Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2023:5746 
 
Datum uitspraak:18-10-2023
Datum gepubliceerd:20-11-2023
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:22/5898
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Verzoek schadevergoeding ivm ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever. Afgewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
dagloon
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2023 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv)
(gemachtigde: E.F. de Roy van Zuydewijn).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van schade die verzoeker heeft geleden.


1.1.
Verzoeker heeft het Uwv op 11 februari 2022 verzocht de schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van het niet opleggen van een loonsanctie aan zijn ex-werkgever. Verzoeker heeft de materiële schade begroot op € 32.899,08. Daarnaast heeft hij vergoeding verzocht van immateriële schade. Het Uwv heeft verzoeker met het besluit van 17 november 2022 een schadevergoeding toegekend van € 5.330,43. Ook heeft het Uwv de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.491,09 vergoed.



1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 26 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het Uwv.




Overwegingen


Wat vooraf ging


2. Verzoeker werkte als junior systeembeheerder bij [bedrijf] BV (de ex-werkgever). Per 8 mei 2018 heeft hij zich ziek gemeld. Gedurende de wettelijke wachttijd van twee jaar heeft de werkgever het loon van verzoeker doorbetaald.

3. Op 13 februari 2020 heeft verzoeker bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft de behandeling van deze aanvraag uitgesteld. Omdat in het re-integratieverslag van de ex-werkgever het Actueel oordeel van de bedrijfsarts ontbrak heeft het Uwv met het besluit van 27 maart 2020 aan de ex-werkgever een administratieve loonsanctie opgelegd. De ex-werkgever moet het loon van verzoeker doorbetalen tot 4 mei 2021. Met het besluit van 3 augustus 2020 heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever tegen dit besluit gegrond verklaard. De opgelegde administratieve loonsanctie is komen te vervallen. Hoewel het Uwv vindt dat de werkgever niet heeft voldaan aan de re-integratieverplichtingen, is het niet meer mogelijk om in plaats van de administratieve loonsanctie een inhoudelijke loonsanctie aan de ex-werkgever op te leggen, aangezien de wachttijd reeds was geëindigd.

4. Vervolgens heeft het Uwv met het besluit van 12 augustus 2020 een WIA-uitkering aan verzoeker toegekend met ingang van 4 mei 2020. Het dienstverband van verzoeker is per 1 oktober 2020 beëindigd.


Het geschil


5. Partijen zijn het er over eens dat ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd aan de ex-werkgever en dat het niet opleggen van een loonsanctie onrechtmatig is tegenover verzoeker. Het geschil spitst zich toe op de omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

6. Verzoeker is het niet eens met het toegekende schadebedrag. Hij legt aan zijn verzoek tot schadevergoeding ten grondslag dat hij door het vervallen van de loonsanctie gedurende twaalf maanden loondoorbetaling van tenminste 70% van zijn laatstverdiende salaris mist en mogelijk 100% als zijn re-integratie in de betreffende periode was voortgezet. Ook had hij mogelijk zijn baan behouden als hij succesvol was gere-integreerd. Het door het Uwv toegekende bedrag is alleen het bedrag waar hij nog recht op had, omdat hem te weinig WIA-uitkering was uitbetaald. Dit bedrag kan daarom niet worden aangemerkt als schadevergoeding. Eiser stelt verder fysieke en mentale schade te hebben opgelopen door de handelwijze van het Uwv. De besluitvorming door het Uwv heeft lang geduurd waardoor hij onvoldoende is begeleid tijdens zijn re-integratie. Eiser heeft zelf hulp ingeschakeld van een trajectbegeleider voor zijn re-integratie, waarvoor hij kosten heeft gemaakt.

7. Het Uwv heeft in het besluit van 17 november 2022 het schadebedrag op basis van de door verzoeker overgelegde loonstroken over de periode mei 2019 tot en met april 2020 en de WIA-betaalspecificaties over deze periode vastgesteld op € 5.330,43. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de WIA-betaalspecificaties betrekking hebben op de periode mei 2020 tot en met april 2021 en dat de periode genoemd in het besluit een kennelijke verschrijving betreft.


Het beoordelingskader en de bewijslast


8. Voor het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), die is gebaseerd op de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten.

9. Deze rechtspraak houdt in dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

10. Als beginsel geldt verder dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.

11. Het is aan degene die stelt schade te lijden om dit te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.


De beoordeling door de rechtbank


12. Verzoeker heeft op de zitting bevestigd dat zijn schadeverzoek is gericht op loonschade en immateriële schade.


loonschade

13. Partijen gaan bij de berekening van de loonschade beide uit van een maximale loonsanctie, en dus van het uitgangspunt dat de periode waarover de loonschade (mogelijk) is geleden 52 weken bedraagt.

14. Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt een werknemer in de eerste twee ziektejaren recht op 70% van zijn loon, voor zover dat loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt vastgesteld. Indien het Uwv wel een loonsanctie had opgelegd, dan was deze verplichting voor maximaal een jaar verlengd op grond van artikel 25, negende lid van de Wet WIA, waarin wordt verwezen naar artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Dat betekent dat de werkgever in het derde ziektejaar in beginsel niet is gehouden om meer dan 70% van het maximum dagloon te betalen.

15. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat het netto-loon in het derde ziektejaar is gebaseerd op het netto-loon in het tweede ziektejaar, zoals dat uit de salarisspecificaties over de periode mei 2019 tot en met april 2020 blijkt. Daarbij is uitgegaan van doorbetaling van 70% van het vastgestelde loon. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij recht had op doorbetaling door de werkgever van 100% van zijn loon. Het verschil tussen dit netto-loon (€ 19.304,58) en de ontvangen WIA-uitkering in derde ziektejaar (€ 13.974,15) is het bedrag dat verzoeker door het niet opleggen van een loonsanctie is misgelopen en voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank kan deze berekening volgen. Eiser heeft tegen deze berekening niets ingebracht.

16. Het Uwv heeft terecht het door verzoeker in het derde-ziektejaar ontvangen bedrag aan WIA-uitkering in mindering gebracht op het gemiste loon. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het in overeenstemming is met het uitgangspunt in het civiele schadevergoedingsrecht dat alleen daadwerkelijk geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat bij het wegvallen van een inkomstenbron geen schade wordt geleden als andere inkomsten daarvoor in de plaats komen. Dit betekent dat bij de berekening van de schadevergoeding als gevolg van een ten onrechte niet opgelegde loonsanctie op het bedrag aan gemist loon de over de betreffende periode ontvangen uitkering in mindering mag worden gebracht.


immateriële schade

17. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft verzoeker recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als verzoeker geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door de onrechtmatige besluitvorming.

18. Verzoeker heeft ter onderbouwing van de immateriële schade een rapport overgelegd van Ergatis van 7 april 2022. Hoewel aannemelijk is dat verzoeker gevoelens van onvrede, psychisch ongenoegen of zelfs stress aan de gang van zaken heeft overgehouden, blijkt uit het rapport van Ergatis niet van zeer ernstige psychisch letsel, of van een aantasting van verzoeker in zijn persoon als gevolg van het onrechtmatige besluit van het Uwv.
Omvang verzoek
19. Verzoeker heeft in de stukken en op de zitting veel aangevoerd over de gang van zaken bij de besluitvorming door het Uwv over zijn WIA-uitkering en stelt dat hij fysieke en mentale schade heeft opgelopen door de handelwijze van het UWV. De rechtbank benadrukt dat in deze beroepsprocedure slechts aan de orde is welke schade verzoeker heeft geleden door het ten onrechte niet opleggen van de loonsanctie. Wat verzoeker aanvoert over de toekenning van de WIA-uitkering en eventuele schade die verzoeker daardoor zou hebben geleden, kan de rechtbank in deze zaak dus niet beoordelen.



Conclusie en gevolgen

20. Het Uwv heeft het schadebedrag terecht vastgesteld op € 5.330,43. Het verzoek om schadevergoeding van meer dan € 5.330,43, wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn reiskosten.





Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:102.


Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:392.


Artikel 6:106, eerste lid, van het BW.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5052.
Link naar deze uitspraak