Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29421 
 
Datum uitspraak:02-10-2026
Datum gepubliceerd:06-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.29347
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:De minister mocht de gezinsherenigingsaanvraag van een moeder een haar dochter afwijzen omdat daardoor een polygame situatie zou ontstaan. In het geval van de moeder was de minister niet gehouden eerst nog een belangenafweging te maken, omdat de Gezinsherenigingsrichtlijn hier geen ruimte voor biedt. De minister had in het geval van de dochter wel een belangenafweging moeten maken. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan in het bestreden besluit, maar later heeft de minister dat alsnog gedaan. De minister heeft deze belangenafweging in het nadeel van de dochter kunnen laten uitvallen. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.29347

V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres],
geboren op [geboortedag 1] 1997, eiseres

en haar minderjarige dochter:


[minderjarige],
geboren op [geboortedag 2] 2022,
beiden van Afghaanse nationaliteit, hierna tezamen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).



Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseressen tot verlening van een mvv in het kader van nareis afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseressen tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft bij brief van 6 augustus 2026 een aanvullende motivering gegeven op het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [referent], D. Hosseini als tolk in de taal Dari, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.



Overwegingen


Achtergrond


1. Eiseres is de echtgenote van de heer [referent] (hierna: referent). Zij hebben samen een dochter, [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), die op [geboortedag 2] 2022 is geboren. Referent is vóór zijn huwelijk met eiseres, in Afghanistan gehuwd met [naam] (eerste echtgenote). Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.


1.1.
Referent is met zijn eerste echtgenote en hun vier kinderen op 28 juni 2022 geëvacueerd uit Afghanistan. Eiseressen zijn in Afghanistan achtergebleven.



1.2.
Referent is in Nederland in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft op 2 november 2022 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ten behoeve van eiseressen ingediend.


Besluitvorming


2. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister deze aanvraag afgewezen. De minister heeft zich in het bestreden besluit – anders dan in het primaire besluit – op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent niet aannemelijk is gemaakt. Wel meent de minister dat daarvoor een begin van bewijs is geleverd en dat eiseressen daarom het voordeel van de twijfel zouden krijgen voor nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie.



2.1.
De minister heeft echter geen nader onderzoek aangeboden, omdat eiseressen niet aan de verdere voorwaarden voor de gevraagde mvv voldoen. Dit motiveert de minister als volgt. Referent is nog altijd gehuwd met zijn eerste echtgenote en zij wonen samen in Nederland. Bij overkomst van eiseres naar Nederland zou daarom een polygame situatie ontstaan. In Nederland is polygamie in strijd met de openbare orde en de wet en naar Nederlands vreemdelingenrecht wordt, indien een persoon meerdere relaties is aangegaan, slechts één van deze relaties als rechtsgeldig beschouwd. Wanneer één van de huwelijkspartners van de referent of aan kinderen van die huwelijkspartner al een verblijfsvergunning is verleend, wordt geen verblijfsvergunning verleend aan de andere huwelijkspartner of aan de kinderen die uit dat huwelijk zijn geboren. Om deze reden komen eiseressen niet voor inwilliging van hun aanvraag in aanmerking.



2.2.
De minister heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat er in nareiszaken geen belangenafweging wordt gemaakt om te beoordelen of de belangen van referent zwaarder wegen dan het belang van de Staat. De door eiseressen aangevoerde omstandigheden kunnen daarom niet tot een andere uitkomst leiden. Dat eiseressen naar eigen zeggen een reëel risico lopen op mishandeling door de Taliban, is volgens de minister een asielgerelateerde omstandigheid. Deze omstandigheden worden niet in de beoordeling van nareisaanvragen betrokken, maar moeten in een asielprocedure naar voren worden gebracht. De minister heeft er tot slot voor gekozen om niet door te toetsen of eiseressen op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.


Procesbelang


3. Eiseressen zijn inmiddels Nederland ingereisd en hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op deze asielaanvraag is nog geen beslissing genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseressen om die reden nog steeds belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep in deze zaak.


