|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:9744 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/792640 / KG ZA 26-74 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering omdat de verkeerde partij is gedagvaard. De door hem aangevoerde argumenten maken dat niet anders. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/792640 / KG ZA 26-747 EAM/KH
Vonnis in kort geding van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
eisende partij bij dagvaarding van 28 augustus 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Bekema en mr. P.A. Lichtendahl,
tegen
STICHTING [stichting],
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de stichting,
advocaat: mr. E.W. Jurjens en mr. M.L. Kusters.
1De procedure
1.1.
Op de zitting van 24 september 2026 heeft [eiser] zijn vorderingen in de dagvaarding toegelicht. De stichting heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Vonnis was bepaald op 8 oktober 2026, maar is vervroegd naar vandaag.
1.2.
Ter zitting waren aanwezig:
namens [eiser] : mr. Bekema en mr. Lichtendahl,
namens de stichting: [naam 1] ( bestuurder ) met [naam 3] (tolk Engels), mr. Jurgens en mr. Kusters.
2De feiten
2.1.
[stichting] (hierna: [stichting] ) is een onafhankelijk platform voor onderzoeksjournalisten en bestaat uit een netwerk van meer
dan 120 journalisten op zes continenten. [stichting] is internationaal bekend vanwege onthullingen over georganiseerde misdaad, corruptie en internationale geldstromen.
2.2.
Er zijn internationaal verschillende rechtspersonen betrokken bij [stichting] . [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), een non-profit organisatie naar Amerikaans recht, is de uitgever van alle publicaties op de website [internetsite] , de houder van het auteursrecht op de publicaties op die website en eigenaar van de domeinnaam.
2.3.
Op de website ‘ [internetsite] ’ is op [datum] een artikel geplaatst met de titel “[titel artikel]”. Het artikel heeft betrekking op [eiser] , die eerder de naam [naam 2] droeg.
2.4.
Bij het artikel is een foto van [eiser] geplaatst op een achtergrond bestaande uit kopieën van verschillende paspoorten met de namen [eiser] en [naam 2] :
Om privacy-redenen is de afbeelding verwijderd
2.5.
Op 29 mei 2026 heeft [eiser] de stichting en [bedrijf] gesommeerd om onder meer en in het kort de paspoorten en het portret offline te halen. Aan die sommatie is tot op heden geen gehoor gegeven.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. de stichting op straffe van een dwangsom te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de paspoorten en het portret van [eiser] uit het artikel te (laten) verwijderen en verwijderd te houden,
II. de stichting te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De stichting voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De stichting brengt als eerste naar voren dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat niet de stichting, maar [bedrijf] had moeten worden gedagvaard. [bedrijf] is uitgever en eigenaar van de website ‘ [internetsite] ’ waarop het artikel geplaatst is en is dus de enige partij die aan de vorderingen van [eiser] zou kunnen voldoen. De stichting wordt gevolgd in dit standpunt zoals hieronder toegelicht.
4.2.
[eiser] betwist dat (bewust) de verkeerde partij zou zijn gedagvaard. Hij heeft stukken overgelegd waaruit volgens hem logisch te verklaren valt dat hij de stichting heeft gedagvaard. Zo staat op de website van [stichting] dat haar locatie in Nederland is en/of het hoofdkantoor gevestigd is in [plaats]. Verder staat in het uittreksel van de stichting uit de Kamer van Koophandel dat zij ook ‘ [stichting] ’ wordt genoemd en dat het publiceren van verhalen een van haar activiteiten is. Hoewel de voorzieningenrechter [eiser] kan volgen in de stelling dat op basis van de openbare informatie mogelijk niet klip en klaar is dat [eiser] bij [bedrijf] moet zijn en niet bij de stichting, verandert dat niets aan het feit dat de stichting niet de juiste partij is. Dit kan daarom niet tot ontvankelijkheid leiden.
4.3.
Verder meent [eiser] dat de stichting ook zelfstandig aansprakelijk is, omdat de stichting en [bedrijf] feitelijk en organisatorisch als een organisatie functioneren, onder meer omdat er een grote overlap is in bestuurders van beide rechtspersonen en een groot deel van de redactie en technische staf van [stichting] in dienst is van de stichting. Daarnaast is de stichting beheerder van de database Aleph Pro, die is gebruikt bij de totstandkoming van het artikel. De stichting had dus een belangrijke rol bij de voorbereiding, aldus steeds [eiser] . Ook dit argument kan [eiser] niet baten, omdat beide omstandigheden niet tot gevolg hebben dat de stichting (mede-)uitgever of (mede-)eigenaar is geworden van (de artikelen op) de website. Dat de stichting zeggenschap heeft of invloed kan uitoefenen op de inhoud van de artikelen is bovendien door de stichting betwist. Voorshands is er dan ook geen aanleiding om de entiteiten te vereenzelvigen.
4.4.
Nu [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de stichting worden begroot op:
- griffierecht
€
735
- salaris advocaat
€
1.177
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald, en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
Coll: EB | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|