Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:7021 
 
Datum uitspraak:27-10-2026
Datum gepubliceerd:05-11-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/1186
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV. Hoogte aanslag.
Trefwoorden:aow
belastbaar inkomen uit werk en woning
uitkering
verzamelinkomen
zorgtoeslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1186
uitspraakdatum: 27 oktober 2026


Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2024, nummer LEE 23/3294, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.943. Bij beschikking is belastingrente berekend, te weten € 134.



1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede [naam2] namens de Inspecteur.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] . In 2020 is belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van [bouwbedrijf1] B.V.



2.2.
Op 26 april 2022 is de aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2020 ingediend met daarin uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.943. Dit bedrag bestaat uit loon van [bouwbedrijf1] . B.V. van € 21.694 met een daarop ingehouden loonheffing van € 414, een pensioenuitkering van € 1.237 met een daarop ingehouden loonheffing van € 238 en een AOW-uitkering van € 16.012 zonder inhouding van loonheffing.


2.3.
Uit de door de Inspecteur overgelegde gerenseigneerde informatie blijkt dat belang-hebbende in 2020 de volgende inkomsten heeft genoten:








Inhoudingsplichtige


Loonheffing


Loon




Sociale Verzekeringsbank





€ 16.012





[bedrijfstakpensioenfonds]



€ 238


€ 1.237





[bouwbedrijf1] B.V.


€ 414


€ 21.694







€ 652


€ 38.943








2.3.
De aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 is met dagtekening 18 juni 2022 opgelegd overeenkomstig de aangifte naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.943. De totale in de aanslag begrepen loonheffing bedraagt € 652.



2.4.
Belanghebbende heeft een beschikking zorgtoeslag met dagtekening 14 juli 2022 ontvangen voor het jaar 2020. Tegen deze zorgtoeslagbeschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft dit bezwaar doorgezonden naar de Inspecteur, die dit als bezwaar tegen de onder de aanslag IB/PVV 2020 heeft aangemerkt.






3Geschil

In geschil is de hoogte van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020. Belanghebbende is van mening dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 niet klopt. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld.





4Beoordeling van het geschil


4.1.
Belanghebbende voert tegen de aanslag IB/PVV aan dat zijn boekhouder heeft verklaard dat die aanslag niet juist is. Deze boekhouder heeft in het verleden de boekhouding van zowel belanghebbende als van [bouwbedrijf1] B.V. verzorgd.



4.2.
Niet in geschil is dat de in de aanslag IB/PVV begrepen bedragen aan AOW-uitkering en pensioenuitkering juist zijn. Ook het Hof heeft geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen. Enkel de in de aanslag begrepen hoogte van het loon van [bouwbedrijf1] B.V. en de daarop ingehouden loonheffing wordt door belanghebbende betwist. Op vragen van het Hof ter zitting heeft belanghebbende niet duidelijk kunnen maken wat er niet klopt en/of dat wat er volgens hem niet zou kloppen, ziet op de onderhavige aanslag IB/PVV of op belastingaanslagen van [bouwbedrijf1] B.V.



4.3.
De in de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 begrepen bedragen aan loon en loonheffing ter zake van [bouwbedrijf1] B.V. zijn gelijk aan de in de aangifte opgenomen bedragen. Deze bedragen komen ook overeen met de bedragen op het door de Inspecteur overgelegde overzicht van de Fiscale Loon Gegevens ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2020. Deze gegevens zijn door [bouwbedrijf1] B.V. als inhoudingsplichtige aan de Inspecteur verstrekt en zijn gekoppeld aan belanghebbende, aan zijn burgerservicenummer en aan zijn geboortedatum. Nu er geen aanleiding is om te twijfelen aan het renseignement heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht een bedrag van € 21.694 aan (fiscaal) loon met daarop een ingehouden loonheffing van € 414 als loon van [bouwbedrijf1] B.V. in de aanslag IB/PVV in aanmerking genomen.



4.4.
Uit het vorenstaande volgt dat de aanslag IB/PVV voor 2020 terecht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.943 is opgelegd.



4.5.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.


Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.






5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.





6Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.


De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.



De griffier, De voorzitter,






(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)






Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak