Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:1274 
 
Datum uitspraak:01-10-2026
Datum gepubliceerd:20-10-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/954 AOW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:De Raad verklaart zicht onbevoegd. Tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, Awb kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Trefwoorden:aow
partnertoeslag
 
Uitspraak
25/954 AOW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2025, 23/2769 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)






Datum uitspraak: 1 oktober 2026

SAMENVATTING

De Raad is onbevoegd om kennis te nemen van het door appellant ingestelde hoger beroep.




PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde [gemachtigde]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Met een besluit van 11 september 2020 is aan appellant met ingang van 1 februari 2020 een AOW-pensioen toegekend. Daarbij is het verzoek van appellant om toekenning van een partnertoeslag afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 9 juni 2021 ongegrond verklaard. De Svb heeft overwogen dat de partnertoeslag is komen te vervallen per 15 januari 2015. Appellant is op [datum] 2020 getrouwd en heeft om die reden geen recht op partnertoeslag.



1.2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juni 2021. Met een uitspraak van 7 april 2022 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde verzet is door de rechtbank onder toepassing van artikel 8:55, zevende lid, van de Awb met een uitspraak van 12 oktober 2022 ongegrond verklaard.



1.3.
Appellant heeft vervolgens bij de rechtbank een verzoek ingediend om de uitspraak van 12 oktober 2022 te herzien.



Uitspraak van de rechtbank


2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellant afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb die betrekking hebben op de ongegrondverklaring van het verzet. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat wat appellant heeft aangevoerd er niet toe kan leiden dat de rechtbank anders zou hebben geoordeeld. De uitspraak van 12 oktober 2022 wordt dan ook niet herzien.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat zijn huidige pensioen ontoereikend is en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij vraagt om alsnog een toeslag voor zijn partner toe te kennen.




Het oordeel van de Raad

4. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en rechtseenheid acht de Raad zich bevoegd kennis te nemen van een tegen een uitspraak van de rechtbank op een herzieningsverzoek ingesteld hoger beroep, ongeacht of de rechtbank inwilligend dan wel afwijzend op het desbetreffende herzieningsverzoek heeft beslist. Dit is anders als het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, tweede en vierde lid, van de Awb. Daartegen kan geen hoger beroep worden ingesteld omdat anders de door de wetgever bepaalde beperking van de hoger beroepsmogelijkheden zou worden doorbroken.


4.1.
Het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist heeft betrekking op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Daartegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Tegen de aangevallen uitspraak kan daarom geen hoger beroep worden ingesteld.





Conclusie en gevolgen


4.2.
Nu hoger beroep niet mogelijk is zal de Raad zich onbevoegd verklaren.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



verklaart zich onbevoegd;


bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 143,- door de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.




Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.





(getekend) L.M. Tobé



(getekend) A.M. van Oorschot




Algemene wet bestuursrecht.


Zie onder meer de uitspraak van de Raad 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:469.
Link naar deze uitspraak