|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:1412 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-11-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 23/122 WSFBSF | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | De minister heeft de aanvraag van appellante – een migrerend Unieburger – om studiefinanciering afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de prestatiebeursfase voor appellante startte met de toekenning van het collegegeldkrediet in september 2017 en appellante daarom per september 2021 geen recht meer had op een aanvullende beurs. De Raad oordeelt dat uit de wetssystematiek van de Wet studiefinanciering 2000 volgt dat met de toekenning van het collegegeldkrediet de prestatiebeursfase start. De minister heeft dus, anders dan appellante stelt, in overeenstemming met de wet gehandeld. Deze wetsuitleg komt niet in strijd met het Unierecht. Verder was appellante voldoende geïnformeerd over de gevolgen van de aanspraak op het collegegeldkrediet, zodat de minister geen aanleiding hoefde te zien de hardheidsclausule toe te passen. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | studiefinanciering | | | | Uitspraak | 23/122 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 december 2022, 22/308 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
SAMENVATTING
De minister heeft de aanvraag van appellante – een migrerend Unieburger – om studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs over de maanden september en oktober 2021 afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de prestatiebeursfase voor appellante startte met de toekenning van het collegegeldkrediet in september 2017 en appellante daarom per september 2021 geen recht meer had op een aanvullende beurs. De Raad oordeelt dat uit de wetssystematiek van de Wet studiefinanciering 2000 volgt dat met de toekenning van het collegegeldkrediet de prestatiebeursfase start. De minister heeft dus, anders dan appellante stelt, in overeenstemming met de wet gehandeld. Deze wetsuitleg komt niet in strijd met het Unierecht. Verder was appellante voldoende geïnformeerd over de gevolgen van de aanspraak op het collegegeldkrediet, zodat de minister reeds hierom geen aanleiding hoefde te zien de hardheidsclausule toe te passen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Hummel-Fekkes.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Mr. G. Gabrelian, kantoorgenoot van mr. Folsche, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De minister heeft vragen van de Raad beantwoord. Mr. Gabrelian heeft daar namens appellante op gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft de Griekse nationaliteit. Met ingang van 1 september 2017 is aan haar studiefinanciering in de vorm van collegegeldkrediet toegekend op grond van de Wsf 2000.
1.2.
In april 2021 heeft appellante een aanvraag ingediend voor studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs met ingang van mei 2021. Zij heeft bij de aanvraag een stageovereenkomst overgelegd, met een duur van 7 mei 2021 tot en met 29 oktober 2021.
1.3.
Met een besluit van 28 juni 2021 heeft de minister, voor zover hier nog van belang, een aanvullende beurs toegekend over juni tot en met augustus 2021. Voor de maanden september en oktober 2021 is de aanvraag afgewezen omdat appellante het einde van haar prestatiebeursfase heeft bereikt.
1.4.
Het daartegen gerichte bezwaar is met een besluit van 17 december 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor zover hier nog van belang, heeft de minister daaraan ten grondslag gelegd dat appellante recht heeft op vier jaar studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Appellante heeft met ingang van 1 september 2017 studiefinanciering genoten. Met ingang van 1 september 2021 bestaat daarom geen recht meer op een aanvullende beurs.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit voor wat betreft de afwijzing over september en oktober 2021 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit op dit onderdeel in stand gelaten. Daartoe overweegt de rechtbank dat appellante vanaf september 2017 voor het eerst studiefinanciering in de vorm van collegegeldkrediet heeft aangevraagd. Op dat moment is de termijn van vier jaar, die geldt voor het recht op een prestatiebeurs, gaan lopen. De minister heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat appellante per september 2021 geen recht meer heeft op een prestatiebeurs. Dat appellante haar recht op een prestatiebeurs tot 1 juni 2021 niet kon effectueren, omdat zij nog niet aan de voorwaarden daarvoor voldeed, doet daar niet aan af. Van onterechte toepassing van deze regels omdat dit leidt tot een ongelijke behandeling, is volgens de rechtbank geen sprake. Appellante wordt niet anders behandeld dan Nederlandse studenten die collegegeldkrediet hebben aangevraagd. Dat appellante minder lang aanspraak maakt op een prestatiebeurs dan een Nederlandse student is geen ongelijke behandeling, maar het gevolg van het feit dat appellante pas later onder het Europese werknemersbegrip viel.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Zij voert aan dat het collegegeldkrediet geen onderdeel is van de prestatiebeurs en dat niet uit de wet blijkt dat de termijn voor de prestatiebeurs gaat lopen met de aanvraag van het krediet. Voor zover dit wel de systematiek van de wet is, is dat in strijd met het Unierecht. Ingevolge de uitspraak in de zaak Raulin hebben Unieburgers recht op het collegegeldkrediet, ook zonder het zijn van migrerend werknemer. Als zij gebruik maken van dat recht, verspelen zij echter hun recht op volledige studiefinanciering als zij later als migrerend werknemer kwalificeren. Dat is in strijd met de strekking van de Raulin-uitspraak, artikel 18 en artikel 45 van het VWEU. Als laatste had de minister de aanleiding moeten zien de hardheidsclausule toe te passen. Appellante wist niet dat zij met de aanvraag om collegegeldkrediet haar prestatiebeurs verbruikte en is daarover niet geïnformeerd.
Het standpunt van de minister
4. De minister vraagt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen. De minister voert aan dat het collegegeldkrediet geen onderdeel uitmaakt van de prestatiebeurs, maar wel studiefinanciering is. Met de toekenning van studiefinanciering start de termijn waarbinnen de student een diploma hoger onderwijs moet behalen (diplomatermijn), de termijn waarbinnen studiefinanciering kan worden opgenomen (opnametermijn) en start volgens de minister ook de periode van vier jaar waarin de prestatiebeurs kan worden verstrekt. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarbij het collegegeldkrediet is geïntroduceerd, vermeldt immers dat het collegegeldkrediet kan worden verstrekt gedurende de periode waarop aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs. Na deze periode kan het nog gedurende drie jaar worden verstrekt. Het voorgaande in samenhang bezien maakt volgens de minister duidelijk dat met de toekenning van het collegegeldkrediet de prestatiebeursfase start. Dat wordt uitdrukkelijk bevestigd in de nota van toelichting bij het besluit van 5 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit Studiefinanciering 2000. Deze systematiek is ook niet strijdig met het Unierecht. Er is geen sprake van ongelijke behandeling. Ook Nederlandse studenten die alleen collegegeldkrediet aanvragen gedurende vier jaar, kunnen daarna geen prestatiebeurs meer ontvangen. Voor toepassing van de hardheidsclausule ziet de minister geen aanleiding. Weliswaar is pas per 24 september 2021 op de website van de DUO informatie opgenomen dat opnemen van het collegegeldkrediet gevolgen heeft voor de prestatiebeursrechten, maar appellante beschikte ook over ‘MijnDUO’. Zij heeft daar in september 2019 ingelogd. Op MijnDUO stond toen het bericht dat zij nog 24 maanden recht had op prestatiebeurs en dus al 24 maanden had verbruikt. Daarnaast is appellante in een bericht van 13 oktober 2020 erop geattendeerd dat zij vanaf 1 september 2021 alleen nog recht heeft op een studentenreisproduct, collegegeldkrediet en een lening.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot afwijzing van studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs over september en oktober 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke en verdragsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6. De beroepsgrond dat de minister met het bestreden besluit in strijd met de wet heeft gehandeld slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
6.1.
De Raad stelt vast dat er in de Wsf 2000 bepalingen zijn opgenomen waaruit volgt dat de diplomatermijn en opnametermijn starten op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs. Tot studiefinanciering behoort ook het collegegeldkrediet. De Wsf 2000 kent geen bepaling waaruit uitdrukkelijk volgt dat met het toekennen van het collegegeldkrediet ook de ‘prestatiebeursfase’, dat wil zeggen de periode van (in beginsel) vier jaar zoals bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000, start. De definitie van prestatiebeurs in artikel 5.1 van de Wsf 2000 omvat immers niet het collegegeldkrediet.
6.2.
Niettemin oordeelt de Raad dat uit de wetssystematiek volgt dat de verschillende studiefinancieringscomponenten zoals benoemd in artikel 3.1, tweede lid, aanhef, van de Wsf 2000 als ondeelbaar geheel moeten worden gezien. Artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 koppelt de duur van de prestatiebeurs aan de nominale studieduur, normaliter vier jaar. Artikel 5.2, derde lid, van de Wsf 2000 bepaalt vervolgens dat een student recht heeft op de ‘basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet (…) gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.’ Vervolgens geldt op grond van het vierde lid van artikel 5.2 van de Wsf 2000 dat een student na de periode bedoeld in het eerste lid voor een periode van een jaar nog aanspraak kan maken op de reisvoorziening in de vorm van een prestatiebeurs en voor een periode van drie jaar studiefinanciering in de vorm van een lening en in de vorm van collegegeldkrediet. Dit tijdvak van (in beginsel) zeven jaar totaal is leidend voor de gehele studiefinancieringsaanspraak. Artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 bepaalt immers dat nadat iemand die aanspraken heeft genoten, er geen recht meer bestaat op (enige vorm van) studiefinanciering. Een situatie waar aanspraken op verschillende componenten studiefinanciering met elk (een) eigen tijdvak(ken) naast elkaar zouden bestaan, verdraagt zich niet met dit in artikel 2.13, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 verwoorde uitgangspunt. De voorgestane interpretatie van appellante zou namelijk tot gevolg hebben dat een student na vier jaar prestatiebeurs en drie jaar lening te hebben genoten nog aanspraak zou kunnen maken op vier plus drie jaar collegegeldkrediet dat dan bovendien voor een deel buiten de opname- en diplomatermijn zou vallen.
6.3.
De Raad is dan ook van oordeel dat met de toekenning van het collegegeldkrediet ook de fase start waarin aanspraak gemaakt kan worden op de prestatiebeurs. Het bestreden besluit is van dit uitgangspunt uitgegaan en is daarmee in overeenstemming met de wet.
7. Appellante heeft verder aangevoerd dat een wetsuitleg als voorgaand in strijd komt met het Unierecht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
7.1.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat Unieburgers een onvoorwaardelijk recht op gelijke behandeling met Nederlandse studenten genieten met betrekking tot toegang tot het onderwijs. Onder “toegang tot het onderwijs” valt in dit verband ook het deel van de studiefinanciering dat is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs. Voor Nederland is dat het collegegeldkrediet.
7.2.
Op studiefinanciering in de vorm van ‘steun voor levensonderhoud’ hebben Unieburgers alleen recht als zij worden aangemerkt als migrerend werknemer of zelfstandige zijn, dan wel als familielid van iemand met die status, of als zij een recht op permanent verblijf hebben. Voor Nederland betreft dit de overige componenten van studiefinanciering, waaronder de onderdelen van de prestatiebeurs.
7.3.
Uit 7.1 en 7.2 volgt dat – mits zij aan de overige voorwaarden voor studiefinanciering voldoen – Unieburgers die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, alleen onvoorwaardelijk recht hebben op het collegegeldkrediet. Alleen onder de bijkomende voorwaarden van 7.2 hebben zij recht op andere vormen van studiefinanciering, zoals de onderdelen van de prestatiebeurs.
7.4.
