|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:14350 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 25/1656 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van de moeder tot geslachtsnaamswijziging van haar twee minderjarige dochters. De rechtbank komt tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen heeft mogen toewijzen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1656
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Enkhuizen, eiser
(gemachtigde: mr. A. Azauiyat),
en
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam moeder] uit Bovenkarspel (de moeder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van de moeder tot geslachtsnaamswijziging van haar twee minderjarige dochters, [naam dochter 1] (dochter 1) en [naam dochter 2] (dochter 2) (hierna gezamenlijk: de kinderen). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor het wijzigen van de geslachtsnaam. Verder stelt eiser dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom een geslachtsnaamswijziging in het belang van de kinderen is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van de aanvraag tot geslachtsnaamswijziging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen heeft mogen toewijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de (voormalige) staatssecretaris bij de toewijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De moeder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris hebben digitaal deelgenomen aan de zitting. De moeder was op de zitting aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
3. Eiser en de moeder hebben samen twee kinderen. Dochter 1 is geboren op [datum 1] 2011 en dochter 2 is geboren op [datum 2] 2016. De moeder heeft het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.1.
Op 18 september 2024 heeft de moeder een aanvraag gedaan voor het wijzigen van de geslachtsnaam van de kinderen in haar geslachtsnaam ( [naam 1] ).
3.2.
Bij besluit van 21 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag voor het wijzigen van de geslachtsnaam van de kinderen goedgekeurd. Volgens de staatssecretaris is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6 van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit). De kinderen hebben namelijk een schadevergoeding gekregen voor een misdrijf begaan door eiser. Dit blijkt uit het overgelegde besluit van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het gaat daarnaast om een misdrijf zoals staat beschreven in artikel 6, onder a, van het Besluit. Dit blijkt uit de overgelegde verklaring van het Schadefonds geweldsmisdrijven. De kinderen ervaren veel hinder van de huidige geslachtsnaam. Dit blijkt uit de overgelegde verklaring van een behandelaar.
3.3.
Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 heeft de staatssecretaris het besluit van 21 oktober 2024 gehandhaafd. De staatssecretaris merkt op dat problemen als ruzie, geen of slechte communicatie en of verstandhouding, of een niet goed functionerende omgangsregeling geen rol spelen. Deze elementen vloeien voort uit de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Ten eerste moet voldaan zijn aan de voorwaarden van het Besluit en ten tweede moet een belangenafweging plaatsvinden, waarbij wordt gekeken of de geslachtsnaamswijziging in het belang van de kinderen is. Hierbij heeft de staatssecretaris een discretionaire ruimte, zoals volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Nota van Toelichting (hierna: de NvT) bij het Besluit. Het besluit van 21 oktober 2024 is gebaseerd op artikel 6, onder b, van het Besluit. Daarbij dient artikel 3 van het Besluit volledig buiten beschouwing gelaten te worden. In het kader van de aanvraag kan onder verzoeker bij artikel 6 van het Besluit ook een minderjarig kind worden gelezen. De geslachtsnaamswijziging zorgt niet voor een wijziging van de familierechtelijke betrekkingen die eiser met de kinderen heeft. Het heeft ook geen gevolgen voor de afstammingsbanden van de kinderen. Het is in dit geval evenredig om de geslachtsnaamswijziging voor de kinderen toe te staan. Het is daarom ook in het belang van de kinderen dat de geslachtsnaam wordt gewijzigd op grond van artikel 6, onder b, van het Besluit. In de NvT bij het Besluit zijn een aantal punten (5) vermeld die bij de belangenafweging betrokken moeten worden. Deze zijn tijdens de hoorzitting besproken. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. De kinderen weten wie hun vader is. Een geslachtsnaamswijziging zal er dan ook niet toe leiden dat zij dat vergeten. Het is niet bekend hoe dochter 2 zelf tegenover de geslachtsnaamswijziging staat. Minderjarigen worden pas gehoord als zij de leeftijd van 12 hebben bereikt. Dit is bij dochter 2 nog niet het geval. De staatssecretaris kan daarom niet beoordelen of dochter 2 moeite heeft met de verzochte geslachtsnaamswijziging. Dochter 1 heeft ingestemd met de geslachtsnaamswijziging. Dit heeft zij op de hoorzitting bevestigd. Gelet op de huidige gezinssituatie kan de geslachtsnaamswijziging de bestendigheid daarvan ten goede komen. De kinderen kunnen zich beter identificeren met de ouder bij wie zij daadwerkelijk verblijven. Ook meent de staatssecretaris dat met een geslachtsnaamswijziging de kinderen het verleden en de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld, een plek kunnen geven. De staatssecretaris acht het daarom verantwoord om het familie- en gezinsleven van de moeder en de kinderen zwaarder te laten wegen dan de bezwaren die eiser heeft tegen de geslachtsnaamswijziging. Daarbij neemt de staatssecretaris in aanmerking dat de moeder en kinderen al jaren een gezin vormen. Tot slot, stelt de staatssecretaris dat hij geen aanwijzingen heeft om te veronderstellen dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van de kinderen kan worden geacht.
Aan de hand van welke regels en vaste rechtspraak gaat de rechtbank deze zaak beoordelen?
4. Uit artikel 6, aanhef en onder b van het Besluit volgt dat een verzoek tot geslachtsnaamswijziging wordt ingewilligd indien de verzoeker, bij gebreke van een dergelijke onherroepelijke veroordeling, verklaart slachtoffer te zijn van een in het vorige lid bedoeld misdrijf gepleegd door de ouder, aan wie verzoeker zijn geslachtsnaam ontleent, en door overlegging van een verklaring van een deskundige aannemelijk maakt dat het achterwege blijven van een geslachtsnaamswijziging zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid in ernstige mate zou schaden.
4.1.
Deze, en overige wet- en regelgeving die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de staatssecretaris het verzoek om geslachtsnaamswijziging dient te beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en dat hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen moet betrekken.
Heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de criteria is voldaan?
5. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor het wijzigen van de geslachtsnaam. De door de moeder overgelegde documenten geven onvoldoende aanleiding om tot een geslachtsnaamswijziging over te gaan. Uit de bijlage behorende bij de ‘bijsluiter psychische hinder Besluit geslachtsnaamswijziging’ volgt dat het aantonen van psychische hinder bij (zeer) jonge kinderen vrijwel onmogelijk is. Het overleggen van een algemeen geformuleerde verklaring is onvoldoende om te stellen dat sprake is van psychisch lijden bij de kinderen. De verklaring is namelijk enorm mager en het causaal verband tussen het dragen van de geslachtsnaam en het psychisch lijden van de kinderen is niet of onvoldoende onderbouwd. Het is niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd. Ook is het opvallend dat de verklaring van de arts ten aanzien van beide kinderen vrijwel identiek is. Dit zou kunnen betekenen dat de verklaring of diagnose ondeugdelijk is. Het is haast onmogelijk dat kinderen met een leeftijdsverschil van vijf jaar exact dezelfde klachten ervaren. Het had op de weg van Justis (de rechtbank leest: de staatssecretaris) gelegen om aan de moeder en/of de arts nadere informatie te verzoeken. Daarnaast is dochter 2 negen jaar oud. Ten tijde van de diagnose acht jaar oud. Het is daarom enorm opvallend dat de arts een diagnose heeft kunnen vaststellen. De staatssecretaris geeft in het bestreden besluit zelf aan dat dochter 2 zich moeilijk kan uiten omtrent de geslachtsnaamswijziging en de invloed die een achternaam op haar mentale toestand heeft. Eiser betwist om die reden het waarheidsgehalte van de verklaring van de arts.
5.1.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser geen argumenten heeft aangevoerd tegen het bewijs van toekenning van een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven dat de moeder heeft overgelegd. De rechtbank gaat hier daarom niet verder op in.
5.3.
Volgens artikel 6 van het Besluit is een verklaring van een deskundige vereist die voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden. De rechtbank overweegt in dat kader dat een verzoeker kan volstaan met de overlegging van een verklaring van een BIG-geregistreerde behandelaar met een registratie die ziet op de bevoegdheid om een diagnose te stellen inzake psychische stoornissen. Dat kan ook een verklaring zijn van de eigen behandelaar. Dit volgt uit de NvT. De stelling van eiser op zitting dat een verklaring van de eigen behandelaar van de kinderen niet is toegestaan is dus onjuist. De moeder heeft twee verklaringen overgelegd van BIG-geregistreerde gezondheidszorgpsycholoog [naam 2] , waarin zij – samengevat – verklaart dat zaken die de kinderen doen herinneren aan eiser, zoals het roepen van hun achternaam, hun psychisch lijden verergert. Om het psychisch welzijn te verbeteren is van belang dat er zo min mogelijk van deze triggers aanwezig zijn. Vanuit de praktijk van de gezondheidszorgpsycholoog wordt een verband gezien tussen het dragen van de achternaam van eiser en het psychisch lijden. De rechtbank vindt dat het feit dat deze verklaringen beknopt zijn, niet betekent dat deze ondeugdelijk zijn. Het is niet vereist om naast deze verklaringen nog aanvullende objectieve bewijsstukken te overleggen. De rechtbank ziet daarnaast niet in waarom het onmogelijk is dat de kinderen met dezelfde problemen kampen. Zij hebben namelijk in dezelfde huissituatie geleefd. Ook is het niet kunnen horen van dochter 2 op de hoorzitting, omdat zij jonger is dan 12 een andere kwestie dan het diagnosticeren van of verklaren over een kind dat jonger is dan 12 jaar door een deskundige. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris niet heeft kunnen en mogen afgaan op de verklaringen van de behandelaar.
5.4.
Gelet op dat wat de rechtbank onder 5.3 heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voldaan is aan de criteria voor geslachtsnaamswijziging. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiser niet slaagt.
Heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de geslachtsnaamswijziging in het belang van de kinderen is?
6. Eiser betoogt dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van de kinderen is. Daartoe heeft hij – kort en zakelijk samengevat – aangevoerd dat de staatssecretaris in zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Eiser wil de familierechtelijke band tussen hem en de kinderen graag behouden. Dit wordt versterkt door het dragen van dezelfde geslachtsnaam. Gelet op het feit dat eiser en de kinderen een zeer nauwe en persoonlijke band met elkaar hebben verzet eiser zich tegen de geslachtsnaamswijziging. Hij wil graag een betrokken vader voor de kinderen zijn en blijven. De moeder wil hem echter uit het leven van de kinderen weren. Haar handelingen zorgen voor ouderverstoting.
6.1.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.2.
Zoals de rechtbank onder 4.2 heeft weergegeven moet de staatssecretaris alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken. Bij de belangenafweging, gelet op de aard en de beoordeling van een aanvraag om geslachtsnaamswijziging, vindt geen beoordeling plaats van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de kinderen bij de moeder wonen en niet of nauwelijks contact hebben met eiser.
6.3.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang is van de kinderen. De staatssecretaris heeft daarbij terecht betrokken dat gelet op de huidige gezinssituatie de geslachtsnaamswijziging de bestendigheid daarvan ten goede kan komen. De rechtbank kan daarnaast het argument van de staatssecretaris volgen dat de kinderen zich beter kunnen identificeren met de ouder bij wie zij daadwerkelijk verblijven. De kinderen vormen namelijk al jaren een gezin met de moeder. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat de geslachtsnaamswijziging niet leidt tot wijziging van de familierechtelijke betrekkingen en afstammingsbanden. Dat na de geslachtsnaamswijziging geen enkele binding meer bestaat tussen eiser en de kinderen kan de rechtbank daarom niet volgen. De vraag of sprake is van ouderverstoting kan in deze procedure over geslachtsnaamswijziging niet aan de orde komen. Ook andere problemen tussen de ouders spelen in deze procedure geen rol. De rechtbank laat deze twee aspecten daarom buiten beschouwing.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de geslachtsnaamswijziging in het belang van de kinderen is. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiser niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag tot wijziging van de geslachtsnaam van de kinderen heeft mogen toewijzen. Eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
(…)
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
Besluit geslachtsnaamswijziging
Artikel 6
Een verzoek tot geslachtsnaamswijziging wordt ingewilligd, indien:
a. de ouder, aan wie de verzoeker zijn geslachtsnaam ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als bedoeld in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht dan wel de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht BES tegen de verzoeker, een familielid in de eerste of tweede graad of een levensgezel van hen, waarbij onder misdrijf mede wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf;
b. de verzoeker, bij gebreke van een dergelijke onherroepelijke veroordeling, verklaart slachtoffer te zijn van een in het vorige lid bedoeld misdrijf gepleegd door de ouder, aan wie verzoeker zijn geslachtsnaam ontleent, en door overlegging van een verklaring van een deskundige aannemelijk maakt dat het achterwege blijven van een geslachtsnaamswijziging zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid in ernstige mate zou schaden.
Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling
Artikel 4
(…)
2. Wijziging van de geslachtsnaam op grond van artikel 6 van het Besluit geslachtsnaamswijziging is kosteloos, met dien verstande dat daartoe in geval van een verzoek op grond van artikel 6, onderdeel b, van dat besluit overlegging van een bewijs van toekenning van een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is vereist.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7420, 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1999 en 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2722.
Zie Staatsblad 2020, 110.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:638.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8817. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|