|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:6101 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.304.907/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2025:395. Schade aan woon-bedrijfspand in aardbevingsgebied Groningen. Begroting diverse schadeposten na uitgebracht deskundigenbericht. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.304.907/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 131864
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
1 [bedrijfsnaam1] ( [appellant1] )
die is gevestigd in [woonplaats1]
2. [naam1] ( [appellant2] )
die woont in [woonplaats1]
3. [naam2] ( [appellant3] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.J. Blokzijl
en
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM)
die is gevestigd in 's-Gravenhage
advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder.
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
Na het arrest van 28 januari 2025 heeft de in dat arrest benoemde deskundige [naamdeskundige] op 13 maart 2026 een deskundigenrapport ingediend bij de griffie van het hof.
Vervolgens hebben partijen de volgende stukken gewisseld:- een memorie na deskundigenbericht (met producties) van NAM- een memorie na deskundigenbericht van [appellanten]- een memorie van antwoord na deskundigenbericht van NAM- een antwoord-memorie na deskundigenbericht van [appellanten]
Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De procedure tot nu toe
2.1
Het woon- en bedrijfspand van [appellanten] is beschadigd door trillingen wegens aardbevingen, die zijn veroorzaakt door de gaswinning. [appellanten] vorderen vergoeding van de kosten van herstel van het pand en van gevolgschade, zoals verhuiskosten en bedrijfsschade.
2.2
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat NAM wordt veroordeeld tot betaling aan hen van (in afgeronde bedragen) € 427.000,- aan herstelkosten en tijdelijke huisvestingskosten, € 11.000,- aan bestede tijd in het schadedossier (‘eigen uren’), € 65.000,- aan herinrichtingskosten en € 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten.
2.3
De rechtbank heeft NAM veroordeeld tot betaling van (afgerond) € 138.000,- aan herstelkosten en € 3.000,- aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft NAM verder veroordeeld tot vergoeding van de bij staat op te maken schade van [appellanten] vanwege huisvestings- en herinrichtingskosten en eigen uren en haar veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 150.000,- op die schade.
2.4
[appellanten] waren het niet eens met een deel van dit vonnis. Zij vonden dat de rechtbank aan herstelkosten € 155.650,19 had moeten toewijzen, de herhuisvestingskosten had moeten vaststellen op - afgerond - € 255.000,- en de eigen uren op ruim € 11.000,-.
2.5
Ook NAM was het niet eens met het vonnis. Volgens haar dienen de vorderingen van [appellanten] alsnog geheel te worden afgewezen. NAM voerde een nieuw verweer, dat erop neerkwam dat de door [appellanten] gevorderde kosten al door de NCG vergoed werden in het kader van de door de NCG als noodzakelijk beoordeelde versterking van het pand van [appellanten]
2.6
In het tussenarrest van 23 januari 2024 heeft het hof een aantal uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van de vorderingen van [appellanten] Op basis van die uitgangspunten overwoog het hof dat en waarom het voor de beoordeling van de vorderingen van [appellanten] relevant is dat het hof kan beschikken over alle relevante informatie betreffende de versterking van het pand van [appellanten] door de NCG. Het hof beval [appellanten] de in het arrest vermelde informatie over de versterking door de NCG in het geding te brengen.
2.7
In het tussenarrest van 25 juni 2024 overwoog het hof dat [appellanten] hadden voldaan aan de hun door het hof opgelegde verplichting tot informatieverstrekking. Ook overwoog het hof dat om de vordering van [appellanten] betreffende de herstelkosten te kunnen beoordelen een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, omdat het hof niet zelf kan beoordelen of sprake is van een overlap tussen de herstelwerkzaamheden en de versterkingswerkzaamheden. Het hof stelde partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de benoeming van een of meer deskundigen en de aan hen te stellen vragen. Verder overwoog het hof in dit tussenarrest dat het nog niet kon beslissen op de vordering betreffende de herhuisvesting omdat uit de informatie over de versterkingsoperatie naar voren was gekomen dat [appellanten] een voorschot op de kosten van herhuisvesting van de NCG hebben ontvangen en geen huur betalen voor het vervangende bedrijfspand. Het hof stelde verder vast dat de cijfermatige onderbouwing van de vordering van [appellanten] op dit punt te wensen overliet. Het hof gaf [appellanten] daarom in overweging om in de volgende akte uiteen te zetten welk bedrag aan herhuisvestingskosten zij nog vorderen op basis van de daadwerkelijk door hen gemaakte (en nog te verwachten) kosten aan herhuisvesting, rekening houdend met de bedragen die zij inmiddels van de NCG voor de herhuisvesting hebben ontvangen.
2.8
In het tussenarrest van 28 januari 2025 heeft het hof beslist dat de door [appellanten] ingestelde eisvermeerdering buiten beschouwing moet worden gelaten. Het hof heeft in dat arrest [naamdeskundige] verbonden aan [naamdeskundige] (hierna: de deskundige) tot deskundige benoemd met de opdracht twaalf vragen (a. tot en met k.) te beantwoorden.
3De beoordeling van het geschilDe beoordeling van het deskundigenbericht
3.1
De deskundige heeft zijn rapport ingediend bij de griffie van het hof. Hij heeft in dat rapport de aan hem gestelde vragen beantwoord en is ingegaan op de opmerkingen van partijen naar aanleiding van zijn concept-rapport. Partijen zijn het erover eens dat de deskundige in zijn rapport inderdaad de vragen van het hof heeft beantwoord en dat zijn rapport op correcte wijze tot stand is gekomen. Het hof deelt die visie van partijen.
3.2
Het hof stelt vast dat partijen geen kritiek hebben op de bevindingen van de deskundige en diens antwoorden op de aan hem gestelde vragen. Wel zijn zij het oneens over de consequenties van de bevindingen van de deskundige voor hun geschil.
3.3
Het hof volgt partijen in hun beoordeling van het deskundigenbericht. De deskundige heeft de vragen van het hof beantwoord. De antwoorden zijn deugdelijk onderbouwd. De conclusies van de deskundige zijn, gelet op zijn helder uiteengezette bevindingen, navolgbaar en overtuigend. Het hof zal in zijn oordeel over de geschilpunten tussen partijen dan ook uitgaan van de bevindingen en conclusies van de deskundige.
3.4
In de bespreking van de verschillende geschilpunten zal het hof de, voor een te bespreken geschilpunt relevante conclusies van de deskundige weergeven.Zullen de versterkingswerkzaamheden worden uitgevoerd?
3.5
NAM heeft bezwaar gemaakt tegen de toewijzing door de rechtbank van (afgerond) € 138.000,- aan herstelkosten. Volgens haar zal het gebouw in het kader van de versterkingsoperatie ofwel worden gesloopt en opnieuw opgebouwd, ofwel worden versterkt. In het eerste geval zullen [appellanten] geen kosten maken voor herstel van het (te slopen) gebouw. In het tweede geval zal sprake zijn van een overlap tussen de versterkingswerkzaamheden en de herstelwerkzaamheden die ten grondslag liggen aan de vordering van [appellanten]
3.6
hebben vervolgens informatie verstrekt over de versterkingsoperatie. Daaruit heeft het hof afgeleid dat sprake zal zijn van versterking en niet van sloop en nieuwbouw. Het deskundigenbericht is erop gericht om de eventuele overlap tussen versterkings- en herstelwerkzaamheden in kaart te brengen.
3.7
NAM voert echter aan dat in de loop van het deskundigenbericht informatie is opgedoken waaruit volgt dat [appellanten] opteren voor sloop- en nieuwbouw van het pand in plaats van voor versterking. NAM doelt op een e-mail tussen twee medewerkers van de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: NCG) van 13 december 2024, waarin verslag wordt gedaan van een gesprek met [appellanten] In de e-mail staat onder meer:“Zij [hof: [appellanten] ] zijn bereid rechtzaak te stoppen als NCG het gat overbrugt tussen BKV (ca. 1,4 mio) naar S/N (ca. 1,7 mio op basis van begroting van Van Wijnen, er komt een kleiner pand terug). Het gat is grosso modo gelijk aan schadebedrag NAM (300 k).De vraag is of NAM ervoor open staat dat de NCG het schadebedrag NAM voorschiet en dat aan de achterkant NCG en NAM het met elkaar verrekenen.Wil jij dit bij de NAM onderzoeken?”
3.8
Als kan worden uitgegaan van de juistheid van dit verslag volgt daaruit nog niet dat [appellanten] kiezen voor sloop en nieuwbouw. Er volgt uit dat [appellanten] de voorkeur geven aan sloop en nieuwbouw, maar alleen wanneer de NCG (met toestemming van NAM) besluit om te slopen en nieuw te bouwen in plaats van te versterken en de meerkosten van sloop en nieuwbouw voor eigen rekening neemt. Dat aan die voorwaarde is voldaan, is gesteld noch gebleken. [appellanten] hebben dat gemotiveerd bestreden. Volgens hen wilde NAM niet over de brug komen. NAM zelf heeft niet aangegeven dat zij door NCG is benaderd om het gat tussen de kosten van beide varianten te overbruggen en al helemaal niet dat zij daarmee ook heeft ingestemd.
3.9
Het hof gaat er dan ook vanuit dat het pand in het kader van de versterkingsoperatie zal worden versterkt en niet zal worden gesloopt en opnieuw opgebouwd. Van welke versterkingswerkzaamheden kan worden uitgegaan?
3.10
De deskundige is uitgegaan van een concept versterkingsadvies dat in 2020 door Econstruct is opgesteld. Dat advies is, zoals de deskundige vaststelt, geen volledig uitgewerkt plan. Het advies heeft een aantal open einden. De deskundige heeft informatie ingewonnen bij de NCG over de voortgang van het versterkingsplan. Daaruit is gebleken dat het plan van Econstruct nog niet is uitgewerkt naar een definitief uitvoeringsontwerp. De reden daarvan is, volgens de door de deskundige geconsulteerde projectleider van de NCG, dat [appellanten] hebben aangegeven eerst duidelijkheid te willen over de uitkomst van de procedure tussen hen en NAM.
3.11
Om de overlap tussen de versterkingswerkzaamheden en de herstelwerkzaamheden te kunnen bepalen moet voldoende duidelijk zijn wat de versterkingswerkzaamheden inhouden. Maar uit het onderzoek van de deskundige volgt dat het concept versterkingsadvies weliswaar open einden heeft, die in een definitief uitvoeringsontwerp moeten worden uitgewerkt, maar dat die open einden niet van invloed zijn op zijn conclusies en de beantwoording van de door hem gestelde vragen. De deskundige heeft dat met zoveel woorden geantwoord op een vraag van de advocaat van NAM naar aanleiding van zijn concept-rapport. Hij heeft in zijn rapport aangegeven welke open einden er nog zijn en ook uiteengezet dat die open einden geen gevolgen hebben voor (de mate van) overlap tussen de herstel- en de versterkingswerkzaamheden. Partijen hebben (ook) deze conclusie van de deskundige niet bestreden en het hof zal daar dan ook van uitgaan.
3.12
Het hof zal er dan ook - met één kanttekening, die de schoorsteen betreft, waarover hierna meer - vanuit gaan dat de definitieve versterking van het pand in lijn ligt met het concept versterkingsadvies en dat bij de bepaling van de overlap kan worden uitgegaan van het concept versterkingsadvies, zoals de deskundige heeft gedaan.Is sprake van overlap tussen de herstel- en de versterkingswerkzaamheden?
3.13
De deskundige heeft in zijn antwoord op vraag a. uiteengezet waaruit de versterkingswerkzaamheden bestaan op basis van het concept versterkingsadvies en de bijbehorende tekeningen. Hij heeft - in antwoord op vraag b. - ook vastgesteld dat deze werkzaamheden worden uitgevoerd tot tenminste het niveau van voor de versterking. Vervolgens heeft hij in zijn antwoord op vraag c. uiteengezet waaruit de herstelwerkzaamheden bestaan die zijn omschreven in de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] van 16 december 2019. Die begroting is door de rechtbank tot uitgangspunt genomen voor de begroting van de kosten van herstel. Dat uitgangspunt staat in de procedure bij het hof niet ter discussie, met dien verstande dat NAM bezwaar heeft tegen een aantal onderdelen van de begroting. De deskundige heeft de door hem omschreven versterkings- en herstelwerkzaamheden vervolgens met elkaar vergeleken en heeft vastgesteld dat ten aanzien van een aantal door hem omschreven werkzaamheden sprake is van overlap (antwoorden op de vragen d. en e.). Hij heeft aangegeven welke in de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] beschreven herstelwerkzaamheden achterwege kunnen blijven wanneer de versterkingswerkzaamheden eerst worden uitgevoerd (antwoord op vraag f.). Indien eerst wordt hersteld en daarna wordt versterkt, kunnen dezelfde werkzaamheden ook achterwege blijven. Het maakt daarbij volgens de deskundige niet uit hoeveel tijd er zit tussen het herstellen en het versterken, hoewel het logisch zou zijn om eerst te versterken en daarna te herstellen (antwoord op vraag g.).
3.14
Partijen hebben deze bevindingen van de deskundige niet bestreden. Het hof ziet ook geen reden eraan voorbij te gaan en volgt de deskundige dus in diens oordeel dat en op welke onderdelen sprake is van overlap tussen de herstel- en de versterkingswerkzaamheden. Hoeveel bedragen de kosten van de herstelwerkzaamheden en van de overlap per 1 januari 2025?
3.15
Volgens de deskundige bedragen de kosten van de door Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] begrote herstelwerkzaamheden per 1 januari 2025 € 153.884,46 exclusief btw (antwoord op vraag h.). Indien de versterking zal worden gerealiseerd conform het concept versterkingsadvies kan vanwege een overlap aan werkzaamheden een besparing van € 69.384,73 exclusief btw worden gerealiseerd (antwoord op vraag i.).
3.16
De deskundige heeft deze bedragen onderbouwd in paragraaf 6.8 van zijn rapport. Uit deze onderbouwing blijkt dat het leeuwendeel van de besparing betrekking heeft op de schoorsteen. In het concept versterkingsadvies wordt ervan uitgegaan dat de schoorsteen zal worden verwijderd. In de door Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] begrote herstelwerkzaamheden wordt ervan uitgegaan dat schade aan de schoorsteen zal worden hersteld. Op uitdrukkelijk verzoek van [appellanten] heeft de deskundige aangegeven dat wanneer wel rekening wordt gehouden met behoud (althans verwijderen en herbouwen) van de schoorsteen de besparing vanwege overlap geen € 69.384,73 exclusief btw maar € 9.046,54 exclusief btw bedraagt.
3.17
Het hof zal van deze, door partijen niet bestreden, bevindingen van de deskundige uitgaan. Dat betekent dat wanneer wordt uitgegaan van de door Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] begrote werkzaamheden en rekening wordt gehouden met een besparing vanwege overlap tussen die werkzaamheden en de te voorziene herstelwerkzaamheden de kosten voor deze herstelwerkzaamheden per 1 januari 2025: € 153.884,46 - € 69.384,73 = € 84.499,73 exclusief btw bedragen. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de schoorsteen behouden blijft gaat het om € 153.884,46 - € 9.046,54 = € 144.837,92.
3.18
Het hof zal deze bedragen als uitgangspunt nemen bij de bespreking van de resterende geschilpunten tussen partijen. Moet rekening worden gehouden met werkzaamheden aan de schoorsteen?
3.19
In de begroting van de herstelwerkzaamheden door Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] is voorzien in het verwijderen en opnieuw opbouwen van de schoorsteen, maar dan in een lichtere uitvoering. Volgens [appellanten] is dat noodzakelijk, omdat de schoorsteen een risicovol element is, in vaktaal een Potential Risk Building Element (PRBE). Bovendien heeft de schoorsteen schade. [appellanten] verwijzen in dat verband naar het in opdracht van het Centrum Veilig Wonen (CVW) opgestelde inspectierapport (met versterkingsplan) van 6 april 2018. In dat rapport wordt verwezen naar rapporten van eerdere inspecties waarin - onder meer - de schoorsteen als PRBE was aangewezen. Volgens het rapport van 6 april 2018 waren de PRBE’s, waaronder dus de schoorsteen, “op het moment van de inspectie nog niet weggenomen.” In het rapport wordt het begrip PRBE als volgt toegelicht:“Tijdens de inspectie controleren de inspecteurs het object ook op de aanwezigheid van bouwelementen die eventueel gevaar kunnen opleveren. Als zij dergelijke elementen aantreffen, worden er onmiddellijk maatregelen genomen om het veiligheidsrisico weg te nemen.”
3.20
In het licht van dit rapport heeft NAM onvoldoende weersproken dat de schoorsteen een PRBE, dus een risicovol element is. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat maatregelen noodzakelijk zijn om het gevaar het hoofd te bieden dat vanwege het aardbevingsrisico aan de schoorsteen kleeft. In dit verband merkt het hof op dat de schoorsteen bij uitvoering van het concept versterkingsadvies ook verwijderd wordt. Het ligt voor de hand dat dit het gevolg is van het risico (bijvoorbeeld op instorting) dat verbonden is aan het in stand houden van de schoorsteen.
3.21
De kosten van het versterken - in dit geval het verwijderen en opnieuw in een lichtere constructie opbouwen - van de schoorsteen komen naar het oordeel van het hof op grond van artikel 6:184 BW voor vergoeding in aanmerking. Het betreft, nu de schoorsteen een PRBE is, de kosten van een maatregel ter voorkoming of beperking van schade nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die op grond van artikel 6:177 BW voor rekening van NAM komt. Daarbij geldt dat [appellanten] er geen genoegen mee hoeven te nemen dat de schoorsteen verwijderd en niet opgebouwd wordt. Hun pand had een schoorsteen en uit de overgelegde foto’s volgt dat de schoorsteen een in het oog springend element van het pand is. Het opnieuw opbouwen van de schoorsteen is dan ook een redelijke maatregel als bedoeld in artikel 6:184 BW. Daaraan doet niet af dat de schoorsteen in het kader van de versterkingsoperatie niet wordt herbouwd. In de verhouding tussen partijen zijn niet de publiekrechtelijke regels die gelden voor de door de NCG uitgevoerde versterkingsregeling bepalend, maar die van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als uitgangspunt geldt dat de veroorzaker de benadeelde zoveel mogelijk moet brengen in de toestand waarin hij zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben verkeerd.
3.22
De conclusie is dat wel rekening moet worden gehouden met de kosten van het verwijderen en opbouwen van de schoorsteen. Dat betekent ook dat uitgegaan moet worden van het door de deskundige berekende schadebedrag met behoud van de schoorsteen.Kan worden uitgegaan van de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] ?
3.23
Volgens NAM is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van de schadebegroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] . In die schadebegroting zijn volgens NAM posten begrepen voor schades waarvoor zij niet aansprakelijk is. Het betreft, naast de hiervoor besproken schoorsteen, de posten ‘vervangen metselwerk’ en ‘demontage dakgoot’. Deze posten komen niet terug in de schadeopname van [naam3] , die ten grondslag ligt aan de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] .
