Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7273 
 
Datum uitspraak:25-09-2026
Datum gepubliceerd:20-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/3920
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV. Aftrek zorgkosten. De kosten zijn niet aannemelijk gemaakt. Verzuimboete is te hoog omdat niet kan worden vastgesteld dat de papieren aangifte is verzonden. Beroep gegrond voor zover het ziet op de verzuimboete.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
inkomstenbelasting
persoonsgebonden aftrek
verzamelinkomen
zorgkosten
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3920


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026

in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en



de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.




Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juli 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.021 (de aanslag).

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 436 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.581. De belastingrentebeschikking is verminderd tot € 375. De verzuimboete heeft de inspecteur gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] deelgenomen. Belanghebbende is niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 15 juli 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 25 augustus 2026. De rechtbank heeft op 15 juli 2026 om 12:16 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 15 juli 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.



Feiten

1. Met dagtekening 28 februari 2022 is belanghebbende uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft om uitstel verzocht en dit is verleend tot 1 september 2022.

2. Op 17 augustus 2022 heeft belanghebbende nogmaals verzocht om uitstel voor het doen van aangifte en heeft hij tevens verzocht om een papieren aangifteformulier. De inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 januari 2023. De inspecteur heeft niet meer kunnen achterhalen of er ook een papieren aangifteformulier aan belanghebbende is gestuurd.

3. Op 2 februari 2023 heeft de inspecteur een herinnering verzonden voor het doen van aangifte IB/PVV 2021. Op 24 maart 2023 heeft de inspecteur een aanmaning verzonden voor het doen van aangifte IB/PVV 2021. De in de aanmaning vermelde uiterste datum waarvóór de aangifte binnen moet zijn is 18 april 2023.

4. Met dagtekening 1 mei 2024 heeft de inspecteur een ambtshalve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 51.021. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.

5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

6. De inspecteur heeft op 9 juli 2024 alsnog een papieren aangifteformulier aan belanghebbende verstuurd. Belanghebbende heeft op 27 augustus 2024 een digitale aangifte ingediend. Op 2 september 2024 heeft de inspecteur de papieren aangifte van belanghebbende ontvangen.

7. In de papieren aangifte is het volgende aangegeven:








Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking


€ 8.553







Loon uit vroegere dienstbetrekking


€ 33.915







Inkomen voor persoonsgebonden aftrek


€ 42.468







Aftrek partneralimentatie


€ 1.440


-/-




Aftrek specifieke zorgkosten


€ 1.100


-/-




Belastbaar inkomen uit werk en woning


€ 39.928









8. Op 1 oktober 2024 heeft de inspecteur een verzoek om informatie gedaan met betrekking tot de door belanghebbende opgevoerde aftrek specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft meermaals om uitstel gevraagd en dit is ook verleend. Bij e-mail van 21 januari 2025 heeft de inspecteur voor de laatste keer uitstel verleend tot 1 maart 2025. Belanghebbende heeft daarop geen stukken overgelegd.

9. Met dagtekening 25 juli 2025 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning daarbij vastgesteld op € 49.581, bestaande uit:








Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking


€ 17.106







Loon uit vroegere dienstbetrekking


€ 33.915







Inkomen voor persoonsgebonden aftrek


€ 51.021







Aftrek partneralimentatie


€ 1.440


-/-




Belastbaar inkomen werk en woning


€ 49.581











Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking niet te hoog zijn vastgesteld en of de verzuimboete terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

11. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking niet te hoog zijn vastgesteld en dat de verzuimboete wel te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Is de aanslag niet te hoog vastgesteld?

12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit werk en woning € 39.928 bedraagt. Hij schrijft dat zijn bezwaar is dat men een opting-out regel hanteert die is vervallen door een besluit van de gemeente over de onkostenregeling. Volgens belanghebbende heeft hij naast het recht op een aftrek van € 1.440 aan partneralimentatie ook recht op een aftrek van € 1.100 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten.

13. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het verzamelinkomen € 49.851 bedraagt. De inspecteur is van mening dat belanghebbende de uitgaven voor specifieke zorgkosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft belanghebbende in zijn aangifte een lager inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven dan door het UWV is gerenseigneerd.

14. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met de overgelegde renseignementen van het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2021 een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten van € 17.106. Wat belanghebbende hier tegenover heeft gesteld is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

15. Ten aanzien van de door belanghebbende voorgestane aftrek aan uitgaven voor specifieke zorgkosten overweegt de rechtbank als volgt. Uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen als aftrek in aanmerking genomen worden als die zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat hij die uitgaven heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. Belanghebbende stelt dat hij zorgkosten heeft gemaakt omdat hij diabeet is en in Polen in het ziekenhuis ligt, maar heeft deze stellingen niet onderbouwd met bewijsstukken.

16. De conclusie is dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.



Is de belastingrentebeschikking niet te hoog vastgesteld?

17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.


Is de verzuimboete terecht en niet te hoog vastgesteld?

18. Belanghebbende voert aan dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd, omdat hij meermaals heeft verzocht om een papieren aangifte en deze niet heeft ontvangen. Belanghebbende verzoekt de verzuimboete te vernietigen.

19. De inspecteur is van mening dat het opleggen van de verzuimboete terecht is, omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan. Hij ziet wel aanleiding om de boete te halveren naar € 192, omdat verzocht is om een papieren aangifte en deze mogelijk niet voor de in de aanmaning vermelde uiterste datum is verstuurd.

20. De rechtbank overweegt als volgt. Als een belastingplichtige de aangifte voor de inkomstenbelasting niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een verzuimboete van maximaal € 5.514 kan opleggen. Hierbij geldt dat voor een verzuimboete geen plaats is als de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt, tenzij dit te wijten is aan omstandigheden die aan de belastingplichtige kunnen worden toegerekend.

21. De verzending van de aanmaning naar het juiste adres rechtvaardigt het vermoeden dat zij op dat adres is ontvangen. Tenzij op grond van feiten en omstandigheden die belanghebbende aanvoert aan de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs kan worden getwijfeld. Dan is het aan de inspecteur om nader bewijs te leveren. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld of stukken overgelegd waardoor redelijkerwijs aan de ontvangst kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft wel geconstateerd dat de herinnering en aanmaning naar een adres in Polen zijn verzonden, terwijl de uitnodiging tot het doen van aangifte en de aanslag zijn verzonden naar een adres in Doetinchem. De inspecteur heeft op de zitting toegelicht dat belanghebbende tot 15 september 2022 in Doetinchem ingeschreven stond, vanaf 15 september 2022 tot 7 april 2023 in Polen en daarna weer in Doetinchem. De herinnering en aanmaning zijn verstuurd in de periode dat belanghebbende in Polen ingeschreven stond. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat de aanmaning is ontvangen.

22. Omdat belanghebbende niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan, is er sprake van een verzuim en heeft de inspecteur in beginsel terecht een verzuimboete opgelegd. Een boete blijft echter achterwege bij afwezigheid van alle schuld (avas). Hiervan is sprake indien belanghebbende alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat het verzuim zou worden begaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Belanghebbende heeft mogelijk niet direct een papieren aangifteformulier ontvangen, maar hij heeft ook na ontvangst van de herinnering en aanmaning geen actie ondernomen. Dat had wel op zijn weg gelegen.

23. De rechtbank moet nog wel beoordelen of de verzuimboete ook passend en geboden is. Omdat niet vaststaat of belanghebbende voor de in de aanmaning vermelde uiterste datum een papieren aangifte heeft ontvangen, ziet de rechtbank wel aanleiding om de boete te verminderen naar € 100.




Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is alleen gegrond voor zover het beroep ziet op de verzuimboete. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. De verzuimboete wordt verminderd tot € 100. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat niet van proceskosten is gebleken.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;


wijzigt de boetebeschikking waarbij de boete wordt verminderd tot € 100;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.


Artikel 67a, eerste lid, van de AWR (tekst 2021).


Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416.


Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102; Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705.
Link naar deze uitspraak