|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1316 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-10-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 20/2908 WAO | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Einduitspraak. Appellant heeft voldoende bewijsstukken verschaft over zijn verblijf vanaf 2006 tot 2011 in Marokko. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 24 april 2019 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 9 september 2006 recht heeft op een WAO-uitkering. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 (verzoek om terug te komen op) is niet-ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | uitkering | | | wao | | | | Uitspraak | 20/2908 WAO, 21/3188 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2020, 19/5319 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2021, 20/6885 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 24 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv bij het besluit van 24 april 2019 terecht de ingangsdatum, waarop het Uwv de WAO-uitkering van appellant heeft hervat, heeft vastgesteld op 23 februari 2011, meer in het bijzonder of is komen vast te staan of appellant tussen 2006 en 2011 in Marokko verbleef, en over de vraag of het Uwv terecht het verzoek van appellant om terug te komen op het besluit van 24 april 2019 heeft afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1 en heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Mr. R.J. Hoogeveen, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 13 november 2023. Namens appellant zijn mr. Hoogeveen en [naam 1] , neef van appellant, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings. Na afloop van de zitting zijn de zaken weer gesplitst.
Op 22 december 2023 heeft de Raad in de zaak met nummer 20/2908 WAO een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het Uwv met een brief van 18 april 2024 gereageerd. Een nader onderzoek ter zitting is achterwege gelaten en het onderzoek is gesloten.
Op 9 april 2025 heeft de Raad in de zaak met nummer 20/2908 WAO een einduitspraak gedaan. Ook heeft de Raad in de zaak met nummer 21/3188 WAO op 9 april 2025 uitspraak gedaan.
Op verzoek van appellant heeft de Raad bij uitspraak van 18 juni 2025 de hiervoor genoemde uitspraken van 9 april 2025 vervallen verklaard, omdat ten onrechte uitspraak is gedaan zonder kennis te nemen van de reactie van appellant op de brief van het Uwv van 18 april 2024 en in de veronderstelling dat appellant geen nadere zitting wenste.
Vervolgens hebben partijen nadere stukken ingediend.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt
De Raad heeft de zaken opnieuw gevoegd behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellant is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen en zijn dochter [naam 2] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Procedure 20/2908 – aangevallen uitspraak 1
1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.
1.2.
De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat, gelet op de opmaak van het door appellant in hoger beroep overgelegd document ‘attestation administrtive’, de inhoud van de verklaring, de ondertekening en de stempel van de Deuxième Annexe Administrative, de door het Uwv gegeven contra-indicaties onvoldoende aanleiding geven te twijfelen aan de authenticiteit van het document. Zo het Uwv concrete twijfel blijft houden over de authenticiteit van het document, is het Uwv in de gelegenheid gesteld zelf onderzoek te doen naar de authenticiteit van het document door dit voor te leggen aan de Attaché van het Bureau Sociale Zaken bij de Nederlandse Ambassade in Marokko.
1.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een onderzoek ingesteld en heeft in dat verband de Attaché van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Marokko gevraagd de authenticiteit van het door appellant overgelegd document te onderzoeken. Op 17 april 2024 heeft de Attaché het Uwv bericht dat na onderzoek is gebleken dat de aangeleverde woonverklaring ‘attestation administrative’ destijds is afgegeven door de mokaddem. Een mokaddem is een soort wijkhoofd of wijkagent die werkt onder de instructie van een caïd, hoofdbestuurder van het district. De mokaddem heeft de verklaring opgetekend op erewoord van appellant waarbij er geen onderzoek is gedaan naar de feitelijke situatie. Een dergelijke verklaring wordt in alle gevallen afgegeven als de eigenaar van de woning deze aanvraagt. Voor deze verklaring is het dus niet altijd nodig om daadwerkelijk op dit adres te wonen, maar wel moet de woning eigendom zijn (geweest) in de periode waarvoor de woonverklaring wordt gevraagd. Het dossier van de aanvraag is niet terug te vinden in het archief van de gemeente. Wel kan worden vastgesteld dat appellant eigenaar is geweest van de woning op het adres [woonplaats] , [plaats] , maar niet dat hij er toen gewoond heeft.
1.4.
Het Uwv heeft gelet op de verklaring van de Attaché bij brief van 18 april 2024 het standpunt gehandhaafd dat op juiste gronden de betaling van de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 februari 2011 is hervat, omdat voor het eerst met ingang van deze datum is gebleken dat appellant feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt. Subsidiair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant op grond van artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO geen recht heeft op een WAO-uitkering voorafgaand aan 23 februari 2011, omdat appellant niet eerder dan met een brief van 23 februari 2011 ter uitvoering van zijn mededelingsverplichting aan het Uwv mededeling heeft gedaan van zijn adres in Marokko, zodat pas vanaf dat moment controle op het recht en de hoogte van de WAO-uitkering mogelijk is geweest.
1.5.
In reactie hierop heeft appellant aangevoerd dat gelet op de verklaring van de Attaché volgt dat het betreffende document authentiek is en dat appellant dus heeft voldaan aan de gestelde bewijslast voor de toekenning van de WAO-uitkering vanaf 2006, nu het Uwv ter zitting heeft verklaard dat een uittreksel uit het bevolkingsregister als een toereikend bewijsstuk kan worden aangemerkt. Ook betwist appellant dat de verklaring is afgegeven op erewoord en zonder onderzoek naar de feitelijke situatie. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv in strijd met de tussenuitspraak het onderzoek heeft laten uitvoeren door het Internationaal Bureau Fraude-informatie. Het Uwv had volgens appellant rechtstreeks de Attaché van het Bureau Sociale Zaken bij de Nederlandse Ambassade te Marokko moeten inschakelen. Ook de onderzoeksvraag is volgens appellant niet zorgvuldig geformuleerd.
1.6.
Het Uwv heeft geen aanleiding gezien het standpunt, dat de betaling van de WAOuitkering terecht met ingang van 23 februari 2011 is hervat, te wijzigen, omdat met ingang van deze datum en niet eerder is gebleken dat appellant feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt. Appellant heeft volgens het Uwv met de woonverklaring niet aangetoond dat hij vanaf 16 januari 2006 tot 23 februari 2011 feitelijk in Marokko heeft gewoond of verblijf heeft gehad.
1.7.
Bij brief van 17 april 2026 heeft appellant nadere stukken ingediend, te weten een kopie van zijn oude Marokkaanse paspoort, geldig vanaf 24 januari 2006 tot 23 januari 2011 (dit paspoort is ook ter zitting meegenomen en door de Raad en partijen bekeken), een besluit van de IND van 22 mei 2013, waarbij het verzoek van appellant om opheffing van de ongewenstverklaring is ingewilligd, met onderliggende stukken, een notariële akte uit Marokko van 19 januari 2026, waarin verklaringen zijn opgenomen van twaalf getuigen, verklaringen van zijn twee dochters en zoon, een bericht van vertrek van de Koninklijke Marechaussee, waaruit blijkt dat hij op 9 september 2006 vanuit Nederland is uitgezet, een verklaring van de Marokkaanse autoriteiten dat hij op 9 september 2006 is ingereisd in Marokko, diverse stukken van artsen uit Marokko uit 2006 en 2007, een verzekeringspolis uit 2007, bankafschriften van een Marokkaanse bank van een telefoonabonnement uit 2008, twee geboorteaktes van zijn zonen uit 2011 en 2019 en een krantenartikel van [datum 1] 2006.
Procedure 21/3188 – aangevallen uitspraak 2
2. Bij brief van 10 juli 2020 heeft appellant het Uwv verzocht om het besluit van 24 april 2019 te heroverwegen waarin met ingang van 23 februari 2011 de WAOuitkering van appellant is heropend en betaalbaar is gesteld. Appellant heeft verzocht om verdere terugwerkende kracht van de heropening van de WAO-uitkering en heeft daartoe een verklaring van het bestuur van zijn woonplaats van 10 juli 2020, ‘attestation administrtive’, aangeleverd als bewijs van verblijf in Marokko vanaf 9 juni 2006 tot en met heden.
2.1.
Bij besluit van 3 september 2020 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nieuwe feiten en omstandigheden zijn gegevens en documenten die op het moment van het nemen van de beslissing van 24 april 2019 nog niet bekend of niet voorhanden waren. De door appellant overgelegde verklaring had ook eerder overgelegd kunnen worden.
2.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 september 2020 en aangevoerd dat het niet mogelijk was om deze verklaring op een eerdere datum te overleggen. Aldus zijn er wel nieuwe feiten en omstandigheden. De stelling van het Uwv dat dit document eerder had moeten worden overgelegd, is niet juist omdat het document zelf dateert van 10 juli 2020.
2.3.
Bij besluit van 12 november 2020 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Dergelijke nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden liggen niet besloten in het op 10 juli 2020 toegezonden uittreksel uit het bevolkingsregister. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit uittreksel niet eerder kon overleggen. Bovendien heeft appellant wisselende verklaringen afgelegd waarom het niet mogelijk was om eerder een uittreksel aan te vragen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat aan de hand van de beroepsgronden ook niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Het standpunt van appellant
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het uittreksel heeft appellant niet eerder kunnen overleggen, omdat het registratiesysteem in Nederland niet vergelijkbaar is met dat in Marokko. Het wonen buiten de stad bemoeilijkt het verkrijgen van een dergelijk uittreksel. Appellant is er pas in beroep in geslaagd om – na lang proberen – een uittreksel uit het bevolkingsregister te verkrijgen. Hij heeft dit daarna zo snel als mogelijk ingebracht in de procedure. Ook is het besluit van 12 november 2020 onredelijk. Er dient rekening mee te worden gehouden dat zaken als uittreksels verkrijgen uit het bevolkingsregister in Marokko veel moeilijker is dan in Nederland. Dit geldt temeer als iemand op het platteland woont. Nu appellant – na lang proberen – er uiteindelijk in is geslaagd om een uittreksel te verkrijgen, is het onredelijk om dit uittreksel vervolgens als 'te laat ingebracht' aan te merken.
Het standpunt van het Uwv
5. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit uittreksel niet eerder kon overleggen. Hij heeft niet onderbouwd dat hij het uittreksel niet eerder kon krijgen en heeft over het feit dat het niet mogelijk was om een uittreksel uit het bevolkingsregister te verkrijgen, wisselende verklaringen afgelegd. Dat kort na de zitting van 6 juli 2020 alsnog een uittreksel uit het bevolkingsregister kon worden overgelegd, wekt verbazing. Verder heeft het Uwv gewezen op de spel- en schrijffouten die het uittreksel bevat. Er is geen sprake van een evident onredelijk besluit. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.
Het oordeel van de Raad
Procedure 20/2908 – aangevallen uitspraak 1
6. Zoals volgt uit de tussenuitspraak is in geschil de vraag of het Uwv op juiste gronden uitbetaling van de WAO-uitkering op grond van artikel 50a, tweede lid, van de WAO over de periode van 9 september 2006 tot 23 februari 2011 heeft geweigerd, omdat niet is aangetoond dat appellant in die periode in Marokko woonde.
6.1.
Met het Uwv is de Raad van oordeel dat op grond van de brief van de Attaché van 17 april 2024 niet is komen vast te staan dat appellant in de periode vanaf 9 september 2006 tot 10 juli 2020 in Marokko heeft gewoond. De enkele en niet onderbouwde betwisting van de conclusie van de Attaché dat de woonverklaring destijds is afgegeven op basis van een verklaring op erewoord van appellant, waarbij geen onderzoek is gedaan naar de feitelijke situatie, is onvoldoende om deze conclusie niet te volgen. Ook is niet gebleken dat het Uwv niet via het Internationaal Bureau Fraude-informatie het onderzoek bij de Attaché had mogen aanbrengen of dat een onjuiste onderzoeksvraag is gesteld. Blijkens de brief van de Attaché van 17 april 2024 is gevraagd of het betreffende document authentiek is om op basis hiervan de WAO-uitkering te heropenen met ingang van 9 september 2006. Hiermee is de Attaché niet gevraagd om het bewijs te waarderen voor onderhavig geschil, maar is uitsluitend gevraagd om te onderzoeken of het document authentiek is. Blijkens de brief van de Attaché is het onderzoek ook uitsluitend hierop gericht geweest.
6.2.
Uit de stukken in het dossier, waaronder de door appellant in hoger beroep ingebrachte stukken, wordt het volgende afgeleid. Appellant is op [datum 2] 2006 uit detentie in Spanje ontslagen. Op 16 augustus 2006 is appellant in Nederland ongewenstverklaard en op 9 september 2006 is appellant vanuit Nederland uitgezet naar Marokko. In de periode tussen 16 januari 2006 en 9 september 2006 heeft appellant zowel in Nederland als in Marokko verbleven.
6.3.
Over het verblijf van appellant na 9 september 2006 kan uit de stukken het volgende worden afgeleid. Uit het oude paspoort van appellant, geldig tussen 2006 en 2011, is niet gebleken dat aan appellant na 9 september 2006 nog een visum is afgegeven. Ook zijn geen uitreisstempels in het paspoort opgenomen. Verder is gebleken dat appellant op 25 december 2010 in Marokko opnieuw is getrouwd en daar een gezin heeft gesticht. Verder valt uit de woonverklaring en de brief van de Attaché van 17 april 2024 af te leiden dat appellant in ieder geval vanaf 9 september 2006 eigenaar was van een woning op het adres [woonplaats] , [plaats] te Marokko. Daarnaast heeft appellant medische verklaringen uit 2007 ingebracht van een psychiater te [plaats] , waaruit volgt dat appellant toen bij deze arts onder behandeling was.
6.4.
Verder is van belang dat de IND op 22 mei 2013 de ongewenstverklaring heeft opgeheven. Om de ongewenstverklaring te kunnen opheffen heeft de IND blijkens een brief van 12 april 2013 stukken opgevraagd bij appellant, onder meer een schriftelijke verklaring, waaruit moet blijken dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de ongewenstverklaring vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven, een kopie van de documenten voor grensoverschrijding en een overzicht van de plaatsen waar appellant sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken. Met de inwilliging van de ongewenstverklaring van 22 mei 2013 en de onderliggende stukken kan worden afgeleid dat appellant aan deze voorwaarden heeft voldaan.
6.5.
Gelet op de overwegingen onder 6.2, 6.3 en 6.4 komt de Raad tot de conclusie dat appellant voldoende bewijsstukken heeft verschaft over zijn verblijf in Marokko tussen 9 september 2006 en 23 februari 2011 en dat appellant met die stukken voldoende heeft aangetoond dat hij gedurende die periode heeft verbleven in Marokko. Het primaire standpunt van het Uwv kan dan ook niet worden gevolgd.
6.6.
Het subsidiaire standpunt van het Uwv dat de heropening niet eerder kan ingaan dan 23 februari 2011, omdat appellant dan pas een aanvraag heeft gedaan om hervatting van de WAO-uitkering, wordt evenmin gevolgd. Uit de brieven van de toenmalige echtgenote van appellant en zijn toenmalige gemachtigde uit 2006 kan worden afgeleid dat toen reeds is verzocht om hervatting van de WAO-uitkering, welk verzoek kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 50a, tweede lid, van de WAO. Zoals ook in de tussenuitspraak is vermeld, heeft appellant in 2011 nogmaals verzocht om heropening van zijn WAO-uitkering. Op de aanvraag uit 2006, en dus herhaald in 2011, is dus pas beslist bij besluit van 24 april 2019. Gelet hierop kan het standpunt van het Uwv, dat de WAOuitkering pas kan worden hervat per 23 februari 2011, omdat appellant toen pas een aanvraag zou hebben gedaan, niet worden gevolgd.
6.7.
Verder overweegt de Raad dat artikel 36a, eerste lid, onder d, van de WAO op deze situatie niet van toepassing is. Het gaat in deze zaak om een aanvraag om hervatting van een WAO-uitkering na intrekking van de uitkering wegens detentie. Zoals volgt uit het bestreden besluit en de tussenuitspraak gaat het in deze zaak om de vraag of appellant voldoende heeft aangetoond dat hij vanaf 2006 tot 2011 in Marokko heeft gewoond en dus om het bepaalde in artikel 50a, tweede lid, van de WAO. Het gaat niet om intrekking of herziening van een lopende WAO-uitkering per 23 februari 2011 wegens het niet naleven van de verplichtingen op grond 25, 28 of 30 van de WAO. De WAO-uitkering was immers al per 11 september 2003 ingetrokken.
Procedure 21/3188 – aangevallen uitspraak 2
6.8.
Gelet op het oordeel van de Raad in de procedure 20/2908, zoals hierboven weergegeven, is het procesbelang van appellant bij een uitspraak in deze zaak komen te vervallen. Het hoger beroep zal dan ook wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
6.9.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 slaagt dus. Deze uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit wordt alsnog gegrond verklaard en het besluit van 20 september 2019 wordt vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 24 april 2019 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 9 september 2026 recht heeft op een WAO-uitkering. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 is niet-ontvankelijk.
Overschrijding redelijke termijn
7. Wat betreft het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
7.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
7.2.
Daarbij wordt gewezen op de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014, waarin in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hogerberoepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hogerberoepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
7.3.
In dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 26 april 2019 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure zeven jaar en vijf maanden geduurd. Noch in de zaak zelf en noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie jaar en vijf maanden (dus 41 maanden) overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.500,-.
7.4.
De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 8 oktober 2019 tot de tussenuitspraak van de Raad van 22 december 2023 heeft vier jaar en afgerond drie maanden in beslag genomen. Dit betekent dat in deze fase de redelijke termijn in de rechterlijke fase van drie en een half jaar is overschreden met negen maanden.
7.5.
Onder verwijzing naar de in 4.3 genoemde uitspraak van de Raad komt, indien niet binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld, einduitspraak is gedaan, de periode nadien voor rekening van de Staat. De periode tussen de ontvangst op 18 april 2024 van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek zou hebben hersteld en de datum van deze uitspraak heeft twee jaar, vijf maanden en zes dagen geduurd. Dat betekent dat in deze fase de redelijke termijn in de rechterlijke fase van een jaar is overschreden met een jaar en afgerond zes maanden (dus achttien maanden).
7.6.
Het voorgaande betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat en een deel voor rekening van het Uwv komt. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 2.304,88 (27/41 deel van € 3.500,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.195,12 (14/41 deel van € 3.500,-).
Proceskosten
8.1.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-), op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.802,- voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een zienswijze na tussenuitspraak en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde van € 934,- per punt). In totaal dus een bedrag van € 6.002,-.
8.2.
Verder bestaat aanleiding om het Uwv en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadevergoedingsverzoek, met een wegingsfactor van 0,5). De betreffende kosten worden daarmee voor zowel het Uwv als voor de Staat begroot op € 233,50.
8.3.
Ook moet het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak 1;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2019 gegrond en vernietigt dat besluit;
herroept het besluit van 24 april 2019, voor zover daarbij is bepaald dat appellant met ingang van 23 februari 2011 weer recht heeft op een WAO-uitkering;
kent aan appellant met ingang van 9 september 2006 een WAO-uitkering toe en bepaalt dat deze uitspaak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.304,88;
veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.195,12;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50;
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 6.235,50;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt;
verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
CRvB 22 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2524.
CRvB 18 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:988.
CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
CRvB 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|