Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:28816 
 
Datum uitspraak:28-09-2026
Datum gepubliceerd:12-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.35227
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Asiel Turkije - verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat de verklaringen over de bloedvete niet geloofwaardig zijn, gelet op het tijdsverloop en de uitleg over de verschillen in verklaringen tussen eiser en zijn broertje - discriminatie vanwege Koerdische etniciteit behelst geen vervolging - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gewetensbezwaarder is - de verklaringen van eiser over het (direct en indirect) niet willen bijdragen aan de onderdrukking van Koerden door het Turkse leger, heeft verweerder ten onrechte niet betrokken in de beoordeling van zijn gewetensbezwaren - beroep gegrond.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35227

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Wouters),

en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).



Inleiding



1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.


1.1.
Eiser heeft op 24 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 30 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.



1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, het broertje van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen E. Aydin.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest om vermoord te worden vanwege een bloedvete met een rivaliserende familie. Eiser heeft verklaard dat de vete is begonnen als gevolg van een conflict wat ongeveer 50 jaar geleden ontstond over de aanspraak van de rivaliserende familie op een stuk grond dat eigendom was van eisers opa. Eiser heeft verklaard dat zijn opa op enig moment een familielid van de rivaliserende familie heeft verwond of gedood en daarmee de bloedvete is ontstaan. Ook heeft eiser verklaard dat leden van de rivaliserende familie eisers moeder hebben opgezocht en hebben gedreigd uit wraak eiser, zijn broertje of hun vader te zullen vermoorden. Eiser heeft verder verklaard dat een Turks parlementslid aan het hoofd staat van de rivaliserende familie, waardoor de autoriteiten geen bescherming zullen kunnen bieden. Eiser heeft verder aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij discriminatie heeft ervaren in Turkije vanwege zijn Koerdische achtergrond, dat hij principieel weigert om de dienstplicht te vervullen in Turkije en dat hij vreest voor straf vanwege die weigering.


2.1.
Het jongere broertje van eiser heeft ook een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag heeft de rechtbank op dezelfde zitting behandeld onder zaaknummer NL25.53648.


Het bestreden besluit


3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit drie asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de ondervonden discriminatie als zijnde Koerdisch;
3. de bloedvete en daaruit voortkomende problemen.



3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft de discriminatie die eiser stelt te hebben ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft geconcludeerd dat deze discriminatie niet leidt tot gegronde vrees voor vervolging omdat niet is gebleken dat de discriminatie een dusdanig ernstige beperking heeft opgeleverd van eisers bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.



3.2.
Verweerder vindt de bloedvete en de daaruit voortkomende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd van de lopende rechtszaak over het stuk grond waar de vete mee is ontstaan. Eisers verklaringen over de vete komen volgens verweerder niet overeen met de verklaringen die zijn broertje heeft afgelegd. Verder vindt verweerder eisers verklaringen over de vete vaag en inconsistent.



3.3.
Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege dienstweigering. Verweerder heeft het daarbij niet aannemelijk geacht dat eiser oorlogsmisdaden zal moeten begaan bij vervulling van de dienstplicht, dat hij discriminatoir of disproportioneel zal worden bestraft vanwege zijn Koerdische achtergrond of dat hij gewetensbezwaarde is.

Wat vindt eiser in beroep?


4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert ten eerste aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bloedvete en daaruit volgende problemen ongeloofwaardig zijn. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser meer documenten had moeten overleggen. Eiser kan geen documenten overleggen van de rechtszaak omdat hij daar geen partij bij is en het niet mogelijk is gebleken om stukken te ontvangen van zijn familieleden die de rechtszaak voeren. Verder heeft verweerder ten onrechte tegenworpen dat eisers verklaringen vaag of inconsistent zouden zijn. Eiser heeft naar zijn beste kunnen verklaard over de bloedvete en heeft uitgelegd dat hij niet weet waarom de dood van zijn opa onvoldoende is geweest om de vete te beëindigen en dat hij geen familieleden meer heeft aan wie hij om uitleg kan vragen hierover. Verweerder houdt verder volgens eiser onvoldoende rekening met de verschillen in perspectief, leeftijd, kennis en herinnering tussen eiser en zijn broertje. Eiser heeft verklaard dat zijn broertje beperkt op de hoogte was over de vete omdat hij daartegen in bescherming werd genomen en zijn broertje heeft verklaard dat hij al zijn informatie over de vete van horen zeggen heeft. Bovendien zien de vermeende tegenstrijdigheden in hun verklaringen niet op de kern van hun relazen. Ten slotte gaat verweerder ten onrechte ervan uit dat eiser de vete kan beëindigen, maar dat kan alleen door zijn leven te geven. Eisers vader heeft zeggenschap over de grond, hij is al decennia ondergedoken en eiser heeft geen contact met hem. Een vreedzame oplossing – bijvoorbeeld afstand doen van de grond – is daarom niet binnen eisers bereik.



4.1.
Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege discriminatie als Koerd. De discriminatie is namelijk veel ernstiger is dan verweerder aanneemt. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat hij vreest voor vervolging vanwege dienstweigering. Uit openbare informatie volgt dat het wél voorkomt dat het Turkse leger zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden. Ook volgt uit informatie die eiser heeft overgelegd dat Koerden aan discriminatie en problemen (waaronder verdachte sterfgevallen) blootstaan in het leger. Ook volgt uit het ambtsbericht dat dienstplichtigen worden verdeeld over Turkije op willekeurige wijze en dat niet is uit te sluiten dat Koerden worden gelegerd in mogelijke gevechtszones. Daarmee is niet uit te sluiten dat dienstplichtige Koerden worden ingezet om te vechten tegen hun eigen volk. Ten slotte heeft eiser uiteengezet dat zijn weigering voortkomt uit gewetensbezwaren. Verweerder werpt daarbij ten onrechte tegen dat eiser de dienstplicht af zou kunnen kopen, nu eiser dat niet kan en omdat eiser vanwege gewetensbezwaren ook niet financieel wil bijdragen aan de onderdrukking van Koerden door het Turkse leger. Ten slotte is er geen mogelijkheid om een niet-militaire dienst te vervullen en leidt de weigering van de dienst tot onevenredige bestraffing, zoals blijkt uit het ambtsbericht.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.



Het bHeaeroep niet tijdig beslissen


6. Eiser heeft verweerder met de brief van 14 juli 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser op 30 juli 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 30 oktober 2025 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.



6.1.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.


De geloofwaardigheid van de bloedvete en de daaruit volgende problemen


7. In het arrest Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de enigszins terughoudende toets – zoals de Nederlandse rechter die voorheen verrichte bij de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken – niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de bloedvete en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



8.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij dit asielmotief om vier redenen niet geloofwaardig vindt. Ten eerste omdat eiser geen documenten heeft overgelegd van de rechtszaak. Ten tweede omdat niet is gebleken dat eiser de vete heeft getracht te beëindigen. Ten derde omdat hij niet heeft kunnen verklaren over de aard van de vete en waarom die niet is geëindigd met het overlijden van zijn opa. En ten vierde omdat eiser en zijn broertje afwijkend hebben verklaard over de aanval(len) op hun moeder en over van wie hun opa de grond heeft gekregen.



8.2.
Eiser heeft in het nader gehoor, in beroep en ter zitting toegelicht dat hij geen stukken heeft kunnen overleggen van de rechtszaak omdat hij daar geen procespartij bij is en daarom geen toegang heeft tot stukken over de rechtszaak. Ook heeft eiser toegelicht dat hij over sommige onderdelen van de vete geen kennis heeft, omdat de gebeurtenissen lang geleden hebben plaatsgevonden, er geen familieleden meer zijn aan wie hij details hierover kan vragen en er in de familie verschillende verhalen bestaan over het overlijden van zijn opa. Eiser heeft ook verklaard dat zijn broertje uit de wind werd gehouden en pas in Nederland over de vete is ingelicht. Eiser heeft er verder op gewezen dat zijn broertje heeft verklaard dat hij over veel aspecten van de vete geen kennis heeft en wat hij wél over de vete weet, hem door eiser is verteld. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting aangegeven deze uitleg onvoldoende te vinden om de afwijkende verklaringen en de ontbrekende details over de bloedvete te verklaren.



8.3.
De rechtbank kan verweerder niet in volgen in zijn motivering en conclusies over de bloedvete en de daaruit ontstane problemen. Hoewel eiser inderdaad niet een volledig beeld kan schetsen van de geschiedenis en het ontstaan van de bloedvete, is het beeld wat hij schetst van de vete en het leven met de vete consistent en op meerdere onderdelen wel degelijk gedetailleerd. Het beeld wat eiser schetst van de bloedvete komt daarbij overeen met wat hij aan de hand van het ambtsbericht naar voren heeft gebracht over bloedvetes in Turkije. Eisers uitleg over waarom hij over sommige onderdelen van de vete niet kan verklaren, is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke en voldoende strekkende uitleg om het ontbreken van deze kennis te verklaren. Verweerder heeft desgevraagd geen toelichting geboden over wat maakt dat de uitleg van eiser onvoldoende zou zijn. De stelling van verweerder dat de uitleg van eiser niet gevolgd kan worden of niet voldoende zou zijn, is daarmee niet inzichtelijk geworden voor de rechtbank. Daar komt bij dat verweerder niet betwist dat de vete zo’n 50 jaar geleden zou zijn ontstaan, maar niet inzichtelijk maakt hoe rekening is gehouden met dat tijdsverloop in de weging van eisers verklaringen. Ten aanzien van de afwijkingen in de verklaringen die eiser en zijn broertje hebben afgelegd over de vete en daaruit volgende incidenten, overweegt de rechtbank dat deze – hoewel opvallend – onvoldoende zijn om het geheel van het relaas niet geloofwaardig te vinden.



8.4.
De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat verweerder in een nieuw besluit zal moeten beoordelen wat eiser te wachten staat bij terugkeer naar Turkije vanwege de bloedvete en daaruit volgende problemen.


De discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische achtergrond


9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst, niet dusdanig van aard is dat dit kan worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij naar school heeft kunnen gaan en daarna in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Eiser heeft kunnen werken in verschillende banen en voor verschillende werkgevers, zowel in [plaats 1] als in [plaats 2]. Ook blijkt uit eisers verklaringen dat zijn moeder toegang heeft gehad tot medische zorg en dat zijn broertje ook naar school heeft kunnen gaan. Onder deze omstandigheden kan de discriminatie – hoe verwerpelijk ook – niet worden beschouwd als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De stelling van eiser dat verweerder de ernst van de discriminatie niet erkent, volgt de rechtbank daarom niet.


De dienstplicht en gestelde gewetensbezwaren


10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de dienstplicht en zijn gestelde gewetensbezwaren.


10.1.
In paragraaf C3/3.2.7 van de Vc staat het beleid uiteengezet op grond waarvan verweerder aanneemt dat een vreemdeling die zich beroept op dienstweigering vluchteling is. Er is daarvan sprake wanneer een vreemdeling voldoet aan minstens één van de drie alternatieve voorwaarden:
(1) bij het vervullen van de dienstplicht zal de vreemdeling oorlogsmisdaden moeten plegen en het weigeren van de dienstplicht is de enige mogelijkheid om daaraan te ontkomen;
(2) er is sprake van onevenredige of discriminatoire bestraffing;
(3) er is sprake van gewetensbezwaren, bijvoorbeeld wanneer een dienstplichtige wordt ingezet tegen zijn eigen familie of volk.



10.2.
Eiser heeft stukken en rapporten overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij voldoet aan alle drie deze voorwaarden. De rechtbank zal daarom alle drie de voorwaarden bespreken.



10.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser, zoals verweerder terecht stelt, niet voldoet aan de eerste alternatieve voorwaarde van het dienstweigeringsbeleid. Daargelaten of het Turkse leger op dit moment betrokken is bij een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan, geldt dat verweerder terecht heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als dienstplichtige wordt ingezet bij een dergelijk conflict. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechtshandelingen, ook niet in conflictgebieden als Noord-Irak en Syrië waar de Turkse strijdkrachten actief zijn en evenmin bij anti-terreuroperaties en in risicogebieden langs de Turks-Iraakse grens waar schermutselingen kunnen plaatsvinden tussen de Turkse strijdkrachten en de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). De informatie en stukken waar eiser op heeft gewezen zien weliswaar op acties en handelingen van het Turkse leger, maar daaruit blijkt niet dat dienstplichtigen daarbij zouden zijn ingezet of anderszins betrokken zouden zijn geweest.



10.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser ook niet voldoet aan de tweede alternatieve voorwaarde uit het dienstweigeringsbeleid. Eiser heeft gewezen op verschillende openbare rapporten om te onderbouwen dat Koerdische dienstplichtigen en dienstweigeraars het slachtoffer zijn geworden van discriminatie en geweld. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat deze stukken te algemeen van aard zijn en alleen daarom al niet uit deze stukken zou kunnen volgen dat eiser ook een dergelijke behandeling ter deel zou kunnen komen. De rechtbank overweegt echter ook dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het ambtsbericht vermeldt dat er geen informatie is over anti-Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen en over dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit. De rapporten waar eiser naar heeft verwezen dateren van vóór de verslagperiode van het ambtsbericht. Eiser heeft met deze verwijzingen daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij in Turkije om discriminatoire redenen het risico loopt om een zwaardere straf te krijgen wegens dienstweigering dan anderen.



10.5.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de derde alternatieve voorwaarde van het dienstweigeringsbeleid. De beoordeling die verweerder heeft verricht ten aanzien van het bestaan van gewetensbezwaren is namelijk niet volledig. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit de (hierboven in 10.3 aangehaalde) informatie uit het ambtsbericht volgt dat Koerdische dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechten en in gebieden waar confrontaties kunnen ontstaan tussen het Turkse leger en de PKK. De rechtbank kan verweerder dus volgen in de conclusie dat er geen sprake is van gewetensbezwaren vanwege vermeend moeten vechten tegen de PKK. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij op geen enkele manier wil bijdragen aan het Turkse leger, omdat hij daarmee ook indirect zou bijdragen aan de gestelde rol die het leger speelt bij de onderdrukking van Koerden (waaronder het verjagen van mensen uit Koerdische dorpen). Zo heeft eiser ook verklaard dat het afkopen van de dienstplicht om die reden voor hem geen optie zou zijn, nu met dat geld wapens gekocht kunnen worden die ingezet zouden kunnen worden tegen Koerden. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van eisers gewetensbezwaren vooral gericht op de vraag of eiser zal worden ingezet in gevechten tegen zijn eigen volk, maar heeft dit deel van eisers gewetensbezwaren – het niet indirect willen bijdragen aan geweld tegen Koerden en het niet willen bijdragen aan andere aspecten van onderdrukking van Koerden – niet betrokken in de beoordeling. De rechtbank benadrukt daarbij dat dit niet alleen moet worden betrokken in het kader van de vraag of eiser zal worden ingezet tegen het eigen volk, maar ook in het kader van de vraag of er sprake is van gewetensbezwaren die zijn gegrond in een overtuiging.



10.6.
Verweerder heeft ook de verklaringen van eiser over het niet willen vechten en doden onvoldoende kenbaar betrokken in de beoordeling van de vraag of er sprake is van gewetensbezwaren. Verweerder heeft hiervoor niet kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar de verklaring van eiser waarin hij aangeeft dat als er geen terreur zou zijn, hij wel zou willen dienen. Verweerder kon daar naar het oordeel van de rechtbank niet mee volstaan omdat eiser die verklaring aflegt als antwoord op de vraag of hij zou willen dienen ‘indien er een andere regering zou zijn, waar hij wel achter staat, en koerden hetzelfde worden behandeld als andere mensen’. Bovendien geeft eiser in de beantwoording van diezelfde vraag aan dat hij in ieder geval niet wil doden en niet betrokken wil raken bij situaties waarin mensen gedood worden. De beroepsgrond slaagt.





Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser.

12. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.



Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;


verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 30 oktober 2025;


vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2025;


draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr.M.E. Jans, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doelt zij op de Vw zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.


Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).


Op grond van paragraaf C3/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie ook informatiebericht 2022/102 en de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332.


Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw (oud).


Ingevolge het beoordelingskader in paragraaf C3/3.2.7 van de Vc.


Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025.


Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.


Zie bijvoorbeeld de verklaringen over het ontstaan van de vete, over de achtergrond en reden dat beide families een claim op de grond leggen en over de wijze waarop de andere familie bekend is.


Algemeen Ambtsbericht Turkije, 2025, p. 93.


Idem, p. 93.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van€ 934,- en een wegingsfactor ½, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Link naar deze uitspraak