85/€ 976,58.
3.2
Met het primaire besluit van 28 oktober 2024 heeft het UWV het dagloon naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juli 2024 herberekend en met ingang van 30 juli 2024 vastgesteld op € 103,55/€ 2.131,50.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.3
Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
3.3.1
Het UWV stelt dat op principiële uitspraken van de CRvB de UWV Gedragslijn herstelacties 2024 (Gedragslijn) van toepassing is. Die bepaalt dat correctie van vaststaande besluiten volgt met ingang van de datum van de uitspraak. Dit is in overeenstemming met heersende rechtspraak. Het UWV verwijst naar uitspraken van de CRvB van 2 maart 2017 en 11 april 2003. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de enkele omstandigheid dat in een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven niet betekent dat alle voorafgaande toepassingen van dat voorschrift in overeenstemming met die (nieuwe) uitleg moeten worden gebracht.
3.3.2
De CRvB heeft in de uitspraak van 30 juli 2024 vastgesteld op welke wijze het dagloon moet worden berekend. Dit betekent dat met ingang van die datum de uitkering van eiseres verhoogd kan worden, tenzij op dat moment bezwaar aanhangig was tegen de hoogte van het dagloon. Dat was bij eiseres niet aan de orde.
Beroep
4. Eiseres heeft gesteld dat de Gedragslijn is geformuleerd voor het (ambtshalve) categoraal corrigeren van onjuiste besluiten in een generieke herstelactie. In dit geval is echter geen sprake van een categorale correctie in het kader van een herstelactie maar van een beslissing op een individueel herzieningsverzoek. Om die reden mist toepassing van de Gedragslijn. Daarnaast stelt eiseres dat de weigering om het oorspronkelijke toekenningsbesluit met volledige terugwerkende kracht te corrigeren evident onredelijk is.
4.1
Uit de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 volgt dat dat toekenningsbesluit onmiskenbaar onjuist was. In dat geval moet op grond van vaste rechtspraak door het UWV een belangenafweging worden gemaakt bij de beoordeling of afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is. Eiseres verwijst naar uitspraken van de CRvB van 23 mei 2025 en 12 juli 2023. Niet is gebleken dat zo’n belangenafweging verricht is.
4.2
Artikel 5 van de Gedragslijn komt erop neer dat het financiële belang van een belanghebbende om de juiste uitkering (na)betaald te krijgen altijd minder zwaar weegt dan het belang van de rechtszekerheid en van het UWV om de uitvoeringslasten te beperken. Volgens eiseres wordt hiermee te weinig gewicht toegekend aan de omstandigheid dat een uitkeringsgerechtigde als gevolg van een onmiskenbaar onjuist besluit van het UWV financieel nadeel heeft geleden. De rechtszekerheid in zaken als deze weegt minder zwaar omdat er geen belangen van derden rechtstreeks betrokken zijn. Ook het uitvoeringsbelang is beperkt. Niet gesteld of gebleken is dat het met volledige terugwerkende kracht corrigeren van het toekenningsbesluit heel ingewikkeld of belastend is voor het UWV. Eiseres stelt dat het beleid van het UWV niet aanvaardbaar is en tot een evident onredelijke resultaat leidt. Zij verwijst naar uitspraken van de CRvB van 20 november 2024.
4.3
Het UWV heeft het bestreden besluit daarom niet kunnen baseren op dit beleid. Het toekenningsbesluit is onmiskenbaar onjuist. Het UWV dient daarom te uitkering met volledig terugwerkende kracht te herzien/corrigeren/verhogen althans met een terugwerkende kracht tot maximaal 5 jaar.
Verweer
5. Het UWV heeft in reactie op de beroepsgronden gesteld dat de uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 over toepassing van loonloze tijdvakken reden is geweest om het dagloon van eiseres – in het kader van een maatwerkplaats – te herzien. Het UWV ziet geen aanleiding voor volledige terugwerkende kracht. Het UWV wijst op vaste rechtspraak over duuraanspraken en de verplichting om voor de toekomst terug te komen van een onherroepelijke beslissing.
5.1
De door eiseres benoemde uitspraken zien volgens het UWV op een andere situatie. In dit geval is er geen sprake van een onmiskenbaar onjuist besluit. De CRvB heeft immers in eerdere uitspraken, van bijvoorbeeld 7 juni 2023, 13 december 2017 en 10 maart 2021, geen aanleiding gezien om de regels over loonloze tijdvakken toe te passen.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden met ingang van 30 juli 2024 het WIA-dagloon en de WIA-uitkering van eiseres heeft verhoogd.
7.1
Het UWV heeft naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 het dagloon herberekend en de uitkering van eiseres verhoogd. Het UWV heeft in het bestreden besluit – onder verwijzing naar de Gedragslijn – gesteld voor de ingangsdatum van die verhoging te hebben kunnen uitgaan van de datum van de uitspraak van de CRvB.
