Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:3147 
 
Datum uitspraak:06-10-2026
Datum gepubliceerd:02-11-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:200.372.106/01 200.372.936/01
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Wsnp
Trefwoorden:studiefinanciering
uitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel

Zaaknummer : 200.372.936/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/24/201 R


Arrest van 6 oktober 2026


in de zaak van



[appellante]
,
wonend in [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. U. Karatas kantoorhoudend in Rotterdam.



1Het verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2024 is op [appellante] de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna ook: Wsnp) van toepassing verklaard. Bij vonnis van 2 april 2026 is de schuldsaneringsregeling verlengd tot 20 april 2027 en bij vonnis van 7 augustus 2026 is die regeling tussentijds beëindigd. Tegen dat vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld bij het op 12 augustus 2026 op de griffie van het hof ingekomen verzoekschrift met producties. Bij brief van 16 september 2026 heeft [wsnp-bewindvoerder] (de Wsnp-bewindvoerder) de openbare verslagen en haar reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden. Verder heeft het hof nog kennisgenomen van de aanvullende producties van [appellante].


1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2026, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat, en [naam], waarnemend voor de Wsnp-bewindvoerder.




2De beoordeling van het hoger beroep

2.1
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] beëindigd op grond van het oordeel dat zij een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw), meer in het bijzonder de informatie- en sollicitatieverplichting. De rechtbank heeft daarbij – kort samengevat – overwogen dat [appellante] voldoende is gewaarschuwd en in de gelegenheid is gesteld om de tekortkomingen in de verplichtingen te herstellen. Zo zijn er verhoren geweest bij de rechter-commissaris op 30 april 2025 en 7 oktober 2025 en is [appellante] eveneens bij de behandeling van een eerder verzoek tot tussentijdse beëindiging, op 5 maart 2026, gewezen op de tekortkomingen. De tekortkomingen in de informatie- en sollicitatieverplichting zijn daarna niet hersteld. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin [appellante] verkeert – vanwege de zorg voor haar terminaal zieke moeder in combinatie met de zorg voor haar minderjarige kind – maar oordeelt dat zij voldoende kansen heeft gehad en dat het op haar weg had gelegen om in elk geval de Wsnp-bewindvoerder te informeren dat zij moeilijk bereikbaar zou zijn door de situatie met haar moeder en de problemen met haar e-mailbox. Bovendien had zij de sollicitaties die zij vanaf haar nieuwe e-mailadres had verzonden, kunnen doorsturen naar de bewindvoerder, maar dat heeft zij niet gedaan.


2.2
De grieven van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.

2.2.1

[appellante] werd in de periode die volgde op de verlenging van de schuldsaneringsregeling, na het vonnis van 2 april 2026 geconfronteerd met een ingrijpende verslechtering van de gezondheidssituatie van haar moeder, die terminaal ziek is en in een hospice verblijft. Ook in de maanden voorafgaand aan de behandeling van het verzoek tot tussentijdse beëindiging op 30 juli 2026, verbleef [appellante] veelvuldig bij haar moeder. [appellante] is een alleenstaande moeder van een minderjarig kind. Zij heeft één broer, maar het contact met hem is slecht. De zorg en aanwezigheid rond haar moeder kwamen daardoor volledig op [appellante] neer, waarbij zij tegelijkertijd als alleenstaande moeder de zorg voor haar kind droeg en zij daarbij telkens opvang moest organiseren als zij bij haar moeder verbleef. [appellante] verkeerde derhalve in een uitzonderlijke persoonlijke crisissituatie. Een reëel familienetwerk waarop zij kon terugvallen was en is er niet voor [appellante].Als gevolg van deze omstandigheden is [appellante] in de maanden na het vonnis waarbij de verlenging van de schuldsaneringsregeling werd verlengd, niet steeds tijdig en volledig haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling nagekomen.


2.2.2
De behandeling van het tweede verzoek tot tussentijdse beëindiging, op 30 juli 2026, heeft buiten aanwezigheid van [appellante] plaatsgevonden. Juist op de dag van de zitting moest zij haar moeder bijstaan in verband met een medische behandeling. [appellante] achtte het niet verantwoord haar moeder alleen te laten. Zij heeft daardoor niet kunnen uitleggen wat er in de voorafgaande periode is gebeurd, welke invloed dat had gehad op de naleving van de verplichtingen en welke van die verplichtingen zij ondanks die omstandigheden wél had nageleefd, zoals de sollicitatieverplichting waarvoor zij bewijzen wilde tonen/overleggen ter zitting. Bovendien had zij de rechtbank toen om aanhouding willen verzoeken om beschermingsbewind aan te kunnen vragen.


2.2.3

[appellante] betwist dat zij is tekortgeschoten in de sollicitatieverplichting. Vanwege problemen met de toegang tot haar mailbox, heeft zij de sollicitatiebewijzen niet kunnen mailen naar de bewindvoerder. Die sollicitatiebewijzen heeft zij alsnog na het vonnis toegestuurd aan de bewindvoerder. In augustus 2026 heeft zij acht keer gesolliciteerd en de bewijzen daarvan overgelegd.


2.2.4

[appellante] betwist niet dat zij is tekortgeschoten in de informatieverplichting, maar zij is van mening dat die tekortkoming de beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet rechtvaardigt, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat verschillende ontbrekende stukken alsnog zijn aangeleverd.



2.3
De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat ook na de aanlevering van de laatste stukken, nog steeds niet op de juiste wijze wordt voldaan aan de verplichtingen. Zo is ook van de acht sollicitatiebewijzen die bij het beroepschrift zijn overgelegd niet duidelijk op welke periode die zien. Van de sollicitaties die [appellante] op 8 mei 2026 heeft toegestuurd blijkt evenmin op welke periode die betrekking hebben. Vooralsnog is ervan uitgegaan dat die de maand april betreffen. Dat brengt met zich dat er voor de periode vanaf mei 2026 te weinig sollicitaties zijn overgelegd. Bovendien ontvangt [appellante] nog steeds studiefinanciering en geen uitkering, dus heeft zij kennelijk de studie die zij volgt nog niet afgerond. Bovendien heeft zij vanwege de studiefinanciering geen afloscapaciteit. De schuldeisers mogen hierdoor echter niet benadeeld worden. Verder geeft [appellante] aan dat zij beschermingsbewind wil aanvragen, maar of die aanvraag inmiddels in gang is gezet, is bij gebreke van stukken niet duidelijk geworden.


2.4

[appellante] heeft op de zitting van het hof toegelicht dat zij haar opleiding na haar laatste toets in oktober 2026 zal hebben afgerond dan wel dat zij, mocht zij niet slagen voor de toets, haar opleiding zal beëindigen. Zij zal zich daarna blijven inspannen om werk te vinden zodat zij afloscapaciteit kan creëren. Het traject voor een beschermingsbewind is in gang gezet. Het intakegesprek bij Stichting Nieuw Vaarwater heeft al plaatsgevonden en de vervolgafspraak is gepland op 5 oktober 2026.


2.5
Het hof overweegt als volgt.


2.6
Vooropgesteld wordt dat van iemand in de schuldsaneringsregeling mag worden verwacht dat zij zich daadwerkelijk, en zo mogelijk tot het uiterste, inspant om te voldoen aan de daaraan door de wet verbonden verplichtingen. Uit de stukken over het verloop van de regeling en de toelichting op de zitting is duidelijk dat [appellante] haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet allemaal naar behoren is nagekomen. De Wsnp-bewindvoerder is verschillende periodes niet volledig en op tijd geïnformeerd en heeft over een bepaalde periode geen of onvoldoende sollicitatiebewijzen van [appellante] ontvangen, ook nadat [appellante] op haar verplichtingen is gewezen door de rechter-commissaris die toeziet op het verloop van de regeling. De tekortkomingen zijn dusdanig dat beëindiging van de toepassing van de Wsnp voor de hand ligt. Niettemin ziet het hof in de feiten en omstandigheden van dit geval de aanleiding om dat hier toch niet te doen.


2.7
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante], kort nadat de schuldsaneringsregeling werd verlengd, bij vonnis van 2 april 2026, te maken kreeg met een ingrijpende verslechtering van de gezondheidssituatie van haar moeder, die in een hospice werd opgenomen. [appellante] was (en is) de enige mantelzorger van haar moeder en alleenstaande moeder van een minderjarige dochter met gezondheidsproblemen. Gelet daarop en omdat [appellante] in aanloop naar en op de zitting bij het hof heeft aangetoond dat zij veel in het werk heeft gesteld om de tekortkomingen te herstellen – zij heeft alsnog zoveel als mogelijk de ontbrekende stukken en haar sollicitatiebewijzen aangeleverd en structurele stappen ondernomen richting beschermingsbewind – acht het hof de tussentijdse beëindiging een te zware sanctie voor het tekortschieten. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen de schuldsaneringsregeling te vervolgen en de kans te geven de tekortkomingen gedurende de resterende (verlengde) looptijd van de regeling te herstellen.


2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.


2.9
Het hof wijst [appellante] er wel met klem op dat haar hiermee een laatste kans wordt geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Als de verplichtingen niet goed worden nagekomen, kan dit alsnog leiden tot beëindiging van de regeling dan wel weigering van de schone lei.


De beslissing

Het hof:



vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2026;


verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter verdere uitvoering van de schuldsaneringsregeling.


Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Harten, C.J. Verduyn en A.J. Swelheim, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak