Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:31825 
 
Datum uitspraak:19-10-2026
Datum gepubliceerd:04-11-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/707177
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Deelgeschil. Afwijzing verzoek tot aanvullend voorschot op de schadevergoeding. Toewijzing verzoek tot voorschot op de buitengerechtelijke kosten. Matiging kosten deelgeschil.
Trefwoorden:vaststellingsovereenkomst
zorgkosten
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer / rekestnummer: C/09/707177 / HA RK 26-401


Beschikking van 19 oktober 2026


in de zaak van



[verzoeker]
te [woonplaats],
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. J. van Meerkerk,

tegen


GEMEENTE ALPHEN AAN DEN RIJN te Alphen aan den Rijn,
verweerster,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. I.I. Assink.





1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 15 juni 2026, met producties 1 tot en met 22;
- het verweerschrift van 27 augustus 2026, met producties 1 tot en met 3.



1.2.
Op 31 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is het verzoek van [verzoeker] met partijen en hun advocaten besproken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunten toegelicht. De spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd.



1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Op 19 september 2022 is [verzoeker] in [plaats] gevallen over een ijzeren draad naast een voetpad (hierna: het ongeval). Als gevolg van het ongeval heeft [verzoeker] (letsel)schade geleden. Hij heeft de Gemeente hiervoor aansprakelijk gesteld, waarna Melior Verzekeringen (hierna: de verzekeraar) namens de Gemeente aansprakelijkheid heeft erkend.



2.2.
Een week na het ongeval bezocht [verzoeker] zijn huisarts. Deze constateerde kneuzingen en een bloeduitstorting in het linkeronderbeen. Verder heeft [verzoeker] in de periode na het ongeval te kampen gehad met verschillende medische klachten (waaronder vermoeidheidsklachten en pijn in de benen). Tussen partijen is in geschil of er causaal verband bestaat tussen deze klachten enerzijds en het ongeval anderzijds. Beide partijen hebben een medisch adviseur ingeschakeld, maar die komen niet tot dezelfde conclusies.



2.3.
In februari 2026 hebben partijen afgesproken dat een neurologische expertise zal worden uitgevoerd ter beoordeling van de (medische) causliteitsvraag. Daartoe is neuroloog dr. [naam] benoemd tot deskundige. Het neurologisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. De rapportage was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet gereed.



2.4.
Namens de Gemeente heeft de verzekeraar € 5.000 aan [verzoeker] betaald als voorschot op de door hem te ontvangen schadevergoeding. Als voorschot op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten is € 13.618,04 aan [verzoeker] betaald.





3Het verzoek en het verweer


3.1.

[verzoeker] verzoekt (na aanvulling van de kosten van de procedure ter zitting) de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de Gemeente hem € 15.000 zal betalen als voorschot op de door hem door het ongeval geleden schade, waarvan € 10.000 onder algemene titel en € 5.000 als smartengeld, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
II. te bepalen dat de Gemeente aan [verzoeker] een bedrag van € 11.179,42 betaalt ter vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten tot en met 31 mei 2026, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
III. de kosten van deze procedure te begroten op € 5.925,37 exclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht, en de Gemeente in deze kosten te veroordelen.



3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat zijn schade en buitengerechtelijke kosten aanzienlijk hoger zijn dan de betaalde voorschotten, zodat aan hem aanvullende voorschotten moet worden betaald. [verzoeker] heeft zijn schade begroot op minimaal € 34.246,50 exclusief smartengeld. De schade bestaat uit zorgkosten, kosten voor huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid en verlies aan verdienvermogen. [verzoeker] heeft inmiddels € 24.797,46 aan buitengerechtelijke kosten gemaakt.



3.3.
De Gemeente voert verweert en concludeert tot afwijzing van de verzoeken, dan wel tot matiging van de verzochte voorschotten. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de verzoeken van [verzoeker] zich niet lenen voor een behandeling in deelgeschil. Volgens de Gemeente zijn de verzoeken – gelet op het feit dat partijn in afwachting zijn van het neurologisch expertiserapport – prematuur en dragen zij (op dit moment) niet bij aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Verder heeft de Gemeente betwist dat er causaal verband bestaat tussen het ongeval en een deel van de klachten. Tot slot heeft zij de omvang van de gestelde schade en van de buitengerechtelijke kosten betwist.





4De beoordeling


Ontvankelijkheid



4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.



4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).



4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de bevoorschotting van de schade en de buitengerechtelijke kosten van [verzoeker] als gevolg van het ongeval. In de parlementaire geschiedenis van artikel 1019w Rv is toegelicht dat ook de vraag of een (aanvullend) voorschot (van de buitengerechtelijke kosten) moet worden betaald, in een deelgeschilprocedure kan worden voorgelegd. De rechtbank zal de verzoeken dan ook inhoudelijk bespreken.


Voorschot op de schadevergoeding




4.4.
Het eerste verzoek van [verzoeker] strekt tot betaling van aanvullende voorschotten op de door hem geleden schade. Daarbij maakt de rechtbank onderscheid tussen schade op korte termijn en schade op lange termijn.



4.5.
Het verzoekschrift is grotendeels gegrond op de stelling dat [verzoeker] langdurig fysieke nadelen ondervindt van het ongeval (schade op lange termijn). Tussen partijen bestaat echter discussie over het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. Om die reden wordt een neurologische expertise uitgevoerd. Omdat de resultaten van dit onderzoek nog niet bekend zijn, kan de rechtbank de schade op lange termijn nu niet beoordelen en kan de rechtbank daarvoor ook geen aanvullend voorschot toekennen.



4.6.
De nadelige gevolgen die [verzoeker] direct na het ongeval zou hebben ondervonden (schade op korte termijn) zijn pas tijdens de mondelinge behandeling concreet naar voren gebracht. [verzoeker] heeft aan de hand van een algemene vermogensvergelijking gesteld dat zijn inkomen uit zijn onderneming in 2022 en 2023 is gedaald ten opzichte van de jaren daarvoor en dat dit moet worden beschouwd als verlies aan verdienvermogen dat een direct gevolg is van het ongeval. De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat de inkomensdaling het gevolg was van het ongeval.



4.7.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat in 2022 en 2023 sprake was van verlies van verdienvermogen als gevolg van het ongeval. Uit de cijfers die [verzoeker] heeft overlegd blijkt weliswaar dat zijn jaarlijkse inkomen in 2022 en 2023 lager was dan in de periode 2018-2019 (door corona zijn de jaren 2020 en 2021 volgens [verzoeker] niet representatief), maar die inkomensvergelijking is zeer algemeen. Uit de medische informatie blijkt dat [verzoeker] na het ongeval kneuzingen en blauwe plekken had, maar dat betekent niet automatisch dat hij daardoor niet meer kon werken. [verzoeker] heeft niet aangetoond dat de inkomensdaling in 2022 zich heeft voorgedaan in de weken of maanden dat hij te maken had met de gevolgen van het ongeval. De stelling dat de inkomensdaling in 2022 te wijten is aan de kortdurende gevolgen van het ongeval verhoudt zich ook niet met het feit dat ook in 2023, dus nadat de kortdurende gevolgen van het ongeval al waren uitgewerkt, een lager inkomen is gegenereerd dan in de referentieperiode 2018-2019. Bovendien heeft [verzoeker] niet inzichtelijk gemaakt dat zijn inkomen in 2022 vóór het ongeval weer op het niveau lag van voor de coronacrisis.



4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op dit moment niet is gebleken dat [verzoeker] meer schade heeft geleden dan tot nu toe aan hem is vergoed. Voor nadere bewijslevering is geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Dergelijke bewijslevering verdraagt zich namelijk niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en kostenefficiënt moet zijn. Het verzoek om betaling van een aanvullend voorschot op de schade zal daarom worden afgewezen.


Voorschot op de buitengerechtelijke kosten




4.9.
Het tweede verzoek van [verzoeker] ziet op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. [verzoeker] stelt dat de buitengerechtelijke kosten (inclusief medische verschotten) inmiddels zijn opgelopen tot € 24.797,46 inclusief btw. Hij heeft dit onderbouwd met facturen en tijdspecificaties over de periode februari 2023 tot en met mei 2026. Uit de specificaties volgt dat tot aan het deelgeschil in totaal 62 uren zijn gedeclareerd. De verzekeraar heeft in totaal € 13.618,04 betaald als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. [verzoeker] verzoekt de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van het resterende bedrag van € 11.179,42.



4.10.
De rechtbank neemt bij de beoordeling het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot uitgangspunt dat ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Bepalend voor toewijzing is de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Deze vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.



4.11.
Dat mr. Van Meerkerk buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht wordt op zichzelf niet bestreden. Uit de door [verzoeker] overgelegde declaraties volgt dat de buitengerechtelijke werkzaamheden van mr. Van Meerkerk onder meer zien op correspondentie (met [verzoeker], de wederpartij, de medisch adviseur en de rechtbank), het opvragen/beoordelen van (medische) informatie en het opstellen van een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht. De Gemeente voert verweer tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, die volgens haar niet in een redelijke verhouding staan tot de omvang van de ongeval-gerelateerde schade.


4.12.
De Gemeente heeft aangevoerd dat de door mr. van Meerkerk gedeclareerde uren voor cliëntcontacten bovenmatig zijn. Meer specifiek wijst de Gemeente erop dat er voor besprekingen met [verzoeker] in de periode tussen 26 oktober 2023 en 17 oktober 2025 in totaal 11,5 uur in rekening is gebracht en dat daarnaast veelvuldig telefonisch contact heeft plaatsgevonden. Volgens de Gemeente valt, mede gelet op de aard van de zaak en de omvang van het dossier, niet in te zien dat een tijdbesteding van zodanige omvang noodzakelijk was voor een adequate behartiging van de belangen van [verzoeker]. De opgevoerde uren voor cliëntcontacten dienen daarom buiten beschouwing te worden gelaten, althans te worden gematigd, aldus de Gemeente.



4.13.
Mr. Van Meerkerk heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er in het dossier van [verzoeker] weliswaar meer tijd is besteed aan cliëntcontacten dan gebruikelijk, maar dat dit gelet op de leeftijd van [verzoeker] (77 jaar) redelijk is. Verder heeft hij erop gewezen dat er in de periode tussen oktober 2023 en oktober 2025 inderdaad 11,5 uur is besteed aan contact met [verzoeker], maar dat er slechts 7,5 uur is gedeclareerd.



4.14.
De Gemeente heeft verder aangevoerd dat mr. Van Meerkerk eenvoudige werkzaamheden met een overwegend administratief karakter (waaronder het opvragen van medische informatie) tegen een specialistentarief heeft gedeclareerd, hetgeen leidt tot een ongerechtvaardigde verhoging van de buitengerechtelijke kosten. Volgens de Gemeente komen de in dit verband opgevoerde uren niet voor vergoeding in aanmerking.



4.15.
Ten slotte heeft de Gemeente aangevoerd dat mr. Van Meerkerk aanzienlijke tijd heeft besteed aan bestudering van medische stukken, onder meer op 26 februari 2024 (24 minuten), 24 mei 2024 (1 uur), 3 juni 2024 (1 uur) en 5 september 2024 (18 minuten). Nu de inhoudelijke beoordeling van deze informatie is voorbehouden aan de medisch adviseur, is het niet zonder meer redelijk dat een advocaat omvangrijke tijd declareert voor bestudering van medische informatie, aldus de Gemeente. De in dit verband opgevoerde uren moeten volgens de Gemeente daarom buiten beschouwing worden gelaten, althans worden gematigd.



4.16.
Volgens [verzoeker] is de door mr. Van Meerkerk bestede tijd aan beoordeling van medische stukken (mede gelet op de omvang van het medisch dossier) niet bovenmatig. Bovendien is het volgens hem redelijk dat een advocaat medische informatie beoordeelt om zijn cliënt te kunnen adviseren en de juiste vragen aan de medisch adviseur te kunnen stellen. Ook heeft [verzoeker] aangevoerd dat er veel tijd is besteed aan de discussie tussen partijen om wel of niet een medische expertise uit te voeren.



4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het overzicht van [verzoeker] volgt dat hij aanspraak maakt op vergoeding van 62 uur werk van belangenbehartigers en € 2.780,10 aan ingewonnen medisch advies. De rechtbank gaat ervan uit dat het genoemde bedrag inclusief btw is. Dat leidt tot een gemiddeld uurtarief van ongeveer € 280 exclusief btw. De rechtbank acht gelet op de gemiddelde complexiteit van deze zaak een uurtarief van € 270 redelijk. De rechtbank is verder van oordeel dat de hoeveelheid geschreven uren aan cliëntencontacten bovenmatig hoog is, maar [verzoeker] heeft onbetwist gesteld dat daarvan maar 7,5 uur daadwerkelijk is gedeclareerd, en dat is naar het oordeel van de rechtbank niet bovenmatig hoog.



4.18.
Daarbij is naar het oordeel van rechtbank van belang dat de verzekeraar lange tijd heeft geweigerd om een deskundige te benoemen voor het uitvoeren van een onderzoek naar de klachten van [verzoeker]. Die weigerachtige houding heeft ervoor gezorgd dat de advocaatkosten van [verzoeker] opliepen door extra correspondentie en dat zelfs een verzoekschrift moest worden opgesteld voor het houden van een voorlopig deskundigenbericht. Pas vlak voor de mondelinge behandeling van dat verzoek heeft de verzekeraar ingestemd met gezamenlijke benoeming. In die zin heeft de Gemeente een deel van de gemaakte kosten te wijten aan haar eigen houding. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat aan het dossier te veel tijd is besteed. Wel is de rechtbank van oordeel dat een deel van de gedeclareerde uren ziet op werkzaamheden van eenvoudige administratieve aard die niet tegen een specialistentarief gedeclareerd zouden moeten worden. De rechtbank zal daartoe een correctie van 3 uur toepassen.



4.19.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk dat een aanvullend voorschot voor buitengerechtelijke kosten wordt betaald. De rechtbank stelt dit voorschot vast op een bedrag van € 8.437,36. Dit bedrag is opgebouwd uit 59 bestede uren maal een uurtarief van € 270, te vermeerderen met btw (59 × € 270 × 1,21 = € 19.275,30), te vermeerderen met € 2.780,10 aan medisch advieskosten en te verminderen met het reeds betaalde voorschot buitengerechtelijke kosten van € 13.618,04.


Kosten deelgeschil




4.20.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.



4.21.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank opnieuw de dubbele redelijkheidstoets hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.



4.22.

[verzoeker] maakt aanspraak op € 5.925,37 exclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De Gemeente heeft aangevoerd dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.



4.23.
De rechtbank is van oordeel dat het aantal bestede uren voor het opstellen van het verzoekschrift en het bijwonen van de zitting niet onredelijk is. Hoewel het verzoekschrift inderdaad enige overlap vertoont met het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht, vertonen de verzoekschriften ook belangrijke verschillen. Bovendien zijn niet alle uren die aan het verzoekschrift zijn besteed ook daadwerkelijk in rekening gebracht. Mr. Van Meerkerk heeft daarin al een matiging toegepast. De rechtbank acht het aantal bestede uren aan de voorbereiding van de zitting en bespreking met cliënt (5,6 uur) aan de hoge kant. De rechtbank zal hier 4 uur voor toekennen. Het aldus toe te passen totaal aantal uren (8 uren voor het verzoekschrift; 4 uren voor correspondentie, besprekingen en voorbereiding; en 3 uren voor de zitting, 15 uur in totaal) komt de rechtbank niet onredelijk voor. Gelet op de gemiddelde complexiteit van deze zaak acht de rechtbank een uurtarief van € 270 redelijk.



4.24.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op (15 uren × € 270 + 21% btw =) € 4.900,50 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341. Totaal komt dit op een bedrag van € 5.241,50 inclusief btw.





5De beslissing

De rechtbank:


5.1.
begroot het aanvullende voorschot voor buitengerechtelijke kosten op € 8.437,36 inclusief btw en veroordeelt de Gemeente om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen;



5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.900,50 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341, en veroordeelt de Gemeente om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen;



5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.





Kamerstukken II, 2007–2008, 31 518, nr. 3, p. 14 en 16.
Link naar deze uitspraak