|
|
|
| ECLI:NL:OGEABES:2026:258 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-10-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | BON202600378 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek bijdrage kosten verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) toegewezen. Ook verzoek van Voogdijraad ten behoeve van inmiddels meerderjarig kind ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600378
datum beslissing: 14 oktober 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarigen:
[de minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],
hierna: [de minderjarige 1]
en
[de minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats],
hierna: [de minderjarige 2].
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de oma],
wonende te Bonaire,
hierna: de oma (moederszijde),
en
[de vader],
wonende te Bonaire,
hierna: de vader.
1Het procesverloop
1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen van de Voogdijraad is op 9 juli 2026 ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2026. De oma is verschenen, samen met twee medewerksters van Akseso. Ook twee medewerkers van de Voogdijraad zijn verschenen. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2De feiten
2.1.
Uit de relatie tussen [de moeder], de moeder, en de vader zijn geboren:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats];
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], hierna: [de minderjarige 3];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
De kinderen zijn door de vader erkend.
2.2.
De moeder is op [overlijdensdatum] 2024 te [plaats] overleden. Zij was tot haar overlijden van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
2.3.
Op verzoek van de Voogdijraad heeft het Gerecht, bij beschikking van 5 maart 2025, bepaald dat de vader met het ouderlijk gezag over de minderjarigen zal worden belast.
2.4. [
de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de oma moederszijde. [de minderjarige 3] woont met zijn vader bij oma vaderszijde. Er is geen omgangsregeling vastgelegd.
3Het verzoek en de beoordeling
Het verzoek
3.1.
De Voogdijraad heeft op grond van artikel 1:406 BW BES het Gerecht verzocht een bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te bepalen (kinderalimentatie).
De beoordeling
3.2.
Ouders zijn verplicht om naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen. Na het verkrijgen van het ouderlijk gezag door de vader zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], met instemming van de vader, bij oma moederszijde gaan wonen. Het verzoek tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is ten behoeve van de kinderen die bij oma moederszijde wonen. Om de draagkracht van de oma en de vader en de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te kunnen berekenen, heeft de oma haar inkomensgegevens aan de Voogdijraad overgelegd. De man heeft geen vast inkomen en heeft ook geen inkomensgegevens overgelegd. Daarom is de Voogdijraad bij de berekening uitgegaan van een minimum inkomen van USD 1.853,00 per maand. Volgens deze berekening moet de man een bedrag van USD 190,00 per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bijdragen.
De Voogdijraad is ontvankelijk
3.3. [
de minderjarige 1] is op [geboortedatum] 2026 meerderjarig geworden. De Voogdijraad kan worden ontvangen in het verzoek ten aanzien van [de minderjarige 1] nu zij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift nog minderjarig was. Het Gerecht begrijpt dat voor wat betreft het verzoek voor [de minderjarige 1] de grondslag voor het verzoek is gebaseerd op artikel 1:395a BW BES.
Het Gerecht volgt de berekening van de Voogdijraad
3.4.
Naar het oordeel van de rechter moet een bedrag van USD 190,00 per maand in overeenstemming worden geacht met de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de vader en de oma. Weliswaar heeft de vader geen inkomensgegevens overgelegd, maar op grond van wat ter zitting van de Voogdijraad en de oma is vernomen lijkt het gerechtvaardigd van het minimuminkomen uit te gaan; in ieder geval zijn er geen aanknopingspunten om van een ander inkomen uit te gaan. De kinderalimentatie zal dan ook op het door de Voogdijraad berekende bedrag worden vastgesteld. Deze betalingsverplichting gaat in op de eerste dag van de maand na deze beschikking, dus op 1 november 2026.
3.5.
De man moet de kinderalimentatie steeds vooraf, vóór de eerste dag van de maand, betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand worden gemaakt en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald. De kinderalimentatie moet worden betaald aan de Voogdijraad. De inning en uitbetaling is opgedragen aan de Belastingdienst Caribisch Nederland. Daarom wordt hierna bepaald dat aan de Belastingdienst moet worden betaald.
Het wezenpensioen van de kinderen
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vader ook wezenpensioen ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontvangt en dit niet afdraagt aan de oma of de kinderen. Het Gerecht zal deze uitkeringen niet meenemen in de berekening van de kinderalimentatie. Omdat het geen inkomsten zijn van de vader, kunnen ze niet van invloed zijn op zijn draagkracht. Ook kunnen deze uitkeringen niet van invloed zijn op de behoefte van de kinderen, omdat zij (of oma) er op dit moment niet over kunnen beschikken. Het Gerecht stelt wel vast dat de wezenpensioenen ten goede zullen moeten komen aan de kinderen en gebruikt moeten worden voor hun verzorging, opvoeding en/of studie. De inmiddels meerderjarige [de minderjarige 1] kan mogelijk zelfstandig recht doen gelden op uitbetaling van dit wezenpensioen aan haar; voor zover nodig zal haar vader daaraan moeten meewerken.
Een onderzoek door de Voogdijraad is nodig
3.7.
Het Gerecht stelt verder vast dat de minderjarige [de minderjarige 2] al meer dan een jaar verblijft bij oma moederszijde en door haar wordt verzorgd en opgevoed. De verwachting is kennelijk dat dit blijvend is. Dat roept de vraag op of de huidige gezagssituatie (waarbij de vader eenhoofdig gezag heeft over [de minderjarige 2]) nog in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat de huidige gezagssituatie mogelijk niet in het belang is van [de minderjarige 2]. Het is daarom nodig dat de Voogdijraad onderzoek doet naar de gezagssituatie, met het oog op een mogelijk in te dienen verzoek op grond van artikel 1:266 BW BES. De Voogdijraad heeft ook voorgesteld een dergelijk onderzoek te doen.
4De beslissing
Het Gerecht:
4.1.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], en in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], met ingang van 1 november 2026 op (in totaal) USD 190,00 per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de Belastingdienst Caribisch Nederland;
4.2.
verzoekt de Voogdijraad onderzoek te doen naar de gezagssituatie ten aanzien van [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] en het Gerecht daarover te informeren op de rolzitting van 27 januari 2027, 09.30 uur.
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|