Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29692 
 
Datum uitspraak:09-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/6844
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:ZW, Wazo en weer ZW; ononderbroken keten; gestelde andere medische oorzaak bij tweede ziekmelding is niet relevant voor de vaststelling van het dagloon; eerste ziekmelding bepalend op grond van artikel 12d Dagloonbesluit; geen aanleiding om van de dwingendrechtelijke systematiek daarvan af te wijken; falend beroep op artikel 15 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (BDR) dat immers geen geldend recht is; ontvangstbevestiging ziekmelding is geen besluit; het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:dagloon
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/6844

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en


de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.S de Vreeze).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het Uwv het dagloon per 5 maart 2025 terecht heeft gebaseerd op het geïndexeerde dagloon van de eerdere ZW-periode uit mei 2024 of dat de gewijzigde medische oorzaak en de loonsverhoging in 2024 hadden moeten leiden tot een nieuwe referteperiode en dagloonberekening.


1.1.
Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv het bezwaar van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.




Procesverloop

2. Met het besluit van 4 maart 2025 heeft het Uwv eiseres per 5 maart 2025 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).


2.1.
Eiseres heeft op 15 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen een ontvangstbevestiging ziekmelding van 2 juni 2025.



2.2.
Met het besluit op bezwaar van 23 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft op 1 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de gronden daarvan op 8 oktober 2025 aangevuld.



2.4.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 1 juli 2026.



2.5.
Eiseres heeft per e-mail van 16 augustus 2026 op het verweerschrift gereageerd. Op 9 september 2026 heeft zij haar reactie op het verweerschrift nogmaals ingediend.



2.6.
Eiseres heeft de rechtbank op 23 september 2026 bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. Zij heeft daarbij verzocht de zaak buiten haar aanwezigheid te behandelen.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Uwv.




Beoordeling door de rechtbank


Inleiding

3. Eiseres heeft zich op 8 mei 2024 wegens zwangerschap ziekgemeld, waarna haar bij het vaststellingsbesluit van 16 mei 2024 met ingang van haar eerste ziektedag een ZW-uitkering is toegekend. Deze uitkering is vervolgens bij besluit van 26 november 2024 beëindigd per 12 november 2024, vanwege de toekenning van een WAZO-uitkering voor de duur van zestien weken vanaf diezelfde datum. Nadat de duur van deze WAZO-uitkering bij besluit van 22 januari 2025 was verlengd tot 5 maart 2025, is aan eiseres bij besluit van 4 maart 2025 met ingang van 5 maart 2025 opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Per 1 juni 2025 is eiseres ziek uit dienst gegaan. Bij brief van 2 juni 2025 heeft het Uwv de ontvangst bevestigd van een ziekmelding van 27 mei 2025, die inhoudt dat eiseres vanaf 25 februari 2025 ziek is.


Omvang van het geding

4. Eiseres heeft op 15 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de brief van het Uwv van 2 juni 2025. Deze brief is een ontvangstbevestiging van de ziekmelding, maar is niet gericht op rechtsgevolg. De ontvangstbevestiging van de ziekmelding is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zodat daartegen geen bezwaar open stond. Het Uwv heeft dit bezwaar evenwel opgevat als gericht tegen het besluit van 4 maart 2025, waarbij de ZW-uitkering per 5 maart 2025 is toegekend en het dagloon is vastgesteld op € 87,30. Voor zover het Uwv in het verweerschrift verwijst naar een bezwaarschrift van 15 juni 2026, overweegt de rechtbank met eiseres dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat wordt gedoeld op het bezwaarschrift van 15 juni 2025. Nu het Uwv het bezwaar in het bestreden besluit inhoudelijk heeft behandeld en het dagloon heeft beoordeeld, ligt in beroep ter beoordeling voor of het Uwv het dagloon terecht op dat bedrag heeft vastgesteld.


Referteperiode

5. Eiseres voert aan dat haar ziekmelding van 5 maart 2025 (postpartum psychische klachten) een andere medische oorzaak heeft dan de ziekmelding van mei 2024 (lichamelijke zwangerschapsklachten). Zij stelt dat daarom sprake is van een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag, waardoor het Uwv een nieuwe referteperiode (maart 2024 – februari 2025) had moeten hanteren. Zij stelt dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar ziekmelding na afloop van de WAZO-periode niet als een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden aangemerkt.


5.1.
Op grond van artikel 12d van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) geldt dat, indien een verzekerde direct voorafgaand aan de ZW-uitkering recht had op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO), en aan die WAZO-uitkering direct voorafgaand recht bestond op een ZW-uitkering, het dagloon gelijk is aan het dagloon van die eerdere ZW-uitkering. Deze bepaling is van dwingend recht.



5.2.
Vast staat dat eiseres van 8 mei 2024 tot 11 november 2024 een ZW-uitkering ontving, aansluitend tot 5 maart 2025 een WAZO-uitkering en aansluitend per 5 maart 2025 opnieuw een ZW-uitkering. Er is dus sprake van een ononderbroken keten van uitkeringen. Op grond van de dwingendrechtelijke systematiek van artikel 12d Dagloonbesluit diende het Uwv daarom het dagloon van de eerste ZW-uitkering (mei 2024) te hanteren voor de ZW-uitkering per 5 maart 2025. Het Dagloonbesluit biedt geen ruimte om in deze situatie af te wijken vanwege een gewijzigde medische oorzaak of het feit dat er een nieuwe ziekmelding is gedaan. De door eiseres gestelde omstandigheid dat sprake is van een andere medische oorzaak (postpartum psychische klachten) is gelet op de tekst van artikel 12d van het Dagloonbesluit dan ook niet relevant voor de vaststelling van het dagloon. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep biedt het Dagloonbesluit immers geen ruimte om wegens een ongunstige uitwerking af te wijken van deze strikte systematiek; het kent geen hardheidsclausule of uitzonderingsbepaling voor dit soort situaties.



5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Beroep op artikel 15 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (BDR)

6. Eiseres stelt dat het huidige dagloon haar feitelijke inkomenssituatie niet weerspiegelt. Onder verwijzing naar artikel 15 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (BDR) en rechtspraak van de CRvB voert zij aan dat een werkneemster niet in haar dagloon mag worden benadeeld als gevolg van zwangerschap of bevalling. Zij wijst er daarbij op dat zij destijds niet eerder tegen de hoogte van het dagloon is opgekomen omdat haar werkgever de uitkering destijds aanvulde tot haar gebruikelijke inkomen, waardoor de financiële gevolgen van de dagloonberekening voor haar niet kenbaar waren.



6.1.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 15 van het BDR geen geldend recht is. Het BDR werd op 1 juni 2013 buiten werking gesteld en gelijktijdig opgevolgd door het Dagloonbesluit. Eiseres kan zich daar dus niet met vrucht op beroepen.



6.2.
Over de strekking van het betoog van eiseres, namelijk dat zij niet mag worden benadeeld als gevolg van zwangerschap of bevalling, overweegt de rechtbank dat deze beschermingsgedachte – thans opgenomen in artikel 12h van het Dagloonbesluit – ziet op de situatie waarin het loon in de referteperiode lager is uitgevallen als gevolg van ziekte of verlof. In het geval van eiseres is echter geen sprake van een lager loon als gevolg van zwangerschap, maar van een loonstijging ná aanvang van de eerste ziektedag. Dat deze loonstijging door de werking van artikel 12d van het Dagloonbesluit niet tot uitdrukking komt in de nieuwe ZW-uitkering, maakt de besluitvorming niet onjuist. Het corrigeren van dergelijke effecten is exclusief voorbehouden aan de besluitgever. Voor het oordeel dat het dagloon onjuist is vastgesteld bestaat geen grond.



6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Geen bezwaar tegen het vaststellingsbesluit

7. Eiseres voert tot slot aan dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 mei 2024, omdat haar werkgever haar inkomen destijds aanvulde tot haar volledige salaris. Zij ondervond toen geen financieel nadeel en wist niet dat het dagloon lager was vastgesteld. Zij stelt dat het Uwv haar verwijt dat zij eerder bezwaar had moeten maken, wat volgens haar onterecht is, omdat het probleem pas in maart 2025 zichtbaar werd.



7.1.
De rechtbank overweegt dat de opmerking van het Uwv in het bestreden besluit, namelijk dat tegen het toekenningsbesluit van 16 mei 2024 geen bezwaar is gemaakt, een constatering is waaruit volgt dat de eerdere dagloonvaststelling in rechte onaantastbaar is geworden. In die constatering ligt geen verwijt aan eiseres besloten.



7.2.
De omstandigheid dat eiseres vanwege de loonaanvulling door haar werkgever niet is opgekomen tegen het toekenningsbesluit, leidt er niet toe dat van de dwingendrechtelijke systematiek van artikel 12d van het Dagloonbesluit kan worden afgeweken. Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, biedt dit artikel geen ruimte voor een individuele belangenafweging of afwijking op grond van omstandigheden als door eiseres aangevoerd.



7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6091.


Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2091, herhaald in de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:690.


Uitspraak van de CRvB van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2096 en de uitspraak van de CRvB van 5 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1750.


Stb. 2013, 185 , artikel 26.


Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2091, herhaald in de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:690.
Link naar deze uitspraak