Openbare orde



Standpunt eiseressen


4. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat polygamie automatisch in strijd is met de openbare orde. De minister had het belang van de openbare orde eerst moeten duiden en moeten beoordelen of de specifieke polygame situatie die in deze zaak speelt in strijd met de openbare orde moet worden geacht. Zij stellen dat in de rechtspraak van de Afdeling wordt miskend dat polygamie naar de heersende maatschappelijke opvattingen niet per definitie als strijdig met de openbare orde wordt gezien. Eiseressen wijzen erop dat de maatschappelijke opvatting over gezinsconstructies is veranderd, zoals onder meer de aanvaarding van polyamorie. Daarnaast kan uit de geldende wetgeving niet automatisch worden afgeleid dat polygamie in strijd is met de openbare orde. Verder wijzen eiseressen erop dat het doel van het polygamieverbod (ter voorkoming van onderdrukking of benadeling van vrouwen) in hun geval niet aan de orde is, omdat beide echtgenotes van referent altijd hebben gesteld dat zij zich juist gesterkt voelen door het polygame huwelijk.


Het oordeel van de rechtbank




4.1.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het uitgangspunt in Nederland is dat polygamie in strijd is met de openbare orde. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, omdat de rechtbank van oordeel is dat, ook naar de huidige in Nederland heersende maatschappelijke opvattingen, polygamie in strijd moet worden geacht met de openbare orde. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat op grond van artikel 1:33 van het Burgerlijk Wetboek een persoon slechts met één andere persoon tegelijkertijd door het huwelijk verbonden kan zijn. Daarnaast is het opzettelijk aangaan van een dubbel huwelijk op grond van artikel 237 van het Wetboek van Strafrecht als misdrijf aangemerkt. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde gewijzigde maatschappelijke opvattingen over gezinsconstructies in Nederland, zoals de aanvaarding van polyamorie, en dat bepaalde gevolgen van polygame relaties (zoals erkenningen door een bigaam gehuwde man) rechtsgeldig worden geacht, dusdanig zijn dat niet langer van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Dat in Afghanistan polygamie is toegestaan en het huwelijk tussen eiseres en referent vrijwillig is aangegaan, laat eveneens onverlet dat een dergelijk huwelijk in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de stelling van eiseressen dat in hun geval het doel van het polygamieverbod uit de Gezinsherenigingsrichtlijn, te weten het beschermen van de rechten van vrouwen en kinderen, niet wordt bereikt door de weigering van hun mvv-aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.


Individuele beoordeling


5. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de minister, ondanks het bestaan van een polygame situatie, had moeten beoordelen of aan eiseressen toch de gevraagde mvv had moeten worden verleend.



5.1.
De minister heeft in het bestreden besluit geen individuele beoordeling van de situatie van eiseressen gemaakt. In beroep heeft de minister alsnog een individuele beoordeling gemaakt ten aanzien van [minderjarige]. Volgens de minister bestaat er in het geval van eiseres geen ruimte voor een individuele beoordeling. De minister stelt dat het bestreden besluit vanwege de ontbrekende individuele beoordeling ten aanzien van [minderjarige] een gebrek bevat en vraagt de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.



5.2.
Gelet op het voorgaande is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen beoordelen of er reden bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.


Standpunt eiseressen


6. Eiseressen voeren aan dat de minister ook ten aanzien van eiseres een individuele beoordeling had moeten maken. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2020 en van 13 oktober 2022. Daarnaast stellen zij dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat asielgerelateerde omstandigheden niet in de individuele beoordeling kunnen worden betrokken. De minister had de in dit kader door eiseressen aangevoerde omstandigheden, met name het reële risico van vervolging en mishandeling door de Taliban, moeten aanmerken als bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen. Ook menen zij dat de minister de belangen van het kind onvoldoende heeft onderzocht en in de beoordeling heeft meegewogen. De minister heeft daarmee in strijd met het IVRK en het Handvest gehandeld.


Het oordeel van de rechtbank




6.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat hij niet gehouden was een individuele beoordeling te maken ten aanzien van eiseres. Artikel 4, vierde lid, eerste alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt namelijk dat in het geval van een polygaam huwelijk de betrokken lidstaat, indien de gezinshereniger reeds met een echtgenoot samenwoont op het grondgebied van die lidstaat, geen toestemming geeft tot gezinshereniging voor een andere echtgenoot. Deze bepaling is dwingend en absoluut geformuleerd en biedt naar het oordeel van de rechtbank daarom geen ruimte voor afwijking of een (Unierechtelijke) evenredigheidsbeoordeling. Weliswaar biedt artikel 3, vijfde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn lidstaten de mogelijkheid om gunstigere bepalingen vast te stellen of te handhaven, maar de wetgever heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De wetgever heeft artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn namelijk geïmplementeerd in artikel 3.16 van het Vb. In de wetgeschiedenis bij de totstandkoming van deze bepaling staat dat deze strekt tot de voorkoming van polygame situaties en dat ingeval van een polygame situatie slechts aan één echtgenoot tegelijkertijd verblijf wordt toegestaan. Hierop worden geen uitzonderingen gemaakt. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiseres geen ruimte bestaat voor het maken van een individuele beoordeling.



6.2.
Dat de Afdeling in haar uitspraken van 31 januari 2020 en 13 oktober 2022 over polygame situaties heeft geoordeeld dat de minister een individuele beoordeling moest maken, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft er terecht op gewezen dat deze uitspraken betrekking hebben op gezinsherenigingsaanvragen voor de overkomst van de minderjarige kinderen van de andere echtgenoot van de gezinshereniger en niet op de andere echtgenoot zelf. Anders dan het geval is bij de andere echtgenoot van de gezinshereniger, biedt de Gezinsherenigingsrichtlijn lidstaten in deze gevallen wel ruimte om gezinshereniging toe te staan. Artikel 4, vierde lid, tweede alinea, van deze richtlijn bepaalt namelijk dat lidstaten de gezinshereniging in dergelijke gevallen kunnen beperken. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt uitdrukkelijk dat de Uniewetgever onderscheid heeft willen maken tussen deze twee situaties. In het voorstel van de Commissie voor de Gezinsherenigingsrichtlijn staat het volgende:


“Polygame huwelijken zijn in het algemeen niet verenigbaar met de fundamentele beginselen van de rechtsorde van de lidstaten. Wanneer die huwelijken echter rechtsgeldig in een derde land zijn gesloten, is het passend met enkele aspecten daarvan rekening te houden. Bovendien zou het absoluut verbieden van gezinshereniging erop neerkomen dat de echtgenoot die in een lidstaat verblijft, beroofd wordt van de mogelijkheid een gezinsleven te leiden. Derhalve is de gezinshereniging van verscheidene echtgenoten en hun kinderen verboden, maar wordt hereniging van één echtgenote en haar kinderen toegestaan. De hereniging van de kinderen van een tweede echtgenote is slechts mogelijk wanneer het belang van het kind prevaleert boven de andere eisen, bijvoorbeeld in geval van overlijden van de biologische moeder.”


Gelet op dit onderscheid kan uit de rechtspraak van de Afdeling dan ook niet worden afgeleid dat de minister, als het gaat om een gezinsherenigingsaanvraag voor de andere echtgenoot van de gezinshereniger, gehouden is een belangenafweging te maken.



6.3.
De minister was op grond van de rechtspraak van de Afdeling wel verplicht om een belangenafweging te maken ten aanzien van [minderjarige]. Dat heeft de minister in zijn brief van 6 augustus 2026 ook (alsnog) gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister een zwaar gewicht heeft mogen hechten aan de omstandigheid dat het gaat om een polygame situatie die in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. De minister dient niettemin wel te beoordelen of er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen dat er toch aanleiding bestaat de aanvraag van [minderjarige] in te willigen.



6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat daarvan geen sprake is. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat [minderjarige] vijf maanden oud was toen referent uit Afghanistan vertrok en dat referent en [minderjarige] dus enkel kort met elkaar hebben samengewoond. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de emotionele band tussen referent en [minderjarige], mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige], heel groot is. Ook heeft de minister mee kunnen wegen dat [minderjarige] in het geval van een afwijzing van haar aanvraag niet van haar moeder wordt gescheiden, omdat de minister de mvv-aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de situatie waar [minderjarige] in Afghanistan in verkeert voldoende in de besluitvorming heeft betrokken. De minister heeft namelijk meegewogen dat de situatie voor minderjarige meisjes in Afghanistan slecht is, dat [minderjarige] zich in Afghanistan hoogstwaarschijnlijk in een lastigere positie zal bevinden dan in Nederland het geval zou zijn en dat een mogelijk verblijf in Nederland beter is voor het welzijn van [minderjarige]. De minister heeft het belang van het kind daarom zwaar in het voordeel van [minderjarige] gewogen. Dit belang dient gelet op artikel 5, vijfde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 24 van het Handvest weliswaar zwaar mee te wegen in de belangenafweging, maar is niet doorslaggevend. De minister dient immers alle belangen in hun onderlinge samenhang te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat de minister dat voldoende heeft gedaan en tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangenafweging in het nadeel van [minderjarige] uitvalt. De beroepsgrond slaagt niet.



6.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verhouding tussen artikel 4, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn enerzijds en de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de artikelen 7 en 24 van het Handvest anderzijds, zoals door eiseressen verzocht. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de door eiseressen opgeworpen rechtsvragen, waardoor deze rechtsvragen ook zonder het stellen van deze prejudiciële vragen kunnen worden beantwoord.


Artikel 8 van het EVRM



Standpunt eiseressen


7. Eiseressen voeren aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet ambtshalve heeft doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. Zij stellen dat in hun geval geen sprake is van ‘misbruik’ van de nareisprocedure om de reguliere gezinsherenigingsprocedure, inclusief de daarbij behorende legesplicht, te omzeilen. De expertise om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM is bovendien breed aanwezig bij de minister, waardoor dit geen organisatorische reden vormt om niet door te toetsen. Verder vereist het EHRM dat ook in een nareisprocedure een deugdelijke belangenafweging wordt verricht, waarbij eiseressen niet kunnen worden verwezen naar de reguliere 8 EVRM-procedure.


Het oordeel van de rechtbank




7.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 december 2023 overwogen dat de bevoegdheid die de minister heeft om op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen als uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM ook van toepassing is in nareiszaken. Omdat in een nareisaanvraag altijd impliciet een beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt, moet de minister in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om te beoordelen of eiseressen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Zo heeft de minister gemotiveerd dat er bij nareiszaken, anders dan in reguliere 8 EVRM-zaken, geen leges worden geheven en dat een beoordeling aan artikel 8 van het EVRM meer tijd en capaciteit kost. Zo’n beoordeling zou dan ten koste gaan van de behandeling van andere nareisaanvragen waarbij het juist de bedoeling is dit type zaken snel te behandelen. Voor eiseressen bestaat bovendien de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM in te dienen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de minister verplicht is binnen de nareisprocedure een 8 EVRM-beoordeling te maken en het niet mogelijk is te verlangen dat eiseressen een aparte aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM in dienen. Eiseressen hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het anderszins onredelijk is om van hen te verwachten dat ze een reguliere 8 EVRM-procedure starten.




Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Awb is genomen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand blijven. Dit betekent dat de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiseressen in stand blijft. De minister heeft, zoals hiervoor in deze uitspraak is overwogen, alsnog voldoende gemotiveerd dat eiseressen niet aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv voldoen. De minister heeft daarom ook geen aanleiding hoeven zien om een nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent aan te bieden.


8.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister het griffierecht vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseressen moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. M.H. van Haeften en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:


Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Machtiging tot voorlopig verblijf.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2453, van 31 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:329 en van 13 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2959.


Richtlijn 2003/86/EG.


Zie voetnoot 4.


Verdrag inzake de rechten van het kind.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000), Stb 2000, 497.


Zie voetnoot 4.


COM/99/0638.


Zie de in voetnoot 4 genoemde uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2020, onder 7.1 en van 13 oktober 2022, onder 5.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


ECLI:NL:RVS:2023:4804.


Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak