|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:13460 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | C/15/370647 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Recreatiepark. Consumentenrecht. Ambtshalve toetsing huisregels en algemene voorwaarden. Matiging boete. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | kleine-ondernemersregeling | | | koopaktes | | | koopovereenkomst | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370647 / HA ZA 25-682
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. B.P. van Overeem,
tegen
DIRKSHOEVE B.V.,
te Dirkshorn, gemeente Schagen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Dirkshoeve,
advocaat: mr. R.J. van de Leur.
De zaak in het kort
Bewoners van een recreatiewoning vorderen terugbetaling van opgelegde boetes en in rekening gebrachte parklasten van de beheerder van het recreatiepark. De bewoners doen een beroep op het consumentenrecht. De rechtbank oordeelt dat de bewoners consumenten zijn en toetst ambtshalve de voor de vorderingen relevante bedingen in de algemene voorwaarden van het recreatiepark. De rechtbank oordeelt dat de bewoners boetes hebben verbeurd, maar matigt de boete met 50%. De rechtbank wijst de vorderingen tot terugbetaling van de parklasten af.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 4 februari 2026;
akte eisvermeerdering en aanvullende producties 17 tot en met 24 namens [eisers] ;
aanvullende producties 28 en 29 van Dirkshoeve;
de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de advocaten van partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Dirkshoeve exploiteert en beheert het recreatiepark ‘Bungalow Dirkshoeve’ te Dirkshorn (hierna: het ‘recreatiepark’).
2.2.
Rond 18 november 2022 hebben [eisers] interesse getoond in een recreatiewoning met kavelnummer [nummer] op het recreatiepark (hierna: de ‘recreatiewoning’) en informatie aangevraagd.
2.3.
Op 30 november 2022 hebben [eisers] het volgende aan Dirkshoeve geschreven: “Omdat wij het huis waarschijnlijk pas in 2024 veel zelf zullen gebruiken (dan pas verhuizen we naar een appartement) is het voor ons belangrijk om te weten of we het via het park kunnen verhuren en welk percentage kosten u in rekening brengt.”
2.4.
De makelaar van [eisers] en Dirkshoeve hebben in januari 2023 via de e-mail contact gehad over de koopovereenkomst erfpachtrecht, de koopovereenkomst blooteigendom, de instemmingsverklaring (hierna: ‘Instemmingsverklaring’), de Algemene Verkoopvoorwaarden AVV09 (hierna: de ‘Algemene Verkoopvoorwaarden’) en de Huisregels v1401 (hierna: de ‘Huisregels’). In een e-mail van 25 januari 2023 geeft de makelaar namens [eisers] de volgende reactie op deze documenten: “We hebben de stukken nogmaals doorgenomen en gaan ermee akkoord.”.
2.5.
De rechtbank zal hierna de term ‘algemene voorwaarden’ gebruiken als verwijzing naar voornoemde voorwaarden en alle overige algemene voorwaarden die Dirkshoeve hanteert in de uitoefening van haar diensten.
2.6.
Dirkshoeve heeft op 25 januari 2023 aan de makelaar van [eisers] de documenten ter ondertekening toegestuurd. [eisers] en Dirkshoeve hebben de Instemmingsverklaring op 26 januari 2023 digitaal ondertekend en de bijlagen bij de Instemmingsverklaring, waaronder de Algemene Verkoopvoorwaarden en de Huisregels, geparafeerd.
2.7.
[eisers] hebben op 15 maart 2023 het recht van erfpacht en blooteigendom geleverd gekregen van het perceel grond met daarop de recreatiewoning. In de leveringsakte aanvaarden [eisers] de Instemmingsverklaring, de Algemene Verkoopvoorwaarden en de Huisregels. Daarnaast verklaren [eisers] in de leveringsakte met de inhoud van deze voorwaarden bekend te zijn.
2.8.
In de Huisregels, bijlage ‘Verblijf algemeen’ zijn de volgende bepalingen opgenomen over het onderhoud van de tuin rondom de recreatiewoning:
Artikel 11.2 onder c: “Het is verboden om zonder de expliciete schriftelijke toestemming van Dirkshoeve bomen te toppen of te kappen.”
Artikel 14 sub d onder 4: “Wegens het zonder voorafgaande toestemming van Dirkshoeve toppen of kappen van bomen, verbeurt de eigenaar een direct opeisbare onvoorwaardelijke boete van € 250 per boom.”
2.9.
In een brief van 24 december 2024 heeft Dirkhoeve aanspraak gemaakt op verbeurde boetes van in totaal € 2.000,00 omdat [eisers] zonder schriftelijke toestemming van Dirkshoeve ten minste acht bomen “van hun kruin hebben ontdaan”.
2.10.
[eisers] hebben in een reactie van 6 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde boetes.
2.11.
Dirkshoeve heeft op 1 april 2025 de jaarnota E24/V25 voor een bedrag van € 4.352,00 aan [eisers] gestuurd. [eisers] hebben op 15 april 2025 een beroep gedaan op opschorting van hun betalingsverplichting omdat de jaarnota volgens [eisers] onvoldoende transparant is.
2.12.
Dirkshoeve is op 17 mei 2025 een incassotraject gestart om de boetes en de jaarnota E24/V25 te verhalen op [eisers] hebben op 2 juni 2025 medegedeeld de boetes onder protest te betalen. [eisers] hebben een bedrag van € 2.160,47 betaald aan Dirkshoeve.
2.13.
Op 16 juni 2025 heeft Dirkshoeve het volgende aan [eisers] geschreven: “(…) Hierin laten wij u weten dat als wij uw achterstallige betaling van parklasten etc. niet uiterlijk 19-06-2025 hebben ontvangen, u de mogelijkheid tot verhuur is ontzegd. Wij zullen in dat geval de thans door u aangemelde huurders de toegang tot het park ontzeggen. Daaruit voor u eventueel voortvloeiende schade is uiteraard geheel voor uw eigen rekening.”.
2.14.
Naar aanleiding van deze e-mail hebben [eisers] medegedeeld de jaarnota E24/V25 onder protest te betalen. [eisers] hebben een bedrag van € 4.423,50 betaald aan Dirkshoeve.
2.15.
Op 30 juni 2026 heeft de advocaat van Dirkshoeve een sommatie aan [eisers] verstuurd en aanspraak gemaakt op betaling van de jaarnota E25/V26. [eisers] hebben op 8 juni 2026 bevestigd een bedrag van € 5.126,39 over te maken.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen na eisvermeerdering:
een verklaring voor recht dat de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde regels, reglementen etc. niet binden, althans niet binden zonder dat de regels zodanig zijn aangepast dat deze een doelmatige wijze van onderhoud en beheer van het vakantiepark ten dienste staan, subsidiair dat de als productie 16 overgelegde lijst van bepalingen rechtsgeldig door [eisers] zijn vernietigd, meer subsidiair dat de door de rechtbank in goede justitie bepaalde bepalingen rechtsgeldig zijn vernietigd;
veroordeling van Dirkshoeve tot betaling van € 2.160,47;
veroordeling van Dirkshoeve tot betaling van € 4.423,50;
veroordeling van Dirkshoeve tot betaling van € 5.126,39;
veroordeling van Dirkshoeve in de (na)kosten van de procedure.
3.2.
[eisers] leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eisers] stellen niet gebonden te zijn aan de algemene voorwaarden van Dirkshoeve omdat zij deze buitengerechtelijk hebben vernietigd in de dagvaarding. [eisers] beroepen zich daarnaast op consumentenbescherming. [eisers] stellen ten slotte de boetes en jaarlijkse parklasten onverschuldigd te hebben betaald.
3.3.
Dirkshoeve voert verweer. Dirkshoeve concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Consumentenrechtbescherming
4.1.
[eisers] doen een beroep op consumentenrechtbescherming. Dirkshoeve verzet zich hiertegen en stelt dat [eisers] de recreatiewoning bedrijfsmatig verhuren. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vorderingen van [eisers] , moet de rechtbank dus beoordelen of [eisers] bij het aangaan van de koopovereenkomst handelden als consumenten. Als dit zo is, zal de rechtbank de bedingen in de algemene voorwaarden van Dirkshoeve ambtshalve moeten toetsen die betrekking hebben op de vorderingen van [eisers]
[eisers] kwalificeren als consument
4.2.
De rechtbank oordeelt dat [eisers] kwalificeren als consument en licht dit als volgt toe. Een consument is een natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Het begrip “consument” is een objectief begrip. Niet van belang is over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt. Evenmin is van belang of de betrokkene een onderneming drijft. Aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet vastgesteld worden met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat onder meer afgeleid kan worden uit de inhoud van de overeenkomst en de aard van de overeengekomen werkzaamheden.
4.3.
De rechtbank volgt Dirkshoeve niet in haar stelling dat sprake is van bedrijfsmatige verhuur omdat [eisers] een btw-nummer hebben aangevraagd om de inkomsten uit de verhuur bij de Belastingdienst te kunnen opgeven en zich niet hebben aangemeld voor de kleine ondernemersregeling. [eisers] zijn als particulieren ook wettelijk verplicht om btw af te dragen over huurinkomsten van een (tweede) woning.
4.4.
[eisers] hebben bovendien betwist dat zij een onderneming drijven. [eisers] hebben onweersproken verklaard dat zij de recreatiewoning hebben gekocht omdat zij tegelijkertijd een appartement in Amsterdam hebben gekocht zonder tuin en omdat zij te weinig ruimte hebben om kinderen en kleinkinderen te ontvangen. De recreatiewoning is bedoeld om dit gemis op te vangen, aldus [eisers] hebben bovendien verklaard dat zij de recreatiewoning alleen verhuren als zij er zelf geen gebruik van maken, onder andere om uit de kosten te komen. [eisers] hebben dit onderbouwd met een overzicht van de jaaropbrengsten uit de verhuur van de recreatiewoning, waaruit blijkt dat de recreatiewoning in 2024 en 2025 ongeveer 65 dagen per jaar is verhuurd. De rechtbank oordeelt op grond hiervan dat voldoende vast staat dat [eisers] de recreatiewoning als consumenten hebben gekocht en dat het consumentenrecht van toepassing is.
Beoordeling vordering 1
4.5.
De eerste vordering van [eisers] bestaat uit meerdere verklaringen voor recht die zien op de vernietiging van de bedingen in de algemene voorwaarden van Dirkshoeve. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of deze gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar zijn. Indien vordering 1 niet wordt toegewezen, zal de rechtbank overgaan tot ambtshalve toetsing van de relevante bedingen in de algemene voorwaarden van Dirkshoeve.
De algemene voorwaarden van Dirkshoeve zijn van toepassing
4.6.
[eisers] vorderen primair een verklaring voor recht dat zij niet zijn gebonden aan de Instemmingsverklaring en de Huisregels van Dirkshoeve. [eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hiermee wordt bedoeld dat zij deze voorwaarden buitengerechtelijk hebben vernietigd. [eisers] baseren deze vernietiging, zo begrijpt de rechtbank, op de sub-b grond uit artikel 6:233 Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin is bepaald dat Dirkshoeve de redelijke mogelijkheid moet bieden aan [eisers] om van haar algemene voorwaarden kennis te nemen.
4.7.
De rechtbank oordeelt dat Dirkshoeve voldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij al haar voorwaarden, waaronder de Instemmingsverklaring en de Huisregels, voor de koop van de recreatiewoning aan [eisers] heeft verstrekt en dat [eisers] op verschillende momenten voor en bij het aangaan van de koopovereenkomst hebben ingestemd met deze voorwaarden. Dirkshoeve heeft onder andere de ondertekende en geparafeerde Instemmingsverklaring en Huisregels overgelegd. Uit de overgelegde leveringsakte blijkt daarnaast dat [eisers] nogmaals expliciet hebben ingestemd met de Instemmingsverklaring en de Huisregels bij het passeren van de koopaktes. Dat de notaris de Huisregels en Instemmingsverklaring niet expliciet met [eisers] heeft doorgenomen, is geen reden om anders te oordelen. Het wettelijk uitgangspunt is immers dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld voor of bij het sluiten van de overeenkomst en niet dat de gebruiker zich ervan vergewist dat de wederpartij ook daadwerkelijk kennisneemt van de voorwaarden. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor vernietiging van alle bedingen in de Huisregels en Instemmingsverklaring. De verklaring voor recht dat [eisers] niet zijn gebonden aan deze voorwaarden wordt afgewezen.
Overige verklaringen voor recht zijn onvoldoende bepaald
4.8.
[eisers] vorderen subsidiair een verklaring voor recht dat de algemene voorwaarden van Dirkshoeve hen niet binden “zonder dat de regels zodanig zijn aangepast dat deze een doelmatige wijze van onderhoud en beheer van het vakantiepark ten dienste staan”. De rechtbank oordeelt dat deze vordering onvoldoende duidelijk en onvoldoende bepaald is, omdat [eisers] verzuimen te concretiseren wat onder doelmatig wordt verstaan. De verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
4.9.
[eisers] vorderen meer subsidiair een verklaring voor recht dat de bedingen die in productie 16 staan buitengerechtelijk zijn vernietigd. Ook deze verklaring voor recht wordt afgewezen omdat die onvoldoende bepaald en concreet is geformuleerd. Productie 16 bestaat uit meerdere verwijzingen naar passages en aanduidingen, waarvan onduidelijk is welke bedingen uit welke algemene voorwaarden van Dirkshoeve worden aangehaald. Het is niet de verantwoordelijkheid van de rechtbank om uit een productie te destilleren welke bedingen volgens [eisers] onredelijk bezwarend zijn en waarom. [eisers] moet dit voldoende concreet stellen in de dagvaarding. Door dit niet te doen, is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk waarover zij dient te beslissen.
4.10.
Op grond van het voorgaande wordt vordering 1 afgewezen. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de algemene voorwaarden van Dirkshoeve van toepassing zijn, komt de rechtbank toe aan de ambtshalve toetsing van de bedingen in de algemene voorwaarden van Dirkshoeve.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
4.11.
De rechtbank stelt op basis van het dossier ambtshalve vast dat op de overeenkomst tussen partijen de volgende algemene voorwaarden van toepassing zijn:
Instemmingsverklaring;
Algemene Verkoopvoorwaarden;
Huisregels; en
Overzicht reguliere kosten en lasten recreatiewoning v2204 (hierna: het ‘Overzicht reguliere kosten’).
4.12.
De rechtbank is gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens de Europese Richtlijn over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13/EEG) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De rechtbank moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de rechtbank oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet in het onderhavige geval de vordering op dat onderdeel worden toegewezen.
4.13.
Gelet op de vorderingen die in deze procedure zijn ingesteld en het hieraan ten grondslag liggende geschil, zal de rechtbank ambtshalve de bepalingen in de hiervoor in r.o. 4.11 genoemde algemene voorwaarden toetsen. Meer concreet zal de rechtbank de bedingen toetsen die betrekking hebben op (i) de parklasten, (ii) het groenonderhoud, (iii) het boetebeding dat kan worden ingeroepen bij niet naleving van de regels over het groenonderhoud, (iv) het handhavingsbeding, (v) de bepalingen over de rente en boeterente en (vi) de buitengerechtelijke incassokosten.
Ad (i) Parklasten
4.14.
Artikel II.3 van de Instemmingsverklaring, artikel 5 van de Algemene Verkoopvoorwaarden en de Huisregels, bijlage Jaarlasten, Jaarnota en Eindejaarsopgave bevatten bedingen over de doorbelasting van parklasten aan (nieuwe) eigenaren en de manier waarop die parklasten worden berekend. De rechtbank oordeelt dat de bedingen niet oneerlijk zijn. De werkelijk gemaakte kosten worden volgens een transparante verdeelsleutel over alle eigenaren verdeeld aan de hand van het daadwerkelijke gebruik van de eigenaar. Anders dan [eisers] stellen, is de rechtbank van oordeel dat de bedingen geen eenzijdige bevoegdheid tot prijsverhoging bevatten. De bedingen in het Overzicht reguliere kosten geven inzicht in de periodieke vergoeding voor het gebruik van de grond, waaronder de jaarlijkse vergoeding voor het beheer en onderhoud van het park. Ook deze bedingen zijn voldoende transparant en duidelijk voor de consument en niet oneerlijk.
Ad (ii) Groen- en tuinonderhoud
4.15.
Artikel III.4 van de Instemmingsverklaring, artikel 6 van de Algemene Verkoopvoorwaarden en artikel 11.2 van de Huisregels, bijlage Verblijf algemeen, bevatten bedingen die de algemene parkregels over het onderhoud van de groenvoorzieningen op en rond de perceelgrens omschrijven. Volgens Dirkshoeve zijn deze regels nodig om de uniformiteit van het groen op het park te waarborgen. De rechtbank vindt dit een gerechtvaardigd belang en oordeelt dat de bedingen niet oneerlijk of onredelijk bezwarend zijn. De rechtbank weegt hierin mee dat bewoners schriftelijke toestemming kunnen vragen voor werkzaamheden die op grond van de bedingen niet zijn toegestaan. Daarnaast moet Dirkshoeve eerst waarschuwen voordat zij bij achterstallig onderhoud werkzaamheden uitvoert en doorberekent. Hierdoor zijn de belangen van beide partijen voldoende in evenwicht.
Ad (iii) Boetebeding groen- en tuinonderhoud
4.16.
Artikel 14, sub d onder 4 van de Huisregels, bijlage Verblijf algemeen bevat een boetebeding dat bepaalt dat een bewoner een boete van € 250,00 per boom verschuldigd is als hij zonder voorafgaande schriftelijke toestemming een boom kapt of topt. De rechtbank oordeelt dat het beding niet oneerlijk is. De aan het boetebeding ten grondslag liggende regel is, zoals hiervoor in r.o. 4.15 is overwogen, niet oneerlijk. Daarnaast is een boete als prikkel tot naleving van regels niet ongebruikelijk. De rechtbank volgt het standpunt van Dirkshoeve dat de boete niet disproportioneel hoog is en dat de boete afgebakend is, in die zin dat de hoogte van de boete niet ongelimiteerd op kan lopen. Dit wordt door [eisers] ook niet betwist. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat het beding niet aan de toepassing van artikel 6:94 BW (matiging van boete) in de weg staat. Er is op grond hiervan geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen handelaar en consument en dus ook niet van een oneerlijk beding.
Ad (iv) Handhavingsbeding
4.17.
In artikel 13.1 van de Algemene Verkoopvoorwaarden is een beding opgenomen dat Dirkshoeve de bevoegdheid geeft om eigenaren de toegang tot het park te ontzeggen als de eigenaren niet binnen een redelijke termijn aan de verplichtingen uit de Algemene Verkoopvoorwaarden voldoen. De rechtbank oordeelt dat dit beding onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:236 sub c BW. Op grond van het beding is Dirkshoeve namelijk niet verplicht tot nakoming van haar kernverplichting als een consument zich niet aan zijn verplichtingen houdt. Hierdoor wordt de bevoegdheid van de consument om zijn verplichtingen op te schorten beperkt. Een beding dat tot een dergelijke beperking strekt, wordt volgens artikel 6:236 sub c BW als onredelijk bezwarend aangemerkt in de verhouding tussen een handelaar en een consument.
4.18.
Dirkshoeve voert aan dat het ontzeggen van de toegang tot het park is bedoeld om aanhoudende wanbetalers tot betaling te dwingen en dat de maatregel feitelijk nooit wordt toegepast. Dit doet aan de oneerlijkheid van het beding niet af. Of Dirkshoeve de consument ook daadwerkelijk aan een bedongen afspraak houdt of in de praktijk geen uitvoering geeft aan een beding is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van de algemene voorwaarden niet relevant. Beslissend is daarentegen hoe een beding zou kunnen worden toegepast en de rechtbank neemt de tekst van het beding dus als uitgangspunt bij de beoordeling ervan. Het beding is vernietigbaar.
Ad (v) Wettelijke rente en boeterente
4.19.
In artikel 4 van de Huisregels, bijlage Algemene Betalingsvoorwaarden is een contractuele boeterente van 1% per maand bedongen en is daarnaast bedongen dat ook aanspraak gemaakt kan worden op wettelijke rente. Het rentebeding is oneerlijk. De overeengekomen boeterente van 12% per jaar was bij het sluiten van de overeenkomst hoger dan de op dat moment geldende wettelijke handelsrente van 8%. Bovendien maakt het beding het mogelijk naast de boeterente ook wettelijke rente in rekening te brengen. Daardoor kan de consument dubbel worden belast, terwijl op grond van de wet in beginsel slechts wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn. Daarmee wijkt het beding ten nadele van de consument van de wet af en is het beding oneerlijk.
Ad (vi) Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
In artikel 3 van de Huisregel, bijlage Algemene Betalingsvoorwaarden is een beding opgenomen dat Dirkshoeve de bevoegdheid geeft om zonder nadere ingebrekestelling buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen bij het uitblijven van betaling van een vordering van Dirkshoeve. In dit beding wordt ten nadele van de consument afgeweken van de inhoud van artikel 6:96 lid 6 BW (buitengerechtelijke kosten). De wettekst schrijft voor dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en sub a BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn.
Tussenconclusie
4.21.
Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank artikel 13.1 van de Algemene Verkoopvoorwaarden en artikel 3 en artikel 4 van de Huisregels, bijlage Algemene Betalingsvoorwaarden vanwege het oneerlijke karakter. Dit heeft tot gevolg dat [eisers] in ieder geval recht hebben op terugbetaling van de aan Dirkshoeve betaalde rente en incassokosten. De rechtbank kan op basis van de stellingen van partijen niet beoordelen welk bedrag toegewezen moet worden en laat het dus aan partijen om dit onderling te regelen.
4.22.
De vernietiging van het handhavingsbeding (artikel 13.1 Algemene Verkoopvoorwaarden) heeft voor de vorderingen van [eisers] geen gevolg. De rechtbank zal vorderingen 2, 3 en 4 hierna apart beoordelen.
Vordering 2: Terugbetaling van opgelegde boetes
4.23.
[eisers] vorderen terugbetaling van de opgelegde boetes. Voor zover [eisers] deze vordering baseren op de vernietiging van het boetebeding, gaat dit niet op omdat de rechtbank het beding niet als oneerlijk heeft beoordeeld. De rechtbank moet los daarvan beoordelen of [eisers] tekort zijn geschoten in de nakoming van artikel 11.2 onder c van de Huisregels, bijlage Verblijf algemeen. Subsidiair moet de rechtbank beoordelen of er grond is om de opgelegde boetes te matigen. De rechtbank oordeelt dat voldoende vast staat dat [eisers] de boetes hebben verbeurd, maar dat er reden is om de opgelegde boetes te matigen tot 50%. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.24.
Tussen partijen staat vast dat [eisers] geen voorafgaande schriftelijke toestemming hebben gevraagd voor het snoeien van de acht bomen. Dirkshoeve heeft de boetes opgelegd omdat zij stelt dat [eisers] in totaal acht bomen ‘van hun kruin’ hebben ontdaan. Desgevraagd hebben [eisers] niet ontkend dat de bomen zijn ‘getopt’, maar volgens [eisers] hebben zij hier mondelinge toestemming voor gekregen van Dirkshoeve en waren de werkzaamheden noodzakelijk.
4.25.
Met [eisers] is de rechtbank van oordeel dat mondelinge toestemming het schriftelijke vereiste kan vervangen, mits [eisers] voldoende stellen en onderbouwen dat deze mondelinge toestemming is gegeven door Dirkshoeve. Dit hebben [eisers] onvoldoende gedaan. Dirkshoeve heeft gemotiveerd betwist dat zij tijdens het bespreken van de tuininrichting toestemming heeft gegeven voor het toppen van de bomen. Volgens Dirkshoeve blijkt dit ook niet uit de schets van de tuinrichting die [eisers] aan Dirkshoeve hebben gepresenteerd. [eisers] hebben hier te weinig tegenover gesteld. Dat een medewerker van Dirkshoeve heeft meegewerkt aan het versnipperen van de gesnoeide takken van de bomen kan niet worden gezien als toestemming van Dirkshoeve. Het snoeiwerk was op dat moment bovendien al uitgevoerd. Omdat onvoldoende vast is komen te staan dat mondelinge toestemming is gegeven voor de snoeiwerkzaamheden, oordeelt de rechtbank dat [eisers] de opgelegde boetes hebben verbeurd.
4.26.
De rechtbank ziet echter reden om de opgelegde boetes te matigen. [eisers] hebben voldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat de bomen niet onherstelbaar zijn aangetast. Dit is door Dirkshoeve ook niet betwist. Dirkshoeve heeft daarentegen aangevoerd dat de schade zit in het aanzicht van het groen, dat ten opzichte van de overige bomen niet (meer) gelijk is. [eisers] hebben echter onweersproken aangevoerd dat de werkzaamheden nodig waren voor het onderhoud van de bomen en zijn uitgevoerd door een professionele hovenier en dat de bomen door de werkzaamheden in goede staat verkeren. In het licht van deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het billijk is dat de boete met 50% wordt gematigd. Dit betekent dat vordering 2 in zoverre wordt toegewezen dat Dirkshoeve zal worden veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 1.000,00.
Vorderingen 3 en 4: Terugbetaling van de parklasten
4.27.
[eisers] vorderen terugbetaling van de parklasten voor het jaar 24/25 en het jaar 25/26. Deze vorderingen worden afgewezen. De bedingen in de Instemmingsverklaring, de Algemene Verkoopvoorwaarden, de Huisregels en het Overzicht reguliere kosten zijn niet als oneerlijk beoordeeld. Er bestaat dus geen grond voor vernietiging van deze bedingen. Voor het overige missen de vorderingen grondslag. Tussen partijen staat immers vast dat [eisers] verplicht zijn om parklasten aan Dirkshoeve te betalen. De rechtbank volgt het standpunt van [eisers] niet dat Dirkshoeve de jaarnota’s, en meer in het bijzonder de beheerskosten, onvoldoende heeft gespecificeerd. [eisers] hebben onvoldoende toegelicht waar de verplichting om de jaarnota’s of beheerskosten nader te specificeren uit blijkt en waarom dit zou rechtvaardigen dat Dirkshoeve het totaal aan parklasten moeten terugbetalen.
Eindconclusie
4.28.
De conclusie is dat Dirkshoeve wordt veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 1.000,00 aan boetes. De vorderingen van [eisers] worden voor het overige afgewezen.
Proceskosten worden gecompenseerd
4.29.
Ondanks dat de vorderingen van [eisers] grotendeels worden afgewezen, worden meerdere bedingen uit de algemene voorwaarden van Dirkshoeve vernietigd omdat zij als oneerlijk zijn beoordeeld en is er aanleiding om de opgelegde boetes te matigen. Deze uitkomst van de procedure geeft aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit houdt in dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt Dirkshoeve om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.000,00;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Broers en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Vb)
In het petitum wordt verwezen naar de ‘regels en reglementen’ uit productie 3 bij de dagvaarding. Productie 3 bestaat uit de Instemmingsverklaring en de Huisregels.
Artikel 6:234 lid 1 BW
Artikel 6:232 BW
HvJ 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia)
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Vb) | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|