|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:7242 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | C/01/404126 / HA ZA 24-29 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Burenrecht. Geschil over eigendom grondstrook. Is er sprake van bevrijdende verjaring? De rechtbank oordeelt dat de particulier de grondstrook van de gemeente niet in bezit heeft genomen. Verklaring voor recht. Herhaling ontruiming incidenteel vonnis. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/404126 / HA ZA 24-296
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Gemert-Bakel,
gevestigd te Gemert,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. M. de Munnik-Oprel,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaten: mr. W.A. Braams en mr. M. van den Oord.
Partijen zullen hierna “de gemeente” en “ [gedaagde] ” worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 12 februari 2025, en de daar genoemde stukken,- de akte aanvullende producties van 23 juli 2026, met producties 26 tot en met 38, van [gedaagde] ,- de akte vermeerdering van eis van de gemeente, van 5 augustus 2026.
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, op welke gelegenheid advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden, omdat partijen in overleg waren over een minnelijke regeling. Partijen zijn uiteindelijk niet tot een regeling gekomen. Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken.
2De feiten
2.1.
De percelen van partijen grenzen aan elkaar.
2.2.
[gedaagde] is eigenaresse van het perceel, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] Op het perceel van [gedaagde] bevindt zich een woning (met als adres [adres] ). Daarvoor behoorde dit perceel toe aan haar echtgenoot (wijlen de heer [A] ) en [gedaagde] is zijn erfgenaam.
2.3.
Daarnaast bevindt zich een perceel dat bij het kadaster op naam van de gemeente staat (hierna ook: het gemeentelijk perceel), kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] ). Het gemeentelijk perceel ligt op de hoek van de [straat] .
2.4.
Op het gemeentelijk perceel bevond zich een gymzaal, welke rond 2017 is gesloopt. Op het gemeentelijk perceel bevindt zich verder een peuterspeelzaal/kinderdagverblijf (vanaf de openbare weg bezien betreft het een gebouw met daarachter een speelplaats buiten).
2.5.
[gedaagde] heeft een gedeelte (hierna: “de strook”) van het perceel van de gemeente in gebruik als (zij)tuin.
2.6.
De situatie ter plaatse is weergegeven op onderstaande luchtfoto/situatietekening.
2.7.
De rechtbank merkt op dat bovenstaande situatietekening het volgende weergeeft:
het litigieuze perceelsgedeelte (“de strook”) is rood omrand;
het volledige gemeentelijke perceel is geel omrand;
het perceel van [gedaagde] is blauw omrand;
het gebied van de peuterspeelzaal (gebouw en buitenspeelplaats) is grijs omrand;
De rechtbank merkt ten aanzien van deze situatietekening – op basis van hetgeen door partijen is toegelicht en op basis van de stukken - verder op:
- de witte lijn betreft de plaatsaanduiding van een hek tussen de buitenspeelplaats van de peuterspeelzaal en het bij [gedaagde] in gebruik zijnde gedeelte;
de oranje lijn betreft de aanduiding van de plaats waar, tot aan de sloop van de gymzaal rond 2017, de zijmuur van de gymzaal aanwezig is geweest;
het groen omrande stuk betreft een stuk grond van de rooms-katholieke parochie, gelegen op een perceel van de parochie. Dit stuk grond is door [gedaagde] van de parochie gehuurd. Partijen hebben hier in deze procedure verder geen feiten of omstandigheden over gepresenteerd of vorderingen over ingesteld, zodat de rechtbank hier verder niet op ingaat.
2.8.
In 2017 heeft de rechtsvoorganger van [gedaagde] een deel van het totale perceel van de gemeente, ter grootte van ongeveer 56 m2, van de gemeente gekocht en geleverd gekregen. Op bovenstaande situatietekening is het door [gedaagde] gekochte gedeelte paars omrand weergegeven.
2.9.