De uitleg zoals verwoord in 6.3 komt niet in strijd met de uitgangspunten genoemd in 7.1 tot en met 7.3 en belemmert ook niet de volle werking daarvan. De essentie van het recht op gelijke behandeling is immers geen zelfstandig recht of zelfstandige aanspraak op een bepaalde vorm van studiefinanciering, maar slechts dat de nationaliteit van een Unieburger niet in de weg mag staan aan een aanspraak die een eigen onderdaan van de gaststaat wel heeft. Vast staat dat een student met de Nederlandse nationaliteit die vier jaar lang alleen aanspraak heeft gemaakt op het collegegeldkrediet daarna ook geen aanspraak meer heeft op een aanvullende beurs. Appellante is dus niet anders of slechter behandeld dan een student met de Nederlandse nationaliteit in dezelfde omstandigheden. Dat appellante – anders dan een Nederlandse student – niet zonder meer kon kiezen uit het volledige ‘studiefinancieringspakket’ omdat zij bij aanvang van haar studie nog geen werknemer was in de zin van Richtlijn 2004/38, maakt dat niet anders. Dat is het gevolg van het feit dat appellante alleen onder bijkomende voorwaarden recht heeft op gelijke behandeling met Nederlandse studenten voor zover het gaat om de prestatiebeurscomponenten van studiefinanciering. De volle werking van het Unierecht reikt niet zo ver dat eventuele aanspraken van een Unieburger op de prestatiebeurs ‘veiliggesteld’ moeten worden totdat deze Unieburger op enig moment aan het Unierecht een recht op gelijke behandeling ontleent op die aanspraken.
8. Appellante heeft ten slotte gesteld dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat de minister haar niet tijdig heeft geïnformeerd dat toekenning van het collegegeldkrediet gevolgen had voor haar aanspraak op een prestatiebeurs. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft onbestreden gesteld dat appellante toegang had tot ‘MijnDUO’, in september 2019 heeft ingelogd en daar kennis kon nemen van haar resterende prestatiebeursaanspraak. Zij is ook met een bericht van 13 oktober 2020 op de hoogte gesteld van het feit dat haar aanspraak op de prestatiebeurs zou eindigen. Appellante kon dus op de hoogte zijn van het feit dat haar aanspraak op het collegegeldkrediet gevolgen had voor haar eventuele prestatiebeursrechten en had tijdig actie kunnen ondernemen. In wat appellante heeft aangevoerd zijn reeds hierom onvoldoende bijzondere omstandigheden van individuele aard gelegen waarin de minister aanleiding zou moeten vinden om onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 af te wijken van de wetssystematiek.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen, voor zover aangevochten. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom als voorzitter en M.A.H. van Dalenvan Bekkum en Y. Sneevliet als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
(getekend) A. Hoogenboom
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet studiefinanciering 2000
Artikel 2.13. Geen aanspraak of geen aanspraak meer
1. Een ho-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de Wet studiefinanciering BES,
(…)
Artikel 3.1. Studiefinanciering
(…)
2. Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs uit een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
a. een gift;
b. een prestatiebeurs; of
c. een lening.
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een basisbeurs;
b. een aanvullende beurs;
c. een reisvoorziening; en
d. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
(…)
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. (…) In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.(…)
Artikel 5.5. Diplomatermijn hoger onderwijs
De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.
Artikel 11.5. Hardheidsclausule
Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals dit luidt vanaf 1 juli 2013
Artikel 18
Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.
Artikel 45
1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
(…)
Richtlijn 2004/38 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (…)
Artikel 24 Gelijke behandeling
1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.
2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.
Wet studiefinanciering 2000.
De rechtbank verwijst op dit punt naar de uitspraak van de Raad van 7 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1592.
Uitspraak van het HvJEU van 26 februari 1992, C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87 (Raulin).
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
De minister verwijst naar artikel 5.5 van de Wsf 2000.
De minister verwijst naar artikel 2.13, eerste lid, onder b, van de Wsf 2000.
De minister verwijst naar artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000.
Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 3.
Besluit van 5 augustus 2006, houdende wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 en het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in verband met de totstandkoming van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, Stb. 2006, 374.
Zie artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 5.5 van de Wsf 2000.
Zie artikel 3.1, tweede lid, van de Wsf 2000.
HvJEU 26 februari 1992, C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87 (Raulin), punt 28.
Inclusief de situatie waar iemand die status heeft behouden.
Zie artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en HvJEU 2 juni 2016, C-233/14 ECLI:EU:C:2016:396 (Commissie/Nederland), punt 82 en 94.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3700, r.o. 5.2.1 – 5.3.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|