Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9386 
 
Datum uitspraak:28-09-2026
Datum gepubliceerd:07-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/701
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Kostenvergoeding bezwaarfase. In eerdere uitspraken van de rechtbank is geoordeeld dat de Verordening onverbindend dient te worden verklaard. Het bestreden besluit is genomen ná de voorgenoemde uitspraken, en daarom onrechtmatig. Belanghebbende komt in aanmerking voor een kostenvergoeding in bezwaar. Beroep gegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/701


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en



de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 februari 2025.


1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 29 juli 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de heffingsambtenaar.



1.4.
De heffingsambtenaar heeft op 3 februari 2025 een (hernieuwde) uitspraak op bezwaar gedaan. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.



1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 beroep ingesteld.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 4 september 2026 afgemeld.







Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.


2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is ten onrechte geen kostenvergoeding in bezwaar toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten

3. De auto met [kenteken] stond op 17 december 2022 omstreeks 15:01 uur stil aan de Middellaan te Breda. Op deze locatie mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.


3.1.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.



3.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,80 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 57,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.



3.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd en hierover onder meer het volgende geschreven: “Op basis van uw bezwaar is aannemelijk geworden dat uw cliënt bezig was met het laden en/of lossen van goederen. Ik zie dan ook genoeg reden de naheffingsaanslag te vernietigen uit coulance.” De heffingsambtenaar heeft voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding toegekend, omdat het bestreden besluit volgens de heffingsambtenaar niet wordt herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid, maar uit coulance.




Overwegingen


Heeft de heffingsambtenaar het verzoek om kostenvergoeding terecht afgewezen?


4. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen vergoeding voor de kosten heeft toegekend. De aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid ziet volgens belanghebbende op (i) het feit dat de kosten van de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag zijn vastgesteld en (ii) dat uitsluitend met een scanauto is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, zonder nader te controleren of sprake was van een bijzondere omstandigheid zoals het laden en/of lossen van goederen.


4.1.
De heffingsambtenaar betwist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daartoe voert de heffingsambtenaar aan dat ten tijde van de controle geen feiten en omstandigheden zijn geconstateerd waaruit kon worden afgeleid dat sprake was van het laden en/of lossen van goederen. Volgens de heffingsambtenaar heeft belanghebbende ook nadien geen verifieerbare stukken overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De naheffingsaanslag is uitsluitend op grond van coulance vernietigd.



4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan alleen worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.



4.3.
De vraag die voorligt is dan ook of de vernietiging van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In eerdere uitspraken van deze rechtbank is geoordeeld dat de Verordening parkeerbelastingen Breda 2022 (de Verordening) onverbindend dient te worden verklaard, omdat de kosten zoals opgenomen in de Verordening op een te hoog bedrag waren vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de daadwerkelijke kosten op een (iets) lager bedrag dan het begrote bedrag zijn gesteld. De rechtbank zal zich bij deze uitspraken aansluiten. Reeds hierom is het bestreden besluit, dat is genomen ná voornoemde uitspraken, onrechtmatig. Belanghebbende komt daarom in aanmerking voor een kostenvergoeding in bezwaar. De overige beroepsgrond behoeft geen bespreking meer.



4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de bezwaarfase ten onrechte geen vergoeding aan belanghebbende verleend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op € 666
(1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, en de wegingsfactor 0,5 (gewicht: licht)). De rechtbank kent het gewicht ‘licht’ aan deze zaak toe omdat sprake is van een parkeerbelastingzaak.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding.


5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt, naast de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, ook een vergoeding van zijn proceskosten die hij in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt conform het Bpb de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934, en de wegingsfactor 0,5 (gewicht: licht)). De rechtbank kent ook in beroep het gewicht ‘licht’ aan deze zaak toe omdat sprake is van een parkeerbelastingzaak, en het in beroep uitsluitend ging om de kostenvergoeding in bezwaar.





Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;


stelt de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten vast op € 666;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van


€ 53 dient te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5209.


Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4029 en ECLI:NL:RBZWB:2024:4036; 5 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8447.
Link naar deze uitspraak