|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:2739 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 25/1109 en 25/1110 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Belanghebbende is het niet eens met de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2021 en 2022. De inspecteur is volgens hem ten onrechte afgeweken van de aangiften. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de inspecteur terecht is afgeweken van de aangiften, omdat belanghebbende voor beide jaren een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing had aangegeven.
Het hof is verder van oordeel dat belanghebbende terecht door de rechtbank is veroordeeld in de proceskosten van de inspecteur wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, aangezien doorprocederen in dit geval geen enkel redelijk doel diende, gelet op de procedures over voorgaande jaren.
Het hof wijst het verzoek van de inspecteur om belanghebbende in hoger beroep ook te veroordelen in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht echter af. Het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitspraak waarin geoordeeld is dat men kennelijk onredelijk gebruikmaakt van procesrecht, is in beginsel namelijk niet kennelijk onredelijk. Bij gelijkblijvende omstandigheden kan het hof een volgende keer mogelijk anders oordelen. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | uitkering | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/1109 en 25/1110
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 mei 2025, nummers BRE 24/6165 en 24/6166 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed.
1.2.
De inspecteur heeft ook de aanslag IB/PVV over het jaar 2022 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen afzonderlijk bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft daarop uitspraken op bezwaar gedaan, die zijn vervat in één geschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft zich met een brief, door het hof ontvangen op 22 mei 2025, afgemeld voor deze zitting. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaak met nummer 25/144 van belanghebbendes echtgenote [echtgenote] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
1.10.
Belanghebbende heeft na de zitting een nader stuk met twee bijlagen ingediend, dat door het hof is ontvangen op 19 augustus 2026.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1943. Hij ontving in de jaren 2021 en 2022 een AOWuitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) en pensioenuitkeringen van Pensioenfonds Zorg en Welzijn (hierna: PFZW)
2.2.
De inspecteur heeft renseignementen van de SVB ontvangen waarin is vermeld dat belanghebbende in 2021 € 11.245 en in 2022 € 11.500 van de SVB heeft ontvangen. De SVB heeft op deze uitkeringen geen loonheffing ingehouden. Wel heeft de SVB een bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden van € 647 in 2021.
2.3.
Verder heeft de inspecteur renseignementen die zien op de pensioenuitkeringen van belanghebbende van PFZW ontvangen. Daarin is vermeld dat belanghebbende in 2021 € 25.008 heeft ontvangen, waarop een bedrag van € 4.793 aan loonheffing in ingehouden. Volgens de renseignementen ontving belanghebbende van PFZW in 2022 een uitkering van € 25.164, waarop € 4.817 loonheffing is ingehouden.
2.4.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor 2021 aan ingehouden loonheffingen € 647 (SVB) en € 6.169 (PFZW) aangegeven. Het bedrag aan loonheffing PFZW bestaat volgens belanghebbende uit € 4.793 en een surplus van € 1.376. In zijn aangifte IB/PVV voor 2022 heeft belanghebbende € 6.193 (PFZW) als ingehouden loonheffing aangegeven waarbij hij eveneens rekening houdt met een surplus van € 1.376.
2.5.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen van de in 2.4 vermelde ingediende aangiften afgeweken. In de aanslag IB/PVV 2021 heeft de inspecteur de door belanghebbende aangegeven ingehouden loonheffing 2021 (PFZW) met een bedrag van € 1.376 gecorrigeerd tot € 4.793. De ingehouden loonheffing (SVB) is met € 647 gecorrigeerd tot nihil. In de aanslag IB/PVV 2022 is de door belanghebbende aangegeven ingehouden loonheffing (PFZW) met een bedrag van € 1.376 gecorrigeerd tot € 4.817.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur ten onrechte is afgeweken van de door belanghebbende gedane aangiften IB/PVV over het jaar 2021 en 2022, en of de rechtbank belanghebbende terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van de inspecteur wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vaststelling van de aanslagen conform de door hem gedane aangiften. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
4Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.0.
Het hof merkt het onder 1.10 vermelde stuk met twee bijlagen aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan, aangezien belanghebbende al in de gelegenheid is gesteld om op 22 mei 2026 een zitting te worden gehoord, en hij schriftelijk heeft laten weten daarbij niet aanwezig te zijn. Verder heeft belanghebbende in het stuk alleen op (recente) publicaties gewezen die niet concreet op de onderhavige zaken betrekking hebben. Het hof rekent de brief van belanghebbende dan ook niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
Ten aanzien van het geschil
Is de inspecteur ten onrechte afgeweken van de door belanghebbende gedane aangiften IB/PVV over het jaar 2021 en 2022?
4.1.
De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:
“4. De rechtbank stelt vast dat de bedragen aan ingehouden loonheffing waar de inspecteur voor de jaren 2021 en 2022 in de aanslagen rekening mee heeft gehouden, aansluiten bij de van de SVB en PFZW ontvangen informatie. Belanghebbende betwist de door SVB en PFZW aan de inspecteur gerenseigneerde bedragen ook niet als zodanig. Hij meent echter dat de door PFZW ingehouden loonheffing tot een te laag bedrag in aanmerking is genomen omdat hij van PFZW een hogere pensioenuitkering had moeten ontvangen. PFZW had daarom ook een hoger bedrag aan loonheffing bij hem moeten inhouden, aldus belanghebbende.