3.24
Volgens [appellanten] gaat het in deze procedure niet alleen om de door [naam3] vastgestelde schades. Het rapport van [naam3] dateert uit juli 2015. Nadien is de schade aan hun pand verergerd. Die verergerde schade ligt ten grondslag aan de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] , aldus [appellanten]
3.25
NAM heeft natuurlijk gelijk dat op [appellanten] de stelplicht en bewijslast rusten betreffende de omvang van de schade waarvan zij betaling vordert. Aan die stelplicht hebben [appellanten] voldaan met (onder andere) de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] . Het is vervolgens aan NAM om de inhoud van die begroting gemotiveerd te betwisten. Dat kan NAM doen door onderbouwd aan te voeren dat in de begroting posten zitten voor schades die zich niet voordoen, of voor schades die niet het gevolg zijn van aardbevingen. Indien NAM dat laatste zou betogen, geldt overigens het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW. In beide gevallen mag van NAM verwacht worden dat zij aan de hand van een actuele opname van de schade in het pand van [appellanten] aangeeft dat en waarom de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] niet kan worden gevolgd. NAM heeft dat laatste nagelaten, hoewel de rechtbank haar daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld. Zij heeft zich in haar verweer louter gebaseerd op een inventarisatie van de schade uit 2015. Daarmee heeft zij haar verweer, ook in de procedure bij het hof, onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat er dan ook aan voorbij.Moet rekening worden gehouden met de overlap en wat betekent dat voor de vordering tot vergoeding van de herstelkosten?
3.26
Partijen hebben voorafgaand aan het tussenarrest van 23 januari 2024 gediscussieerd over de betekenis van de versterkingsoperatie voor de vordering van [appellanten] Volgens [appellanten] mocht bij de begroting van de schade geen rekening worden gehouden met de gevolgen van de versterkingsoperatie, terwijl de versterkingsoperatie volgens NAM tot gevolg had dat de vordering tot vergoeding van de herstelkosten niet toewijsbaar is.
3.27
In hun memories na het deskundigenbericht hebben beide partijen hun standpunten genuanceerd. Zij gaan er beiden vanuit dat rekening moet worden gehouden met de besparing vanwege de overlap, maar verschillen van mening over de omvang van de overlap (met of zonder herbouw van de schoorsteen). Gelet op wat hiervoor is overwogen over de omvang van de overlap en rekening houdend met de ontwikkelingen in het partijdebat, zal het hof uitgaan van een besparing van € 9.046,54 exclusief btw (peildatum 1 januari 2025). Dat betekent dat het hof per die datum uitgaat van herstelkosten van € 144.837,92 exclusief btw.Wat te doen met de betaling van NAM?
3.28
NAM heeft in 2019 € 17.257,92 betaald aan [appellanten] Dit bedrag is gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst van 3 september 2019. Volgens NAM moet het bedrag in mindering worden gebracht op de vordering van [appellanten] tot vergoeding van de kosten van herstel. [appellanten] stellen dat de betaling van € 17.257,92 ziet op andere schades dan de schades die in deze procedure in het geding zijn.
3.29
In artikel 1 van de genoemde vaststellingsovereenkomst is vermeld dat het bedrag van € 17.257,92 ziet op de ‘vergoeding van de reeds uitgevoerde en door de heer [appellant2] betaalde herstelwerkzaamheden’, waarbij wordt verwezen naar een e-mail van [appellant3] aan NAM van 14 juni 2018. In die e-mailwordt een opsomming gegeven van gemaakte kosten voor herstel van scheuren in de archief- en kluisruimte en in de beide spreekkamers. Uit de e-mail volgt dat het gaat om facturen van schilderbedrijven uit 2014 tot en met 2017.
3.30
De begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] dateert van december 2019, dus van enkele jaren na 2014-2017. De begroting is gebaseerd op een opname door Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] van de schade op dat moment. In dat licht bezien, heeft NAM onvoldoende onderbouwd dat in de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] ook schades begrepen zijn die zij met de betaling van € 17.2257,92 al heeft vergoed. Daarbij is van belang dat NAM ook niet heeft toegelicht welke van de in begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] begrepen posten zien op werkzaamheden die zijn verricht door de in de jaren 2014-2017 ingeschakelde schilders.
3.31
De conclusie is dat de betaling van € 17.257,92 niet in mindering komt op de vordering betreffende de herstelkosten.Moet het bedrag van de herstelkosten verder geïndexeerd worden?
3.32
De deskundige heeft op verzoek van het hof de kosten van de in de begroting van Bouwbedrijf [naambouwbedrijf] voorziene werkzaamheden per 1 januari 2025 vastgesteld. Hij heeft dat gedaan door de bedragen in die begroting te indexeren op basis van de tabel Bedrijfsgebouwen Onderhoud van maart 2025. Dat resulteert in een verhoging voor de periode december 2019 tot en met januari 2025 van 23,1% voor arbeid en 23,6% voor materialen, gemiddeld (uitgaande van een 50-50 verdeling tussen arbeid en materialen), 23,4%. Partijen hebben zich niet tegen deze benadering verzet. Het hof zal daar dan ook vanuit gaan.
3.33
Inmiddels is al weer geruime tijd verstreken vanaf 1 januari 2025. Volgens [appellant2] betekent dit dat het door de deskundige vastgestelde bedrag met 7,85% (4,85% voor 2025 en 3% voor 2026 tot medio 2026) moet worden verhoogd. NAM verzet zich daartegen. Volgens NAM is er niet alleen geen reden om het bedrag opnieuw te indexeren, maar gaan [appellanten] ook niet uit van de juiste indexcijfers.
3.34
Het hof is dat laatste met NAM eens. De deskundige is in zijn rapport, zoals gezegd, uitgegaan van de tabel Bedrijfsgebouwen Onderhoud. Die tabel maakt onderdeel uit van de BDB (Bureau Documentatie Bouwwezen)-index. Die index is niet openbaar toegankelijk en het hof kan dan ook niet zelfstandig de indexering vanaf 1 januari 2015 berekenen. [appellanten] baseren de door hen gewenste indexering op algemene gegevens over de ontwikkeling van bouwkosten, afkomstig van het CBS en op een inschatting van de inflatie in 2026. Dat is een te onzekere, en dus te magere, basis voor een verdere indexering. Het hof zal dan ook uitgaan van het door de deskundige vastgestelde bedrag per 1 januari 2025. Vanaf welk moment is wettelijke rente verschuldigd?
3.35
[appellanten] vorderen de wettelijke rente over de herstelkosten vanaf 11 februari 2013. Subsidiair en meer subsidiair vorderen zij andere ingangsdata. Het hof zal de wettelijke rente over de herstelkosten toewijzen vanaf 1 januari 2025, de door de deskundige gehanteerde peildatum.
3.36
Het uitgangspunt bij de vergoeding van zaakschade is dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment waarop de schade (begroot op de kosten van herstel) is ontstaan. De kosten van herstel worden in dat geval begroot per die datum. In dit geval zijn de herstelkosten, zoals hiervoor is overwogen, echter begroot per 1 januari 2025. Het ligt voor de hand om de wettelijke rente dan te laten ingaan per die datum. Aan [appellanten] kan weliswaar worden toegegeven dat de wettelijke rente bedoeld is om het nadeel te vergoeden dat de benadeelde lijdt doordat hij moet wachten op vergoeding van zijn schade. Maar dat betekent, anders dan [appellanten] stellen, niet dat de wettelijke rente geheel losstaat van geldontwaardingsschade (doordat de herstelkosten in de tijd toenemen); die ontstaat nu juist doordat er tijd verstrijkt vanaf het ontstaan van de schade. Niet voor niets is in de parlementaire geschiedenis aangegeven dat de wettelijke rente er is om eventueel koopkrachtverlies te ondervangen. Dat gebeurt weliswaar abstract - aan de hand van een gefixeerd percentage -, maar doet niet af aan het uitgangspunt dat de wettelijke rente er ook is om schade vanwege koopkrachtverlies te compenseren.
3.37
Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente over de kosten van herstel dan ook toewijzen vanaf 1 januari 2025.Hoeveel btw is verschuldigd over de herstelkosten?
3.38
De deskundige heeft in zijn rapport gerekend met bedragen exclusief btw. Naar aanleiding van het concept-rapport heeft de advocaat van [appellanten] de deskundige gevraagd om ook de btw te vermelden bij de door de deskundige genoemde bedragen. Volgens de advocaat van [appellanten] is het pand deels een privé pand en deels een bedrijfsgebouw. De btw is daarom een schadepost voor zijn cliënten. De deskundige heeft aangegeven dat hij geen eenduidige en foutloze btw-berekening kan maken. De reden daarvan is dat de btw over schilder- en stucwerk 9% bedraagt voor een privé gebouw en 21% voor een bedrijfspand. Het is hem niet geheel duidelijk welk deel van de werkzaamheden betrekking heeft op het privégedeelte en welk deel op het bedrijfsgedeelte.
3.39
Gelet op dit antwoord kan het hof er niet van uitgaan dat over het gehele door de deskundige vastgestelde schadebedrag 21% btw verschuldigd is. Allereerst zal voor een deel van het pand mogelijk een btw tarief van 9% gelden. Voor het zakelijk deel van het pand hebben [appellanten] mogelijk geen aanspraak op vergoeding van btw omdat de btw betreffende dit deel verrekenbaar is. Met welk bedrag aan btw rekening moet worden gehouden, is voor het hof onduidelijk. Om die reden zal het hof de vordering betreffende over het herstel verschuldigde btw naar de schadestaat verwijzen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat wanneer het btw bedrag bekend is, partijen er in onderling overleg uit zullen komen. Kunnen de huisvestings- en herinrichtingskosten al worden begroot?
3.40
[appellanten] hebben in de procedure bij de rechtbank € 290.000,- gevorderd in verband met door hen te maken kosten van tijdelijke verhuizing elders en herinrichting van hun kantoor en woning. De rechtbank heeft overwogen dat niet goed kan worden ingeschat welke kosten [appellanten] concreet zullen maken. De rechtbank heeft daarom een voorschot van € 150.000,- op deze schadepost toegewezen en de vordering zelf verwezen naar de schadestaat.
3.41
[appellanten] zijn het niet met dit oordeel eens. Zij vorderen € 255.363,- aan verhuis-, herinrichtings- en huurkosten. In dit bedrag is onder meer de huur van een vakantiewoning (€ 29.400,-) en van een tijdelijk bedrijfspand (€ 80.000,-) begrepen.
3.42
In het tussenarrest van 25 juni 2024 heeft het hof overwogen dat vaststaat dat [appellanten] inmiddels zijn verhuisd, maar dat ook vaststaat dat zij geen huur- of gebruiksvergoeding betalen voor het tijdelijke bedrijfspand en dat onbekend is of zij wel een vergoeding betalen voor de door hen bewoonde woning. Ook overwoog het hof in dat arrest dat [appellanten] ruim € 151.000,- exclusief btw hebben ontvangen van de NCG als voorschot op de kosten van tijdelijke herhuisvesting. Daarmee lijkt de oorspronkelijke grondslag van deze vordering weinig solide, aldus het hof in dat arrest. Het hof gaf [appellanten] in overweging in een volgende akte uiteen te zetten welk bedrag aan herhuisvestingskosten zij nog vorderen op basis van de daadwerkelijk door hen gemaakte en nog te verwachten kosten en om daarbij rekening te houden met de van de NCG inmiddels ontvangen vergoeding voor herhuisvesting.
3.43
Het hof stelt vast dat [appellanten] deze onderbouwing maar gedeeltelijk hebben gegeven. Zij hebben slechts aangevoerd dat zij naast de al gemaakte kosten van verhuizing naar de tijdelijke panden ook moeten terugverhuizen naar het te versterken en te herstellen pand. Voor die kosten hebben zij geen vergoeding van de NCG ontvangen. Hun accountant heeft een overzicht opgesteld van niet door de NCG vergoede kosten. Dat overzicht sluit voor wat betreft huisvestings- en verhuiskosten op een bedrag van ongeveer € 48.000,- tot en met juli 2024. Het grootste deel van dit bedrag, ruim € 35.000,-, heeft betrekking op de huur van een loods voor de opslag van het archief (kosten ongeveer € 6.000,- per jaar).
3.44
Gelet hierop hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat zij tot op dit moment – ruim twee jaar juli 2024 - meer dan € 60.000,- aan niet door de NCG vergoede kosten vanwege herhuisvesting hebben moeten maken. Het is mogelijk dat zij in de toekomst meer kosten zullen moeten maken, bijvoorbeeld wanneer zij na de versterkings- en herstelwerkzaamheden terug moeten verhuizen en de daarmee gemoeide kosten niet (volledig) door de NCG worden vergoed.
3.45
Uit het voorgaande volgt dat ook het hof de schade vanwege herhuisvesting niet kan begroten. Omdat de mogelijkheid van deze schade voldoende aannemelijk is, bekrachtigt het hof de beslissing van de rechtbank om de vordering betreffende deze schade verwijzen naar de schadestaat. De rechtbank heeft een voorschot van € 150.000,- op deze schade toegekend. Dat bedrag is naar het oordeel van hof, gelet op wat over de omvang van de tot nu toe geleden schade vanwege herhuisvesting vaststaat, te hoog. Het hof zal, ook gelet op de naar verwachting de komende tijd nog te maken kosten, een voorschot van € 75.000,- toewijzen.Hebben [appellanten] aanspraak op buitengerechtelijke kosten?
3.46
De rechtbank heeft in het vonnis van 15 september 2021 overwogen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheid bestaat dat [appellanten] in de periode 21 juni 2018 tot en met 2 december 2019 inkomensschade hebben geleden die door NAM moet worden vergoed. Het gaat dan om inkomensschade vanwege tijd die [appellanten] hebben moeten besteden om de schade die zij hebben geleden te onderbouwen en vast te stellen. Deze schade kan onder het bereik van artikel 6:96 lid 2 sub b BW vallen, begrijpt het hof het oordeel van de rechtbank.
3.47
NAM is het daar niet mee eens. Volgens haar gaat het in artikel 6:96 lid 2 onder b BW om de kosten van ingeschakelde deskundigen. Dat [appellanten] deze schade hebben geleden, hebben zij onvoldoende onderbouwd, aldus NAM.
3.48
Het hof volgt NAM niet in dit betoog. Het is vaste rechtspraak dat ook intern gemaakte bedrijfskosten vanwege de vaststelling van schade en aansprakelijkheid, in de vorm van door eigen deskundige medewerkers aan de zaak bestede tijd, in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. [appellanten] hebben gemotiveerd gesteld dat zij zelf veel tijd hebben besteed aan het in kaart brengen van de door hen geleden schade. Dat zij daar tijd aan besteed hebben, is niet onaannemelijk. De vordering tot verwijzing naar de schadestaat van deze schadepost is dan ook toewijsbaar.
3.49
De rechtbank heeft ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten toegewezen en heeft deze vordering vastgesteld op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK). NAM heeft daartegen bezwaar. Volgens haar zijn nauwelijks buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. In de vaststellingsovereenkomst is een bedrag van ruim € 1.100,- wegens buitengerechtelijke kosten overeengekomen. Daarna hebben [appellanten] nauwelijks buitengerechtelijke kosten gemaakt. Hun advocaat heeft tot aan het moment van de inleidende dagvaarding enkele brieven geschreven. Deze beperkte buitengerechtelijke activiteiten rechtvaardigen niet het gevorderde (en toegewezen) forse bedrag aan buitengerechtelijke kosten.
3.50
In deze zaak is sprake van een vordering op grond van onrechtmatige daad en van een schuldenaar die geen consument is, zodat het BIK van aanvullend recht is. Het gaat erom of de in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten voldoen aan de ‘dubbele redelijkheid’. Dat het redelijk was van [appellanten] om een advocaat in te schakelen, staat niet ter discussie. Waar het om gaat is of de gevorderde kosten aan buitengerechtelijke rechtsbijstand ook redelijk zijn. Het bedrag dat op grond van de BIK verschuldigd zou zijn, is daarbij op zichzelf een relevant gezichtspunt. Maar van belang is ook welk bedrag de ingeschakelde advocaat daadwerkelijk in rekening heeft gebracht en waarop dat bedrag is gebaseerd; hoeveel tijd is besteed en tegen welk tarief. Daarover hebben [appellanten] geen informatie verstrekt. Dat had, gelet op het door NAM gevoerde verweer, dat erop neerkomt dat nauwelijks buitengerechtelijke activiteiten kunnen zijn verricht, wel van [appellanten] verwacht mogen worden. Om die reden kan het hof de buitengerechtelijke kosten nog niet begroten en zal het ook dit onderdeel van de vordering verwijzen naar de schadestaat.Conclusies
3.51
Uit het voorgaande volgt dat het hof het eindvonnis van de rechtbank deels in stand zal laten en deels zal vernietigen. Beide partijen zijn bij het hof over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Om die reden zal het hof de proceskosten bij het hof compenseren, met dien verstande dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van NAM blijven, omdat het kosten betreft ter vaststelling van de schade van [appellanten] De beslissing van de rechtbank over de proceskosten blijft in stand, omdat ook in hoger beroep wordt geoordeeld door NAM een substantieel bedrag aan [appellanten] verschuldigd is en enkele schadeposten in de schadestaatprocedure zullen moeten worden beoordeeld.
4De beslissing4.1 bekrachtigt de in 5.2 en 5.4 tot en met 5.7 vermelde beslissingen in het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 15 september 2021;4.2 vernietigt de in 5.1 en 5.3 vermelde beslissingen in dat vonnis, en beslist in plaats daarvan als volgt:4.3 veroordeelt NAM om aan [appellanten] te betalen vanwege de kosten van herstelwerkzaamheden € 144.837,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025, te vermeerderen met de door [appellanten] verschuldigde btw, deze btw nader op te maken bij staat en te vergoeden volgens de wet;4.4 veroordeelt NAM tot vergoeding van de door [appellanten] gemaakte kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, nader op te maken bij staat en te vergoeden volgens de wet;
4.5
veroordeelt NAM om aan [appellanten] € 75.000,- te betalen als voorschot op de door [appellanten] gemaakte herhuisvestingskosten;
4.6
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof en dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van NAM blijven;
4.7
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:531.
ECLI:NL:GHARL:2024:4220.
ECLI:NL:GHARL:2025:395.
Grief III van NAM faalt.
Grief II van NAM faalt.
Grief I van NAM slaagt dus zeer gedeeltelijk (wel rekening houden met de versterkingsoperatie, maar met beperkte consequenties voor de vordering).
Grief I van [appellanten] slaagt.
MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 473-474.
Grief II van [appellanten] faalt.
Grief III van [appellanten] faalt, de grieven IV en V van NAM slagen gedeeltelijk.
Zie bijvoorbeeld HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1278 en 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740.
Grief VI van NAM faalt. Grief IV van [appellanten] behoeft verder geen bespreking meer.
Grief VII van NAM slaagt gedeeltelijk. Grief VIII van NAM is een veeggrief en behoeft geen afzonderlijke bespreking. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|