|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:2929 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 25/845 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Omzetbelasting, onjuiste toepassing kleineondernemersregeling. Gesteld noch gebleken dat de inspecteur een inhoudelijke beoordeling van de aangiften heeft uitgevoerd voordat hij een controle aangekondigde. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Verzuimboete gepast en geboden. De inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het hof vermindert daarom de naheffingsaanslag en de belastingrente overeenkomstig. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | kleine-ondernemersregeling | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/845
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 april 2025, nummer BRE 24/2854, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 2018 tot en met 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende was in 2018, 2019, 2020 en 2021 eigenaar van drie gemeubileerde vakantiewoningen. Via een verhuurbedrijf zijn de vakantiewoningen voor een periode van steeds niet langer dan zes maanden verhuurd (hierna: de verhuur).
2.2.
Belanghebbende heeft met de verhuur de volgende omzetten gerealiseerd:
1e kwartaal
2e kwartaal
3e kwartaal
4e kwartaal
2018
€ 5.333
€ 6.315
€ 7.724
€ 5.348
2019
€ 5.846
€ 6.379
€ 8.732
€ 5.329
2020
€ 6.065
€ 6.896
€ 10.871
€ 5.820
2021
€ 7.556
€ 7.682
€ 3.342
€ 3.342
2.3.
Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting (de aangiften) ingediend die geautomatiseerd zijn afgedaan en hebben geleid tot de volgende teruggaven van omzetbelasting:
1e kwartaal
2e kwartaal
3e kwartaal
4e kwartaal
2018
€ 321
-
-
€ 651
2019
€ 63
€ 260
€ 262
€ 436
2020
€ 776
€ 629
-
-
2021
€ 577
€ 1.023
€ 134
-
Belanghebbende heeft over het vierde kwartaal van 2020 € 51 aan omzetbelasting op aangifte voldaan en over het vierde kwartaal van 2021 € 37.
2.4.
De inspecteur heeft op 11 mei 2023 een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften. Van zijn bevindingen heeft hij een controlerapport opgemaakt. Hij heeft geconcludeerd dat belanghebbende de kleineondernemersregeling onjuist heeft toepast en ten onrechte het algemene in plaats van het verlaagde omzetbelastingtarief heeft toegepast. De inspecteur heeft de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting opnieuw berekend en naheffing als volgt aangekondigd:
2018
2019
2020
2021
Voldaan op aangifte
- € 972
- € 1.021
- € 1.354
- € 1.697
Opnieuw berekend
€ 0
€ 518
€ 1.046
€ 1.297
Naheffen
€ 972
€ 1.539
€ 2.400
€ 2.994
2.5.
De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 7.905, zijnde het totaal van de bedragen die zijn weergegeven in 2.4. Tevens is bij beschikking € 909 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 790 opgelegd (10% van de nageheven belasting). De inspecteur heeft de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.6.
Na de uitspraak van de rechtbank hebben partijen per e-mail stukken uitgewisseld. Dit heeft ertoe geleid dat de inspecteur de naheffing opnieuw heeft berekend. In zijn nadere stuk van 5 november 2025 heeft de inspecteur geconcludeerd dat voor het jaar 2021 een bedrag aan voorbelasting van € 2.493 alsnog in aanmerking moet worden genomen. De naheffing moet daarom volgens de inspecteur verminderd worden tot een bedrag van € 5.412. De inspecteur concludeert verder dat de belastingrente en de boete evenredig verminderd moeten worden naar bedragen van respectievelijk € 717 en € 541 (10% van de resterende naheffing).
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag, de belastingrente en de boete terecht en voor het juiste bedrag zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat de berekening van de na te heffen omzetbelasting zoals weergegeven in een nader stuk van de inspecteur niet in geschil is (€ 5.412). Daarnaast heeft belanghebbende ter zitting verduidelijkt dat hij het hof alleen om een oordeel vraagt op de volgende punten:
of het vertrouwensbeginsel is geschonden;
of ten aanzien van de boete sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas); en
of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente is berekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boete. De inspecteur concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boete zoals vermeld in 2.6.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
i. Vertrouwensbeginsel
4.1.1.
Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel stelt belanghebbende dat de inspecteur in de onderhavige periode telkens zijn aangifte zonder opmerkingen heeft verwerkt en, voor zover van toepassing, steeds de gevraagde teruggaaf van belasting heeft verleend. Belanghebbende betoogt dat hij hierdoor gerechtvaardigd mocht verwachten dat de aangiften door de inspecteur als juist zijn aangemerkt en dat de inspecteur dus niet zou naheffen. De indruk dat de inspecteur de aangiften heeft beoordeeld, is volgens belanghebbende versterkt door een correctie van € 51 ten aanzien van de aangifte die voor het vierde kwartaal 2020 is ingediend.
4.1.2.
De inspecteur bestrijdt dat sprake is van opgewekt vertrouwen. Met betrekking tot het vierde kwartaal 2020 stelt de inspecteur dat belanghebbende zelf € 51 aan verschuldigde belasting heeft aangegeven, maar deze niet tijdig op aangifte heeft voldaan. Op grond daarvan is geautomatiseerd een naheffingsaanslag opgelegd voor deze verschuldigde belasting, waarmee dus evenmin vertrouwen is gewekt ten aanzien van de inhoudelijke juistheid van de ingediende aangifte, aldus de inspecteur.
4.1.3.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat gedurende een periode de aangiften zonder opmerkingen zijn verwerkt en teruggaven van omzetbelasting zijn verleend; dat alleen rechtvaardigt niet de indruk van een standpuntbepaling door de inspecteur, ook niet indien de periode langer is. Voor belastingen die op aangifte moeten worden voldaan, zoals de omzetbelasting, geldt bovendien dat niet de inspecteur, maar de belastingplichtige in eerste instantie verantwoordelijk is voor de juiste vaststelling van de belastingschuld en dat het aangifteformulier omzetbelasting daarom geen inhoudelijke vragen omvat waarover de inspecteur een standpunt zou kunnen innemen, maar slechts specificatie vraagt van de betaling (of het teruggaafverzoek), die voorop staat.
4.1.4.
Dat bij niet-betaling van aangegeven verschuldigde belasting geautomatiseerd een ambtshalve aanslag wordt opgelegd, betekent evenmin dat de aangifte inhoudelijk wordt beoordeeld. Ook dan wordt immers slechts aangesloten bij wat de belastingplichtige zelf heeft aangegeven, zoals in dit geval met de ambtshalve aanslag voor € 51 aan verschuldigde omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2020. Verder is gesteld noch gebleken dat de inspecteur anderszins een inhoudelijke beoordeling van de aangiften heeft uitgevoerd voordat hij op 11 mei 2023 een controle aangekondigde. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Tussen partijen is in dat geval niet in geschil dat de naheffing moet worden verminderd naar een bedrag van € 5.412.
ii. Boete
4.2.1.
Belanghebbende stelt dat de aan hem opgelegde boete ten onrechte is opgelegd, omdat hij meende juiste aangiften te hebben ingediend. Belanghebbende betoogt dat daarom sprake is van avas. De inspecteur stelt dat de boete terecht aan belanghebbende is opgelegd, omdat is gebleken dat verschuldigde omzetbelasting niet binnen de wettelijke termijn is betaald dan wel tot een te hoog bedrag is teruggevraagd.
4.2.2.
De rechtbank heeft ten aanzien van de boete onder meer het volgende overwogen:
“6.1. Op grond van de wet1 vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd. De bewijslast dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt rust op belanghebbende.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft onjuiste aangiften ingediend waarbij hij de kleineondernemersregeling en het heffingspercentage onjuist heeft toegepast waardoor te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Dat belanghebbende meende juiste aangiften in te dienen maakt niet dat hem geen enkel verwijt treft dat de aangiften onjuist waren.”
Voetnoot:
[1] Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.2.3.
Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt dit tot de zijne. Het voegt daaraan toe dat hetgeen belanghebbende aanvoert, kan duiden op afwezigheid van opzet en van grove schuld, maar niet duidt op afwezigheid van elke verwijtbaarheid ter zake van zijn onjuiste aangiften en voldoeningen.
4.2.4.
De inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, waarmee ook de boete tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het hof sluit zich aan bij deze conclusie en vermindert de boete daarom tot een bedrag van € 541, dat het hof passend en geboden acht.
iii. De belastingrente
4.3.1.
Belanghebbende stelt dat het bedrag van de belastingrente onevenredig is ten opzichte van de nageheven belasting, met name omdat ook over het tijdsverloop tussen de indiening van de aangiften en de uitvoering van de belastingcontrole rente berekend wordt. In hoger beroep heeft belanghebbende verduidelijkt dat het toegepaste rentepercentage niet wordt betwist.
4.3.2.
Met betrekking tot naheffingsaanslagen omzetbelasting wordt op grond van de wet belastingrente in rekening gebracht wanneer de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag volgend op het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is, en heeft als grondslag de nageheven belasting.
4.3.3.
De berekende belastingrente berust aldus op dwingend recht vervat in een wet in formele zin en dat brengt mee dat zij slechts kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Het hof acht dat in dit geval niet aan de orde. Het te weinig betaalde geld heeft belanghebbende gedurende het door hem bedoelde tijdverloop ook ter beschikking gestaan. De stelling dat de berekende belastingrente onevenredig is, faalt daarom.
4.3.4.
De inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, waarmee ook de belastingrente tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de belastingrente opnieuw berekend op een bedrag van € 717. Gesteld noch gebleken is dat dit bedrag niet conform de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen is berekend. Het hof vermindert de belastingrente daarom dienovereenkomstig tot een bedrag van € 717.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het hof vermindert de naheffingsaanslag, rentebeschikking en boetebeschikking naar bedragen van respectievelijk € 5.412, € 717 en € 541.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 187 respectievelijk € 289 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.1.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.6.2.
De door belanghebbende gemaakte kosten worden gesteld op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen in Breda en ‘sHertogenbosch van respectievelijk € 9,20 en € 28,40, in totaal € 37,60.
4.6.3.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.412;
vermindert de beschikking belastingrente tot een bedrag van € 717;
vermindert de boete tot € 541;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 476 vergoedt; en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 37,60.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, W.J. Blokland en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179.
Artikel 30h, lid 1, AWR.
Artikel 30h, lid 2, AWR. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|