4.1.
De rechtbank constateert dat belanghebbende in de kern dezelfde stelling heeft ingenomen ten aanzien van het hiervoor genoemde surplus aan loonheffing in de gerechtelijke procedures tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010, 2016, 2018 en 2019 waarover diverse instanties, waaronder de Hoge Raad hebben geoordeeld.[1] In geen van deze procedures heeft het betoog van belanghebbende geleid tot enige verlaging van de aanslagen IB/PVV. In de uitspraken in feitelijke aanleg is daarbij uitgebreid aan belanghebbende toegelicht waarom de door hem aangevoerde gronden met betrekking tot zijn PFZW pensioen en hoeveel loonheffing al dan niet ingehouden had moeten worden, geen doel treffen. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de jaren 2021 en 2022 anders te oordelen. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen de ingehouden loonheffing niet tot te lage bedragen in aanmerking heeft genomen. Anders dan belanghebbende meent, is de rechtbank ook niet gebleken dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen onrechtmatig of onzorgvuldig heeft gehandeld of enig andere beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. In de hiervoor genoemde uitspraken over de jaren 2010, 2016, 2018 en 2019 is dit door de rechtbank en het gerechtshof ook al uitgebreid gemotiveerd. De rechtbank concludeert daarom de beroepen van belanghebbende ongegrond zijn.
4.2.
De rechtbank komt ook niet tegemoet aan het verzoek van belanghebbende om de inspecteur op te dragen een onderzoek in te stellen naar het, volgens belanghebbende, onrechtmatig handelen van PFZW omdat deze instantie te weinig loonheffing zou hebben ingehouden en afgedragen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat ook dit verzoek een herhaling is van zetten en dat het oordeel van de rechtbank geheel in lijn is met de in 4.1 genoemde (onherroepelijk vaststaande) oordelen over deze door belanghebbende (wederom) aangevoerde beroepsgrond.
Voetnoot [1]: Voor de aanslag IB/PVV 2010 zie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8783, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1064 en Hoge Raad van 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:99. Voor de aanslag IB/PVV 2016 zie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6632, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3887 en Hoge Raad van 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1273. Voor de aanslagen 2018 en 2019 zie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3082.”
Het hof acht deze overwegingen juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep in zoverre niets nieuws aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. In zijn brief van 27 februari 2026 schrijft belanghebbende dat er in dit geval sprake is van een continue schending van de privacy door de Belastingdienst en dat getracht is door middel van hacken of phishing privégegevens te verzamelen. Met hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft gesteld is onvoldoende duidelijk gemaakt wat in dit geval het fiscale gevolg dient te zijn van deze veronderstelde schendingen. Het hof gaat daarom aan belanghebbendes stelling voorbij. Voor zover belanghebbende hiermee bedoeld heeft dat in onderhavige zaak bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, zodat dat het gebruik daarvan ontoelaatbaar is, concludeert het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding?
4.2.
Het hof wijst het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding af. Voor geschillen over de IB/PVV geldt namelijk dat de belastingrechter alleen een schadevergoeding kan toekennen bij een gegrond (hoger) beroep. In dit geval is zowel het beroep als het hoger beroep ongegrond. Dat betekent dat ook de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.
Is er sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in beroep en in hoger beroep?
4.3.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank belanghebbende terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van de inspecteur van € 43,20 wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Belanghebbende was er eerder al op gewezen dat van hem wordt verwacht dat hij deugdelijk onderbouwt waarom anders moet worden geoordeeld dan in de eerdere procedure(s) is gedaan, dat hij zijn (overige) stellingen concretiseert en dat hij daar waar nodig bewijs van die stellingen aanlevert, en dat anders geoordeeld kan worden dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Desondanks heeft belanghebbende dat niet gedaan, en heeft hij in onderhavige procedures, die over de jaren 2021 en 2022 gaan, dezelfde stellingen als in de procedures over de jaren 2010, 2016, 2018 en 2019 ingenomen, nagenoeg zonder enige nadere concretisering of bewijs. Gelet op de onveranderde regelgeving kunnen zij niet leiden tot een andere uitkomst. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat doorprocederen in dit geval geen enkel redelijk doel dient, zodat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
4.4.
De inspecteur heeft verzocht om belanghebbende ook in hoger beroep te veroordelen in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het hof overweegt dat het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitspraak waarin geoordeeld is dat belanghebbende kennelijk onredelijk gebruikmaakt van procesrecht, in beginsel niet kennelijk onredelijk is. Dit kan anders zijn wanneer al eerder in hoger beroep is geoordeeld dat belanghebbende op grond van dezelfde (blote) stellingen en of uitgangspunten kennelijk onredelijk gebruikmaakt van procesrecht, maar dat is hier (nog) niet het geval. Het hof zal belanghebbende daarom in deze procedure niet veroordelen in de proceskosten van de inspecteur, maar belanghebbende dient er rekening mee te houden dat het hof bij gelijkblijvende omstandigheden een volgende keer mogelijk anders kan oordelen.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3082. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|