Tussen partijen is in 2024 discussie ontstaan over de eigendom van de strook (als gezegd op de situatietekening rood omrand). Volgens de gemeente is dit gemeentegrond. De gemeente heeft hierbij te kennen gegeven dat zij haar volledige perceel (inclusief de strook) nodig heeft, omdat zij haar perceel heeft verkocht aan een projectontwikkelaar ten behoeve van de bouw van een wooncomplex. Daarom heeft de gemeente [gedaagde] verzocht de strook te ontruimen. [gedaagde] heeft zich hierbij - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat zij (althans haar rechtsvoorganger, haar echtgenoot) door verjaring eigenaar is geworden van de strook. Volgens de gemeente is daar geen sprake van.
2.10.
Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet tot een wijziging van de over en weer ingenomen standpunten geleid.
2.11.
In het vonnis in incident van 12 februari 2025 heeft de rechtbank, op vordering van de gemeente, [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van de strook voor de duur van deze procedure.
3Het geschil
in conventie
3.1.
De gemeente vordert - samengevat – en na vermeerdering van eis:
Primair een verklaring voor recht dat de gemeente eigenaar is van het perceel, en dat zij niet door inbezitneming en verjaring de eigendom van een gedeelte daarvan ten gunste van [gedaagde] heeft verloren,
[gedaagde] te veroordelen het perceel voor zover in gebruik bij [gedaagde] , te ontruimen en het gebruik te beëindigen, binnen 10 dagen, op straffe van een dwangsom;
Subsidiair, voor zover [gedaagde] eigenaar is geworden van een deel van het perceel, [gedaagde] te veroordelen deze eigendom bij notariële akte aan de gemeente terug te leveren en het perceel te ontruimen, en wel binnen 10 dagen, op straffe van een dwangsom;
Meer subsidiair, indien zowel de primaire als subsidiaire vordering van de gemeente wordt afgewezen, gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de schade die het gevolg is van het niet tijdig informeren van de gemeente over de eigendomspretentie van de gemeente, nader op te maken bij staat;
een proceskostenveroordeling van [gedaagde] .
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert - samengevat – het volgende:
Een verklaring voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van het litigieuze perceelsgedeelte;
Een veroordeling van de gemeente om medewerking te verlenen aan de kadastrale vastlegging en registratie van de eigendomsverkrijging van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom;
Een proceskostenveroordeling van de gemeente.
3.4.
De gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Inleiding
4.1.
Gelet op de onderlinge samenhang bespreekt de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk.
Van belang is of de strook grond door verjaring is verkregen
4.2.
De kern van het geschil betreft de vraag wie thans eigenaar is van de (in r.o. 2.5-2.7 omschreven) strook.
4.3.
[gedaagde] stelt namelijk dat zij door bevrijdende verjaring eigenaresse is geworden van de litigieuze strook. Zij voert daartoe - kort samengevat - aan dat haar rechtsvoorganger, te weten haar echtgenoot, verscheidene bezitsdaden heeft verricht met betrekking tot de strook. [gedaagde] stelt dat haar echtgenoot het stuk al in 1996 bij de tuin heeft ‘getrokken’, waarbij er beplanting is aangebracht en onderhouden alsook tuininrichting (kippenhok en droogmolen); en dat er altijd een ondoordringbare erfafscheiding is geweest. Volgens [gedaagde] is er sinds 1996 sprake van bezit van de strook door haar rechtsvoorganger, welk bezit zij heeft voortgezet.
4.4.
De gemeente vordert daarentegen (primair) dat voor recht wordt verklaard dat zij (nog altijd) eigenaresse is van de strook, omdat die bij haar kadastrale perceel hoort, en dat er geen sprake is van verjaring. Volgens de gemeente is – kort samengevat - geen sprake van bezit van de strook, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden voor (bevrijdende) verjaring.
Is sprake van bezit door (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] ?
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat voor (bevrijdende) verjaring, zowel onder oud als onder huidig recht, bezit vereist is. De vraag of sprake is van bezit, dient – ook naar oud recht - te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 en 3:108 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 3:107 BW omschrijft het bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende artikelen worden gegeven, en op grond van uiterlijke feiten. De interne, niet naar buiten kenbaar gemaakte wil om als rechthebbende op te treden is daarom voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet openbaar en “ondubbelzinnig” zijn. Voor het aannemen van “ondubbelzinnigheid” is nodig dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. De achterliggende gedachte van het vereiste van ondubbelzinnigheid is dat van verjaring pas sprake kan zijn als de oorspronkelijk rechthebbende redelijkerwijs maatregelen heeft kunnen nemen om verlies of inperking van zijn recht als gevolg door verjaring te voorkomen.
4.6.
Er worden in de rechtspraak hoge eisen gesteld aan de inbezitneming van onroerende zaken. Zo wordt in de rechtspraak bij onroerende zaken bij de vraag of er een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende is, mede rekening gehouden met vaak voorkomende omstandigheden die meebrengen dat een dergelijke intentie er niet is, zoals toestemming/gedogen. Bij de beantwoording van de vraag of naar verkeersopvatting sprake is van ondubbelzinnig bezit, moet verder rekening worden gehouden met de bestemming van het perceel. Indien de strook grond waar het om gaat publiek eigendom is (die grenst aan een particulier perceel en in gebruik wordt genomen door de particulier), dan wordt in de jurisprudentie langs dezelfde lijnen bij de vraag of er een intentie tot het houden voor zichzelf door de particulier is, mede rekening gehouden met de specifieke aard, ligging, functie en bestemming van het perceel.
4.7.
Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke machtsuitoefening van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] niet kwalificeert als bezit van de strook (en daarom ook niet kan leiden tot de verkrijging van de eigendom daarvan). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank beoordeelt alle omstandigheden in samenhang en als geheel.
4.8.
Voor de vraag of sprake is van bezit, kan ten eerste relevant zijn of de strook is afgesloten door middel van een ondoordringbare omheining. Volgens [gedaagde] is er continue sprake geweest van een ‘ondoordringbare erfafscheiding’. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gestelde afsluiting is echter onvoldoende concreet toegelicht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Aan de ene zijde van de strook liep lange tijd (in ieder geval ook nog vanaf 1996) de zijmuur van de (gemeentelijke) gymzaal van het schoolgebouw. Partijen zijn het daarover eens. De gymzaal inclusief zijmuur is volgens partijen in de periode van april 2017 tot mei 2018 op instigatie van de gemeente gesloopt door een derde; op de plaats van de zijmuur van de gymzaal is vervolgens een hekwerk aangebracht. Volgens de stellingen van [gedaagde] is ook dat hek destijds aangebracht door die derde. De rechtbank zal de gang van zaken met betrekking tot de sloop en dit hek op de plaats van de gymzaal verder niet behandelen, nu partijen het erover eens zijn dat sinds die periode nog (lang) geen sprake is van een verstreken verjaringstermijn.
Aan de andere zijde van de strook, zo overweegt de rechtbank verder, loopt het hekwerk van de peuterspeelzaal (met poortje – zie hierna). Partijen zijn het erover eens dat (ook) dit hekwerk van de gemeente is, en dat dit hek al aanwezig was toen de heer [A] daar kwam. Dat het litigieuze perceelsgedeelte al die tijd ‘afgesloten’ of moeilijk te bereiken is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook het logische gevolg van de ligging van de zijmuur van de (gemeentelijke) gymzaal en het hek van de (gemeentelijke) peuterspeelzaal, die daar beide al aanwezig waren. Dit kan dus geen daad of teken van bezit van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] opleveren, voor zover [gedaagde] heeft bedoeld om dat standpunt in te nemen.
Dat de strook ‘exclusief’ bereikbaar is geweest voor (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] , zoals door [gedaagde] in dit verband nog aangevoerd, is evenmin komen vast te staan. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] volgt immers dat (i) de zijtuin ook was te betreden, door het poortje in het hekwerk van de peuterspeelzaal met de hand te openen, en dat (ii) de kinderen van de peuterspeelzaal op die manier met enige regelmaat de zijtuin in liepen. Dat het betreden door de kinderen destijds gebeurde met toestemming van de heer [A] , zoals hierover ten slotte nog aangevoerd, is op zichzelf ook onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een ondubbelzinnige bezitspretentie van de strook door [gedaagde] . Het ligt naar verkeersopvattingen veel meer voor de hand dat de gemeente bezitter was en de kinderen op het terrein liet lopen en dat [gedaagde] voor het overige toestemming had voor gebruik van de strook.
4.9.
De tweede factor, waarop [gedaagde] zich beroept, betreft de gestelde ‘optische eenheid’. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de strook door haar rechtsvoorganger is ingericht als tuin, waardoor er een ‘optisch geheel’ met de tuin is ontstaan. De rechtbank vindt dat de gestelde optische eenheid in dit geval, alles overziend, onvoldoende is onderbouwd.
De visuele indruk die de rechtbank uit het dossier afleidt, is dat [gedaagde] een eigen stukje (zij)tuin heeft en daarnaast bosschages, gras en tuininrichting (kippenhok, droogmolen) zijn aangebracht op het gemeentelijke perceelsgedeelte tot aan de muur van de gymzaal en het hek van de peuterspeelzaal. De rechtbank overweegt hierover verder dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] de gemeentelijke bebouwing ongemoeid heeft gelaten. Zowel de muur van de school/gymzaal als het hekwerk met toegangspoortje van de gemeentelijke peuterspeelzaal zijn door [gedaagde] gerespecteerd en in stand gelaten. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemeente onweersproken heeft gesteld dat het hekwerk van de peuterspeelzaal bewust zo is geplaatst, zodat de ‘buitenspeelplaats’ was afgebakend en overzichtelijk bleef voor de medewerkers van de peuterspeelzaal. De beschreven situatie ter plaatse is naar verkeersopvattingen goed te rijmen met een gemeentelijke schoolzone, peuterspeelzaal en gemeentelijke strook daarachter, waarbij een gedeelte voor de spelende kinderen was afgezet, en er een gedeelte was waar de kinderen niet zomaar mochten spelen, maar alleen via het eenvoudig te openen poortje, doorgaans onder begeleiding.
Er is daarom, al met al, geen sprake van een visueel geheel waaruit volgt dat de litigieuze strook ondubbelzinnig bij het perceel van [gedaagde] hoort, zo oordeelt de rechtbank.
De in dit kader aangevoerde verrichtingen van [gedaagde] met betrekking tot de strook – te weten het aanbrengen en onderhouden van beplanting, en het plaatsen van een kippenhok/droogmolen – zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als een ondubbelzinnige tegenspraak van het recht van de gemeente, en rechtvaardigen niet het oordeel dat sprake is van bezit van de strook, omdat het voor bezit vereiste ondubbelzinnige signaal richting de gemeente niet wordt gegeven.
4.10.
De derde factor in de analyse betreft de kwestie van handelingen van de rechtsvoorganger van [gedaagde] , waarin een erkenning van eigendomsrecht van de gemeente ligt besloten. Partijen zijn het erover eens dat wijlen de heer [A] in 2017 bij de gemeente een aankoopverzoek heeft gedaan: hij wenste het stuk grond dat hij als (zij)tuin gebruikte, van de gemeente te kopen. De gemeente heeft daarop te kennen gegeven dat hij (slechts) een klein stuk grond daarvan kon kopen. Dat is vervolgens gebeurd: de heer [A] heeft een onderdeel daarvan – het ‘paars omrande stuk’, zie r.o. 2.8 –gekocht en geleverd gekregen van de gemeente. De gemeente heeft hierbij verder aangegeven dat hij de rest van het perceelsgedeelte (dat bij hem in gebruik was als zijtuin) níet kon kopen. Dit alles is door de gemeente aangevoerd; [gedaagde] heeft deze gang van zaken niet weersproken. [gedaagde] heeft hierover slechts aangevoerd dat in de aankoop van het stukje grond geen erkenning van het recht van de gemeente ligt besloten omdat dit plaatsvond in 2017 en de verjaringstermijn toen al was verstreken. Daar gaat de rechtbank echter niet in mee. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet met elkaar in verband te brengen dat de heer [A] enerzijds het stuk grond van de gemeente wilde kopen, terwijl [gedaagde] anderzijds stelt dat hij zich al vele jaren, van meet af aan, als eigenaar van de grond beschouwde en zich zo gedroeg. Het aankoopverzoek spreekt de bezitspretentie van de heer [A] , in deze omstandigheden, tegen. Ten tijde van de mondelinge behandeling is namens [gedaagde] op vragen van de rechtbank hierover nog gezegd dat de heer [A] zich destijds niet heeft gerealiseerd dat hij al door verjaring eigenaar was geworden, maar bij gebreke van een nadere toelichting is daarmee door [gedaagde] onvoldoende uitgelegd hoe uit deze gang van zaken voor de geméénte naar uiterlijke verschijningsvorm duidelijk moet zijn geweest dat [gedaagde] al vele jaren pretendeerde eigenaar te zijn en de gemeente haar eigendom al was verloren.
In dit kader is door de raadslieden van [gedaagde] ten tijde van de mondelinge behandeling nog gewezen op twee gevallen uit de jurisprudentie waarin – kort samengevat –werd geoordeeld dat een aanbod om een perceelsgedeelte te kopen door de niet-rechthebbende, nog niet maakt dat die niet-rechthebbende niet (langer) als bezitter kon worden beschouwd. Hoewel aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat de beoordeling van zulke omstandigheden niet zwart-wit is en van geval tot geval moet worden gemaakt, ziet de rechtbank in de twee aangehaalde uitspraken geen aanleiding voor een ander oordeel. De aangehaalde jurisprudentie betrof namelijk wezenlijk andere gevallen, die niet te vergelijken zijn met de onderhavige zaak. In de ene aangehaalde casus ging het om de omvangrijke verbouwing van een appartement, en in de andere casus ging het om het zelf omheinen van andermans perceelsgedeelte. In beide situaties was sprake van ondubbelzinnige, kenbare inbezitneming; en een later aankoopverzoek ontnam dat karakter daaraan niet. In deze zaak vindt de rechtbank echter dat er alles overziend onvoldoende omstandigheden zijn waaruit volgt dat de gemeente zo’n ondubbelzinnig signaal heeft gekregen.
4.11.
Al met al, de drie voorgaande (r.o. 4.8 – 4.10 hiervoor) factoren in aanmerking genomen en bezien in samenhang en als geheel, vindt de rechtbank dat de gemeente er op grond van de uiterlijke omstandigheden niet op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom van de strook zou gaan verliezen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagde] en haar rechtsvoorganger de strook niet in bezit genomen.
Conclusie van de rechtbank
4.12.
De rechtbank concludeert dat niet voldaan is aan de vereisten voor eigendomsverkrijging door verjaring. Dit betekent dat de eigendom van de grondstrook bij de gemeente is gebleven. De – primair – door de gemeente gevraagde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. Hieruit volgt dat de reconventionele vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen.
4.13.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan de subsidiaire vordering van de gemeente in conventie (de subsidiaire vordering tot ‘retro-overdracht’ van de strook danwel tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad vanwege eigendomsverlies – kort aangeduid als de ‘Heusdense vordering’). Om dezelfde reden wordt voorbijgegaan aan het ter terechtzitting gedane verzoek van de gemachtigden van [gedaagde] , om de zaak aan te houden teneinde een nadere akte te nemen over de kwestie van bekendheid met schade door eigendomsverlies (onder de ‘Heusdense vordering’). In het oordeel van de rechtbank ligt – zoals beschreven – immers besloten dat er geen sprake is (geweest) van eigendomsverlies aan de zijde van de gemeente.
Tot slot komt de rechtbank niet meer toe aan de ‘meer subsidiaire’ vordering van de gemeente; de aan die vordering verbonden voorwaarde was immers het niet toewijzen van de primaire vordering, en die voorwaarde is niet vervuld.
De gevraagde veroordeling tot ontruiming
4.14.
In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat het (gehele) perceel eigendom is van de gemeente. De gemeente is dan ook op grond van artikel 5:2 BW bevoegd het gebruik van het perceel door [gedaagde] te beëindigen.
4.15.
De gemeente heeft bij dagvaarding mede gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om (binnen tien dagen na vonnis) de bedoelde strook van het perceel te ontruimen en het gebruik te beëindigen.
4.16.
De rechtbank constateert dat [gedaagde] in het vonnis in incident reeds is veroordeeld tot ontruiming van de strook, met een dwangsom. Op de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat aan de veroordeling tot ontruiming is voldaan, en dat het perceelsgedeelte al is ontruimd. Tegen die achtergrond verstaat de rechtbank dat de ontruiming, gelet op het hierboven beschreven oordeel, op goede grond is uitgevoerd. De rechtbank herhaalt de veroordeling hieronder bij de beslissing, omdat het incidentele vonnis een voorlopige voorziening inhoudt voor de duur van het geding, waardoor een nieuwe veroordeling nodig is met het oog op de toekomst vanaf de dag van dit vonnis. De rechtbank legt geen dwangsom op omdat een dwangsom niet nodig is, nu de ontruiming al heeft plaatsgevonden; in zoverre wordt de vordering afgewezen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.17.
De gemeente heeft gevraagd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.18.
[gedaagde] verzoekt de rechtbank aan het vonnis de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad te onthouden. Namens [gedaagde] is op de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij er alle belang bij heeft om de mogelijkheid te behouden om hoger beroep in te stellen. Als de gemeente al kan bouwen op haar perceel (en ook op de strook waar deze procedure over gaat), heeft dit onomkeerbare gevolgen, aldus [gedaagde] .
4.19.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, weegt de rechtbank de belangen van partijen af in het licht van de omstandigheden van het geval. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten (slechts) meegewogen worden.
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente haar belang bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad voldoende toegelicht. Het gaat, zo begrijpt de rechtbank, vooral om de ontruiming, die al heeft plaatsgevonden bij wijze van voorlopige voorziening, waarbij de veroordeling nu wordt herhaald met het oog op de toekomst. In de stukken en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door en namens de gemeente aangegeven dat zij concrete en vastomlijnde plannen heeft met het gebied ter plaatse. Het gehele perceel is verkocht aan een projectontwikkelaar, en is bestemd voor de bouw/aanleg van een wooncomplex. De gemeente heeft ook uitgebreid toegelicht dat zij er belang bij heeft dat zij het perceel hiertoe ter beschikking kan stellen, en dat dit niet kan worden vertraagd door een eventueel hoger beroep. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de gemeente heeft aangevoerd dat zij verwacht dat zij zich anders geconfronteerd zal zien met claims/schade doordat de projectontwikkelaar bouwvertraging oploopt. Tegen deze achtergrond hecht de gemeente eraan, zo begrijpt de rechtbank, dat zij zekerheid heeft dat zij eigenaar is van het volledige perceel, en de eigendom van de bedoelde strook van het perceel niet door verjaring is verloren. De rechtbank vindt dat het belang van de gemeente om de beschreven zekerheid te hebben, vrijelijk over haar volledige perceel te beschikken en het wooncomplex te completeren, op dit moment aanmerkelijk zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om een eventueel hoger beroep te kunnen afwachten. Dat betekent dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
De proceskosten in conventie en in reconventie
4.21.
[gedaagde] is – zowel in conventie als in reconventie - in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.
4.22.
De proceskosten van de gemeente in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
139,57
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.281,57
4.23.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, zal er aan de conclusie van antwoord en aan de mondelinge behandeling slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten van de gemeente in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
€
653,00
(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
801,00
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de gemeente eigenaar is van het perceel (kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] ), en dat de gemeente niet door inbezitneming en verjaring de eigendom van een gedeelte daarvan ten gunste van [gedaagde] heeft verloren,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] het perceel (kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] ), voor zover in gebruik bij [gedaagde] , te ontruimen en het gebruik ervan binnen twintig dagen na betekening van dit vonnis te beëindigen,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.082,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
Uit de door de gemeente overgelegde producties blijkt dat dit perceel (met nummer [kadastrale aanduiding 2] ) is ontstaan uit de percelen met perceelnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] en [nummer 9] .
Prod. 1 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie.
De rechtbank gaat hier in hoofdstuk 4 van dit vonnis nader op in.
Uit de door partijen overgelegde producties blijkt dat dit gedeelte is aangeduid met perceelnummer B2648.
Vonnis in incident van 12 februari 2025, r.o. 2.15 en 3.1.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1059.
Vgl. - bij wijze van voorbeeld - Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:599.
Vonnis in incident d.d. 12 februari 2025, r.o. 2.15 e.v.
Vonnis in incident d.d. 12 februari 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|