In het verweerschrift heeft het UWV de motivering aangevuld en verwezen naar rechtspraak over het voor de toekomst terugkomen van een onherroepelijke beslissing, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in geval van een duuraanspraak en gesteld dat geen sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit.
Gedragslijn
7.2
Eiseres heeft betwist dat er sprake is van (correctie van) een categoraal onjuist besluit. Zij verwijst daarmee naar het eerste lid van artikel 5 van de Gedragslijn.
7.3
Het UWV heeft de besluitvorming echter niet gebaseerd op het eerste lid van dat artikel maar op het tweede lid.
Artikel 5, tweede lid, van de Gedragslijn bepaalt dat als de aanleiding voor correctie is gelegen in een rechterlijke uitspraak, UWV in beginsel per datum van de uitspraak corrigeert.
7.4
Naar het oordeel van de rechtbank is deze Gedragslijn in overeenstemming met rechtspraak van de CRvB. Uit de uitspraken van de CRvB van 15 januari 1992 en 11 april 2003 volgt dat er niet eerder hoeft te worden herzien dan met ingang van de datum van de nieuwe rechtspraak/rechtspraakwijziging. De Gedragslijn gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.
7.5
Dat het UWV het dagloon en de WIA-uitkering van eiseres met ingang van de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 heeft gecorrigeerd, is conform de Gedragslijn en de hierboven genoemde uitspraken.
7.6
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het UWV af had moeten wijken van de Gedragslijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres voor de toekomst en met enige terugwerkende kracht recht heeft op een hoger dagloon en WIA-uitkering. Niet gesteld of gebleken is dat die (hogere) vaststelling onjuist is. Dat eiseres voordien een lagere WIA-uitkering heeft ontvangen is een omstandigheid die ook voor andere WIA-uitkeringsgerechtigden geldt. Daarmee is geen sprake van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat toepassing van de Gedragslijn in dit geval tot een onevenredige uitkomst leidt.
Herziening op grond van artikel 4:6 van de Awb
7.7
Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB moet bij de toetsing van een verzoek om herziening van een duuraanspraak onderscheid worden gemaakt tussen de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit (het verleden) en de periode na het verzoek (de toekomst). Voor het verleden dient de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (zogenoemde nova) zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter toch tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het gaat dan om de vraag of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is en niet of het oorspronkelijke (toekennings)besluit evident onredelijk is. Een rol zou wel kunnen spelen of het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is.
Wat betreft de toekomst moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.
7.8
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat eiseres een verzoek heeft gedaan om herziening van het besluit van 17 september 2020. De rechtbank gaat er van uit dat het UWV uit eigen beweging daartoe is overgegaan.
7.9
Uit vaste rechtspraak volgt dat rechterlijke uitspraken niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 is daarom geen novum. Dat daarvan anderszins sprake is, is de rechtbank niet gebleken.
7.10
De rechtbank is verder van oordeel dat de weigering om het dagloon en de uitkering met verdergaande terugwerkende kracht te herzien niet evident onredelijk is. Herziening met ingang van de datum van de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 is – zoals al overwogen – in overeenstemming met vaste rechtspraak en de Gedragslijn. De rechtbank acht daarnaast van belang dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het toekenningsbesluit van 17 september 2020 noch nadien het UWV heeft verzocht om herziening van dat besluit. Verder is pas na de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 gebleken dat het Dagloonbesluit anders zou moeten worden toegepast/het WIA-dagloon anders berekend. Van een onmiskenbaar/van meet af aan onjuist toekenningsbesluit is dan ook geen sprake. Daarmee is ook de belangenafweging die eiseres voorstaat niet aan de orde.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit, waarbij het dagloon en de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 30 juli 2024 zijn verhoogd, standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. Als gevolg daarvan heeft eiseres geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 24 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
UWV Gedragslijn Herstelacties 2024
5. Correctie met terugwerkende kracht
1. Indien UWV categoraal onjuiste besluiten corrigeert, doet UWV dat in beginsel met terugwerkende kracht tot maximaal 5 jaar, voor zover dit niet in strijd is met bestaande wet- en regelgeving.
2. Als de aanleiding voor correctie is gelegen in een rechterlijke uitspraak, corrigeert UWV in beginsel per datum van de uitspraak.
3. Als UWV ander beleid gaat voeren of zijn systemen aanpast, niet volgend uit een geconstateerde fout, vindt in beginsel geen correctie plaats met terugwerkende kracht.
ECLI:NL:CRVB:2024:1523
ECLI:NL:CRVB:2017:853 en ECLI:NL:CRVB:2003:AF8436
ECLI:NL:CRVB:2022:1106 en ECLI:NL:CRVB:2023:1422
ECLI:NL:CRVB:2024:2178 t/m 2181
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI6007 )
ECLI:NL:CRVB:2013:CA2436 ECLI:NL:CRVB:2017:4363 ECLI:NL:CRVB:2021:540
bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 16 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:564) en van 2 maart 2017 (ECLI:NL:CRvB:2017:853) | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|