|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:7650 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | 26/2636 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2636
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer)
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing en is van mening dat zij recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2013. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen.
Procesverloop
2.1
Eiseres heeft zich op 29 januari 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 tot en met 2014. Bij besluit van 15 januari 2024 (het primaire besluit) heeft eiseres een bedrag van € 168.911,- aan compensatie toegekend gekregen voor toeslagjaren 2009, 2011, 2012 en 2014 omdat sprake was van vooringenomen handelen. In het primaire besluit heeft Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend voor toeslagjaren 2008, 2010 en 2013. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.2
Met het besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en is daarmee bij de afwijzing van het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2008, 2010 en 2013 gebleven. Dienst Toeslagen stelt dat eiseres geen recht heeft op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft haar beroepsgronden aangevuld op 5 mei 2026 en 9 juli 2026. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, vergezeld door [gemachtigde 2] .
Overwegingen
Beoordelingskader
3.1
Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. De bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager.
3.2
Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid of hardheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.
Achtergrond
4.1
Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
4.2
De kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2012 is op 21 november 2012 door Dienst Toeslagen stopgezet omdat eiseres niet had gereageerd op verzoeken om informatie. Eiseres is gecompenseerd voor toeslagjaar 2012 omdat de ambtshalve stopzetting vooringenomen was. Dienst Toeslagen heeft eiseres namelijk onvoldoende in de gelegenheid gesteld om informatie op te sturen en dat is aan te merken als vooringenomen handelen. Op 26 december 2012 heeft eiseres opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd met ingang van
1 januari 2013. Het ging hier om een zogenoemde hoge toeslag/hoog risico (HOT/HOR)-aanvraag, wat betekent dat er een extra controle heeft plaatsgevonden en er meer informatie aangeleverd moest worden voordat de aanvraag zou kunnen worden toegekend. Daarom heeft Dienst Toeslagen op 5 februari 2013 eiseres gevraagd om contracten, facturen en betaalbewijzen van de afgenomen kinderopvang over te leggen. Op 3 maart 2013 heeft eiseres prijsopgaven en delen van contracten opgestuurd. Op 20 en 22 maart 2013 heeft eiseres telefonisch contact met Dienst Toeslagen gehad en is eiseres uitgelegd dat facturen en betaalbewijzen ontbreken en dat die informatie ook nodig is voor het behandelden van de aanvraag. Op 25 maart 2013 heeft Dienst Toeslagen eiseres een herinnering gestuurd van het verzoek om nadere informatie over te leggen. Op 2 april 2013 heeft eiseres volledige contracten en prijsopgaven opgestuurd. Op 25 april 2013 heeft eiseres opnieuw telefonisch contact gehad met Dienst Toeslagen waarbij eiseres is gevraagd de dan nog ontbrekende informatie over te leggen. Op 28 september 2013 heeft Dienst Toeslagen eiseres opnieuw per brief een gespecificeerd verzoek om informatie gestuurd om een schriftelijke overeenkomst met de kinderopvanginstelling, betaalbewijzen, recente loonstroken en facturen van de kinderopvanginstelling over te leggen. Op 28 oktober 2013 heeft Dienst Toeslagen per brief aan eiseres een herhaald verzoek gedaan om de informatie over te leggen zoals verzocht op 28 september. Met het besluit van 7 december 2013 heeft Dienst Toeslagen daarna de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2013 stopgezet, omdat eiseres de gevraagde bewijsstukken niet heeft overgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Opzet/Grove schuld kwalificatie
5. Ter zitting heeft eiseres de beroepsgrond ten aanzien van de motivatie van de opzet/grove schuld kwalificatie ingetrokken. Daarom zal de rechtbank deze beroepsgrond verder niet behandelen in deze uitspraak.
Toeslagjaar 2013
6.1
Eiseres stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld en dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor toeslagjaar 2013. Zo had Dienst Toeslagen moeten onderzoeken of de onvolledigheid van de stukken niet ontstaan is door scan- of verwerkingsfouten aan de zijde van Dienst Toeslagen. Daarnaast blijkt uit paragraaf 2.3.5 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek (het Handboek) dat bij een onvolledige reactie gericht moet worden nagevraagd welke stukken ontbreken. Dienst Toeslagen heeft niet concreet gesteld welke stukken ontbraken. Door geen kinderopvangtoeslag te verlenen en wel facturen en betaalbewijzen te verlangen is eiseres in een vicieuze cirkel geplaatst. Zonder voorschot kon eiseres niet betalen en zonder betaling kon zij geen betaalbewijzen overleggen en zonder volledige stukken werd de kinderopvangtoeslag niet toegekend.
6.2
Tijdens de zitting heeft eiseres haar beroepsgrond als volgt nader toegelicht. Uit paragraaf 3.1.5a van het Handboek volgt dat als de kinderopvangtoeslag is stopgezet vanwege institutionele vooringenomenheid in een toeslagjaar, en als gevolg waarvan de kinderopvangtoeslag niet gecontinueerd is naar het volgende toeslagjaar, dan bestaat er in beginsel ook recht op compensatie voor het niet continueren van het ene naar het andere jaar. Het niet gecontinueerd krijgen van de kinderopvangtoeslag is dan een gevolg van de vooringenomenheid en dat is aan te merken als schade. Eiseres stelt dat als Dienst Toeslagen in 2012 niet vooringenomen had gehandeld, en dus de kinderopvangtoeslag niet had stopgezet, eiseres niet in de positie terecht was gekomen dat de aanvraag om kinderopvangtoeslag voor 2013 was stopgezet vanwege het ontbreken van bewijsstukken. Dan was de kinderopvangtoeslag namelijk gecontinueerd.
6.3
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals onder punt 3.2 vastgesteld heeft Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld door de kinderopvangtoeslag van eiseres voor het toeslagjaar 2012 stop te zetten vanwege een gebrek aan bewijsstukken. Als gevolg van de nihilstelling in 2012 is de kinderopvangtoeslag van eiseres voor toeslagjaar 2013 niet automatisch gecontinueerd. De vraag die vervolgens in deze zaak voorligt, is of eiseres schade heeft geleden als gevolg de niet automatische continuering voor toeslagjaar 2013, op grond waarvan eiseres recht zou hebben op compensatie.
6.4
Ter onderbouwing van haar standpunt beroept eiseres zich op het Handboek, waarin Dienst Toeslagen een uitgebreide toelichting heeft opgenomen hoe uitvoering wordt gegeven aan de wet- en regelgeving van de hersteloperatie. In het Handboek staat onder 3.1.5a ook opgenomen:
“Als er geen schade is, dan is er ook geen recht op compensatie (ingevolge art. 2.1 aanhef Wht) er is geen schade als er aan het begin van het nieuwe jaar geen recht bestond op kinderopvangtoeslag (bijvoorbeeld van wege geen opvang) …”
Hieruit volgt, dat al zou het niet automatisch continueren van de kinderopvangtoeslag voor 2013 een vooringenomen handeling zijn, dat dat niet direct betekent dat eiseres recht heeft op compensatie. Dat er schade is geleden, is immers een voorwaarde voor de toekenning van compensatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen terecht vast kunnen stellen dat er geen recht bestond op kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2013. Ondanks dat zij herhaaldelijk voldoende in de gelegenheid is gesteld de benodigde informatie en bewijsstukken over te leggen, is eiseres er niet in geslaagd om aan te tonen dat daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. Zoals onder punt 3.2 uiteengezet, heeft Dienst Toeslagen eiseres in totaal vier keer per brief gevraagd om de ontbrekende informatie. In twee van die brieven zijn de benodigde stukken gespecificeerd uitgevraagd. Daarnaast is eiseres meermaals telefonisch gewezen op de ontbrekende informatie. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat het niet aannemelijk is dat er voor het toeslagjaar 2013 een recht bestond op kinderopvangtoeslag. Dat betekent dat eiseres ook geen schade heeft geleden. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres geen recht heeft op compensatie in de zin van artikel 2.1 van de Wht. Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om compensatie dan ook op goede gronden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Dienst Toeslagen mocht de aanvraag om compensatie afwijzen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en zij krijgt ook haar griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit de memorie van toelichting bij de Wht: Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, r.o. 10. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|