|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:7725 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 26/2150 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | BNT UHT. Aanvraag CWS en SGH. Beroep gegrond. Aanmelding bij SGH schort de beslistermijn niet op. Tevens geen vso tot stand gekomen. | | Trefwoorden | : | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2150
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 24 april 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Op 30 maart 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiser aanvraag heeft gedaan voor een vergoeding van aanvullende schade via stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Eiser mag in de wachtrij staan bij een andere aanvullende schaderoute, maar de beslistermijn van het verzoek om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade wordt dan in beginsel opgeschort. Volgens verweerder zal deelname aan de SGH-route in beginsel leiden tot een vaststellingsovereenkomst, waarin finale kwijting is opgenomen en waardoor eiser niet meer in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding via de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelt dat eiser daarom niet langer in afwachting is van een besluit van de Commissie Werkelijke Schade en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk is.
3. Bij brief van 12 mei 2026 heeft eiser gereageerd op het standpunt van verweerder. Eiser geeft aan dat hij in 2024 een voorstel voor een vaststellingsovereenkomst heeft ontvangen, maar dat hij dit voorstel heeft afgewezen. Er is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen en er is geen finale kwijting verleend. Daarnaast heeft eiser zich op 28 mei 2024 aangemeld bij de SGH, dat is na afloop van de verlengde wettelijke beslistermijn van 24 april 2024.Van een opschorting van de beslistermijn is daarom geen sprake.
4. Verweerder heeft bij brief van 28 mei 2026 gereageerd op het standpunt van eiser. Gedurende de schikkingsroute is het wenselijk dat de beslistermijn voor het beslissen op een aanvraag om werkelijke schade wordt opgeschort. Volgens verweerder is het niet wenselijk dat eiser een bestuurlijke route blijft lopen naast een schikkingsroute, omdat dit niet strookt met het door de schikkingsroute beoogde doel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser zich heeft aangemeld voor de SGH-route. Verweerder heeft in zijn reactie niet gereageerd op het standpunt van eiser dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het standpunt van eiser klopt. Verder is de rechtbank van oordeel dat alternatief schadetraject de beslistermijn niet opschort. Een aanmelding bij de SGH en het al dan niet instemmen met opschorten van de beslistermijn betekent naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2026.
6. Dit betekent dat verweerder alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag van eiser om aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 22 januari 2026 in gebreke is gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 13 maart 2026, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
8. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
9. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
10. In haar uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 66 weken na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. De rechtbank heeft zich in die uitspraak niet uitgelaten over de situatie dat deze nadere beslistermijn al verstreken is op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. Als die situatie zich voordoet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.
11. In dit geval betekent dit het volgende. Eiser heeft op 24 april 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De wettelijke beslistermijn eindigde op 24 april 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 30 juli 2025. Omdat deze nadere beslistermijn inmiddels ook is verstreken, bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijn niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2026.Proceskosten en griffierecht
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Hemich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zaak nummer UTR 26/5692.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2026:4803. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|